Collevecchio – Amsterdam

18 september 2020

De terugreis: ook die zouden we onderdeel maken van het reisgenoegen. Dus niet zomaar over de autobaan in twee dagen naar Amsterdam scheuren, maar er vier dagen over doen en dan maar zien wat het onderweg zijn in petto heeft. De eerste dag was trouwens nog wel grotendeels autobaan. Dat kwam omdat we eerst met de boemeltrein uit Rome moesten komen en de auto van John met onze bagage in Collevecchio moesten oppikken. En natuurlijk nog een laatste koffie bij de bar en een laatste groet aan de vaste klandizie, waartoe we zelf ook begonnen te behoren. Door al die dingetjes konden we pas na het middaguur weg, maar de autobaan bracht ons toch nog tot Parma. Een groot stuk langs de spoorbaan, waar de Frecciarossa’s (zeg maar de Italiaanse TGV’s) tussen Rome en Milaan ons regelmatig met hoge snelheid en met groot gemak inhaalden.

Door elke keer gedoe over het parkeren in stadscentra, hadden we er deze keer maar voor gekozen om een hotel te nemen buiten het centrum en dan maar zien hoe we ’s avonds in het stadscentrum zouden komen. Maar bij het hotel stonden de fietsen al klaar en zo konden we toch nog een mooi tochtje door de stad maken en gezellig eten op het mooiste plein van de stad. Parma is de hoofdstad van de Parmaham, maar die is aan vegetariërs niet besteed. Toch waren er genoeg andere lekkere dingen te eten. De dag erna hebben we afscheid genomen van de autobaan en zijn verder door de Po-vlakte gereden. Het lijkt erg op het vlakke Nederland, maar dat vlakke is eigenlijk wel de enige overeenkomst. Het licht in de Po-vlakte is erg fraai, waardoor het landschap een dromerig karakter krijgt, mede door de oude boerenhoeven met die terracotta-daken. Ik heb er jeugdherinneringen, niet omdat ik er destijds ooit was geweest, maar door de vroegere films van Don Camillo, die in die Po-vlakte-dorpjes zijn opgenomen. En later door de film Novecento van Bertolucci, die ook voor een deel daar is opgenomen. Ook Verdi is er geboren, maar dat ontdekten we pas toen we bij toeval door het dorpje Roncole reden.

De Po-vlakte tour eindigde in Pavia. Aan de Ticino, die – evenals de Rijn – op de Gotthard ontspringt en even zuidelijker uitmondt in de Po. We hadden er graag de fraaie kathedraal willen bekijken, maar waren even de merkwaardige Italiaanse gewoonte vergeten om veel kerken overdag een aantal uren te sluiten. Juist als de belangstelling het grootst is. Vandaar naar de Grote Sint Bernard, een van de fraaiste overgangen van de Alpen. Door het al late uur was er vrijwel geen verkeer meer en het landschap maakte daardoor een nog meer desolate indruk dan het normaal toch al maakt. Want de meesten kiezen de snellere tunnel. Via de Col de Forclaz en Chamonix, met fraai uitzicht over het Mont-Blanc massief, komen we al in het donker in het Franse Sallanches. In Nederland is de plaats beroemd geworden door het WK-wielrennen in 1964, waar Jan Janssen toen kampioen werd. Daardoor kreeg het – althans bij sommigen, waaronder mijzelf – een zekere mythische status, hoewel ik er nog nooit was geweest. Maar eenmaal daar, bleek het een sfeerloos dorp van niks en met enig geluk konden we er op dat late uur nog een pizza krijgen.

Via Genève en de Col de la Faucille hebben we andermaal voor secundaire wegen door de Jura gekozen. Allemaal door fraai Frans landschap waar de tijd lijkt stil te staan. Dat soort tochtjes blijken elke keer, wat betreft tijd, uit de hand te lopen en andermaal komen we uiteindelijk pas weer in de schemering in Metz aan. Ook al zo’n stad waar de meesten op weg naar het zuiden langsrijden. Helemaal als ze ook nog eens op de terugweg naar Nederland zijn. Niet dat je een aantal dagen nodig hebt om de stad te bekijken, maar anderhalf uur door de stad wandelen aan het begin van de laatste etappe is meer dan de moeite waard. Het laatste wapenfeit van de reis was het tochtje langs de oevers van de Maas tussen Givet (nog net in Frankrijk) via Dinant naar Namen. Inmiddels dicht bij huis, maar het landschap maakt door het diep uitgesleten dal een heel verre buitenlandse indruk. Maar eenmaal in Maastricht beland, is er geen andere keus meer dan regelrecht over de autobaan naar huis. Andermaal een erg fraaie terugreis, die smaakte naar het reizen van vroeger en waarvan de manier volgens mij ook de bedoeling is van het reizen. De foto’s van die laatste vier reisdagen staan op: 

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157716344241851

Rome (2)

14 september 2020

Het Vaticaan en alles wat daarbij hoort mag bij een bezoek aan Rome natuurlijk niet ontbreken. Om te beginnen het Vaticaans museum. Ondanks de toeristische rust in de stad, is het daar toch de bedoeling om online te reserveren en op het kwartier nauwkeurig aan te geven hoe laat je van plan bent te komen. Nu gaat er bij mij meestal wat fout als ik dingen online moet doen, vooral als het – zoals nu – ook nog op zo’n piepklein schermpje van mijn mobieltje moet gebeuren. Nu ging het dus ook fout, want ik had wél betaald, maar kreeg ondanks de toezegging geen barcode, waarmee je het museum in kunt. Gelukkig wel een bevestiging met een cijfercode. We nemen ons dan maar voor om een uur eerder te gaan om bij de ingang met de bevestiging in de hand de toegang alsnog te regelen. Maar bij de kassa hadden ze alle tijd om op hun dooie gemak de 24-cijferige code foutloos een computer in te tikken, die er daarna twee kaartjes uitspuwde.

En zo stonden we ineens één uur te vroeg bij de ingang. Ook helemaal geen probleem, want er waren toch al weinig bezoekers. Het museum straalt een onvoorstelbare rijkdom uit en de pijnlijke vraag dringt zich andermaal op hoe dat Vaticaan ooit in staat is geweest die rijkdom te vergaren. Maar nu je toch eenmaal binnen bent is het beter om van die pracht en praal te genieten dan te proberen die vraag te beantwoorden. De Sixtijnse Kapel is daarmee vergeleken eigenlijk een beetje een tegenvaller. Het is er schemerig, je mag er – ook zonder flits – niet fotograferen en zélfs niet gewoon praten. Daarna het andere Vaticaanse filiaal: de Sint Pieter. Ik herinner me zes jaar geleden toen ik ook op het plein stond en je eerst drie uur in de brandende zon mocht staan om binnen te komen. Daar hebben we toen dus voor bedankt.

Nu niets van dat alles en je liep zo naar binnen. De grootste kerk ter wereld en aan de zijkanten tientallen standbeelden, grafmonumenten, altaren en kapellen, met niet de minste pracht en praal. En ook nu komt de vraag op of er bij de bouw is gekeken naar functionaliteit of het uitstralen van macht. Verder ook op de laatste Rome-dag weer veel door de stad geslenterd. Eten deden we ’s avonds vlak bij huis in Trastevere. Het is niet voor niks een populaire wijk, want ik kreeg het idee dat alle toeristen in Rome juist deze wijk hadden uitgekozen om er te komen eten en voor het eerst ervoeren we (gezellige) drukte. Maar volgens mij was door het ontbrekende massatoerisme dit wel dé ideale tijd om de stad te zien. Toch bleef er nog veel over dat we niet hebben gezien. Een volgende keer dan maar. Het tweede Rome-fotoserietje staat op:

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157716311470478

Rome (1)

13 september 2020

Een paar dagen naar Rome, zo’n zestig kilometer onder Collevecchio. Dat doen we dan met de trein. Met een boemel, eigenlijk een forensentrein, die er anderhalf uur over doet en veertien keer onderweg stopt. Maar dan sta je wel midden in Trastevere, een van de meest populaire wijken van Rome, waar we een heerlijk B&B hebben. Mét balkon en uitzicht op de platanenstraat naar het centrum. Dat is vanaf het B&B goed te lopen, maar in vier tramhaltes sta je ook midden in de stad op Piazza Venezia, een mooi uitgangspunt om de stad verder te verkennen. René was – ondanks zijn gymnasiale én katholieke achtergrond – voor de allereerste keer in Rome. Dat werd dus onderhand wel tijd. Dat feit maakte het voor mij op een of andere manier ook extra leuk. Iemand had als reistip gegeven dat Rome ook zulke mooie buitenwijken had. Maar als je er dan voor de eerste keer komt en je hebt niet álle tijd, begin je natuurlijk niet met de buitenwijken.

Nee, dan doe je toch maar de highlights, die normaal gesproken worden overlopen door toeristen. Maar dit zijn geen normale tijden en dus zijn er ook nauwelijks toeristen. Ik kreeg de indruk dat de toeristen dié er waren vooral Italianen waren met hooguit een enkeling uit andere Europese landen. Maar niemand uit Amerika of Azië. Overal is het rustig en je hoefde nergens te wachten. We hadden twee-en-een-halve dag en als je het dan een beetje relaxed wilt doen, zul je toch moeten selecteren, maar zal aan het eind ook weer blijken dat je niet alles hebt kunnen doen wat je eigenlijk hád willen doen. We doen alles lopend. Behalve dan die paar tramhaltes vanaf ons B&B naar de stad. Lopen betekent eigenlijk slenteren en dat betekent dat je behalve die highlights ook nog genoeg andere en onverwachte dingen van Rome kunt zien. Als je goed kijkt tenminste en dat proberen we te doen. Vanaf Trastevere lopen we in eerste instantie via het Circus Maximus naar het Colosseum en Forum Romanum.

Op het Piazza Venezia staat het kolossale Vittoriano, ter ere van de eerste Italiaanse koning Victor Emanuel. Er is jarenlang volop gediscussieerd of zo’n groot ding eigenlijk wel zou passen in het stadsbeeld. Het werd algemeen zelfs erg lelijk gevonden. Maar, zoals het vaak gaat met lelijke bouwsels, nu het er eenmaal al zo lang staat, mag het natuurlijk niet meer weg. Ik heb het monument eerder eigenlijk alleen maar van een afstandje bekeken en dan nóg is het te groot om het ding goed op de foto te krijgen. Maar deze keer hebben we het ook van binnen en vooral bovenop bekeken. Het is ook van binnen inderdaad niet het mooiste monument van Rome, maar bovenop heb je een prachtig overzicht over de rest van de stad en kunnen we daar zo’n beetje inventariseren wat ons de rest van de dag te doen staat. Dat zijn de Trevi-fonteinen en de Spaanse trappen en alles wat er in die kleine straatjes nog tussenin te zien valt. Bij de Trevi-fonteinen viel het extra op hoe rustig het in de stad was. Ik was er vorig jaar met Marcel tijdens de Eurogames, en toen leek het wel alsof er een voetbalstadion aan het leeglopen was. Nu enkele tientallen mensen en genoeg tijd en gelegenheid om de fonteinen op je gemak op een bankje te bekijken. De highlights met alles daartussen staan op:

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157716281592016

Sabina (2)

11 september 2020

Het vervolg van ons bezoekje aan Collevecchio verliep in grote lijnen zoals we er begonnen waren: weinig ondernemen. Het dorp heeft veel schade opgelopen van de aardbeving in 2016 en veel panden zijn nog steeds gestut in afwachting van herstel, dat er misschien nooit gaat komen. Behalve dan de kerk, ook bijna ingestort, maar nu hersteld. Door corona even niet in gebruik binnen, maar de diensten worden nu gehouden op het parkeerterrein ernaast. Ik heb overigens niet de indruk dat ze hier nog heel gelovig zijn, afgaand op het handjevol bezoekers aan de kerkdienst op zondag op dat parkeerterrein. Dus ook de kerken leiden hier een marginaal leven.

Even buiten Cantalupo, een dorp in de buurt, stuiten we langs de weg op een gebouw dat ooit een prachtige en zelfs behoorlijk grote kerk geweest moet zijn. Misschien wacht ook deze kerk op herstel, maar aan de hoeveelheid brandnetels eromheen te zien is hier al tientallen jaren niemand meer geweest. Terwijl de kerken vervallen, wordt hier aan de doden des te meer aandacht geschonken. In elk dorp is er wel een plakzuil, waar de overledenen van de afgelopen maand worden aangekondigd. We nemen dus ook maar een kijkje op het kerkhof, waar de doden niet worden begraven, maar opgeborgen in bovengrondse en goed onderhouden tombes.

Het oorspronkelijke plan was om hooguit een paar dagen in Collevecchio te blijven. Er stonden immers nog meer dingen op het programma: Rome, Napels en dan nog de terugreis met de auto. Maar elke dag stelden we ons vertrek weer een dag uit. En door al dat getreuzel was het bezoek aan Napels ondertussen achter de horizon verdwenen en weer op de bucket list terecht gekomen. We hadden immers Genua ook al gezien, dat ‘het Napels van het noorden’ werd genoemd. En we konden ook maar niet genoeg krijgen van het verblijf in Collevecchio, zo heerlijk was het er. Steeds heerlijker zelfs, want we hadden na een paar dagen een vast ritme ontwikkeld en raakten steeds meer ingeburgerd. De ochtendkoffie bij de bar, een paar boodschappen, een beetje sightseeing, het zwembad en aan het eind van de dag het zachte licht van de late zon over het dal, de opkomende maan en de sterren aan de donkere hemel in de tot middernacht warme avond. En zo had het nog heel lang door kunnen gaan. Maar zaterdagochtend moesten we dan toch echt weg omdat er nieuwe huurders in aantocht waren. De onweersbui, die na een volle week prachtig warm weer op vrijdagavond losbarstte, was dan ook een waardige en symbolische afsluiting van een heerlijke week in Collevecchio. Foto’s daarvan op: 

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157716235216246

Sabina (1)

8 september 2020

Na vier dagen reizen (Genua meegerekend eigenlijk vijf), merken we toch wel dat we behoefte hebben aan even de auto aan de kant en lekker uit te rusten. Collevecchio is daarvoor een ideaal plaatsje. En – met dank aan John – vooral het huis waarin we verblijven. Sfeervol, met terras en uitzicht over het grote dal. Én natuurlijk het zwembad, nota bene aangelegd op een helling. Hier gaan we dan ook een aantal dagen blijven en niet al te veel ondernemen. Behalve dan dat we ons elke ochtend naar de bar op het centrale plein slepen voor cappuccino en cornetti. En kennismaken met het vaste meubilair dat daar elke ochtend zit. Het dorpje heeft betere tijden gekend. Er zijn nu nog zo’n 1500, voornamelijk oudere inwoners. Niet meer genoeg om basisvoorzieningen in stand te houden, zoals een restaurant, een geldautomaat en meer van die handige dingen. Maar wel nog de bar, die misschien wel – als ontmoetingsplaats – de allerbelangrijkste basisvoorziening is. Na een paar dagen weet dus iedereen wie we zijn, hebben we het gevoel dat we er zelf ook wonen en ook tot het vaste meubilair behoren.

Verder doen we niet al te veel. Behalve dan toch af en toe even met de auto naar de supermarkt, een restaurant in de buurt en bezoekjes aan een paar dorpjes in de omliggende Sabina. Want zo heet het gebied in het noorden van Lazio, de regio rond Rome. Een prachtig gebied, dat vaak met Toscane wordt vergeleken, maar bij nader inzien toch wel veel daarvan verschilt. In tegenstelling tot Toscane is hier nauwelijks wijnbouw, maar des te meer olijvengaarden. Naast grote velden met olijfbomen heeft eigenlijk elk huis wel een paar olijfbomen in ‘de tuin’ staan. De streek is ook veel minder toeristisch dan Toscane. Nu helemaal en het is overal stil op straat. Zelfs in Casperia, normaal gesproken populair bij Engelsen en zelfs Amerikanen. Nu niets van dat alles en wij hebben dus ook dat prachtige pleintje in het dorp helemaal voor ons alleen. Foto’s van de eerste Sabina-dagen staan op:

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157716216986437

Genua – Collevecchio

5 september 2020

Het laatste stuk van de heenreis: van Genua naar de eindbestemming Collevecchio, zo’n 60 kilometer boven Rome. Bij het ontbijt in Genua konden we het niet laten om nog een allerlaatste blik te werpen op de stad, de haven en de nieuwe boten die daar vannacht weer waren afgemeerd. Dan langs de kust naar het zuiden. De eerste honderd kilometer was het weer opletten. Veel tunnels, slecht verlicht en daardoor veel te veel contrast met de felle zon, geen vluchtstroken én ook nog eens bochten in die tunnels. De Italianen schrikken er desondanks niet voor terug om je dan, zelfs in die bochten, nóg in te halen. Ik vind Italianen een erg charmant volk, maar als ze achter het stuur kruipen worden het ineens andere mensen. Maar daarna wordt het overzichtelijker en bij Follonica verlaten we de kustweg, het binnenland in.

Daar ligt Massa Marittima, waar ik jeugdherinneringen uit de zomer van 1967 heb liggen en waaraan ik zelfs 53 jaar later nog vaak aan terugdenk. Ik reisde naar dat stadje met een groep van klasgenoten van de middelbare school uit Oldenzaal. Dat was met de Internationale Bouworde, een organisatie van katholieke snit, die scholieren in staat stelde om in ruil van reis, kost en inwoning een aantal weken werk te verrichten voor katholieke instellingen. In dit geval ging het om een weeshuis, het Rifugio St.Anna. Tegenwoordig is het een jeugdherberg en is de naam omgedoopt tot Ostello St.Anna. Die reis heeft destijds een grote indruk op me achtergelaten. Ik heb daar mijn liefde voor Italië opgelopen. Na enig zoeken konden we terugvinden waar het toen geweest moest zijn. Ter hoogte van de toenmalige slaapzalen troffen we iemand, die ook herinneringen had uit die tijd. De baas van dat weeshuis was Pater Don Luigi, waarvan hij wist dat die in 2013 op 96-jarige leeftijd is overleden, maar wiens geest in het complex nog alom aanwezig is.

Ik was daar zó druk om me in te beelden, hoe het daar destijds en nu was, dat ik eigenlijk vergat om daar de nodige foto’s te maken. Gelukkig had René de tegenwoordigheid van geest om daar wél foto’s te maken, die hij mij bereidwillig ter beschikking heeft gesteld. Die foto’s voeg ik – bij zeer hoge uitzondering en met dank aan René – toe aan de serie (zie het linkje onder). Uitzondering, omdat ik eigenlijk alleen maar zelfgemaakte foto’s wil opnemen. Want anders kun je wel aan de gang blijven en voor je het weet staan er alleen nog maar foto’s die je van het internet hebt geplukt.

Nog een veel grótere uitzondering is dat ik in de serie ook een drietal zwart-wit foto’s uit 1967 van dat verblijf aldaar toevoeg: een foto waar we aan het werk zijn en een theepauze hebben, een foto waar ik een soort oorkonde of diploma van Don Luigi uitgereikt kreeg en tenslotte een foto van de hele groep klasgenoten plus bewoners en verzorgers van dat weeshuis. Tijdens deze middag is de hele film uit 1967 nog eens in mijn hoofd afgedraaid. Maar opnieuw zijn we weer veel te lang in Massa Marittima blijven hangen en moesten we toch weer een stuk over de autobaan om uiteindelijk net voor het donker in Collevecchio te landen. Natuurlijk hebben we de dag op het dorpspleintje nog eens dunnetjes overgedaan. Hier zullen we enkele dagen blijven. De foto’s van deze toch wel bijzondere dag staan op:

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157716164460636

Genua

3 september 2020

We hadden maar liefst één hele volle dag extra ingeruimd voor Genua. Voor een stad van dat kaliber is dat natuurlijk veel te weinig. Genua is – wat mij betreft – dan ook ondergewaardeerd. De meeste Italië-gangers gaan naar Rome, Florence of Venetië en als er nog wat tijd over is naar Napels. Maar over Genua hoor je niemand, behalve als ze er met de boot zijn vertrokken naar meer zuidelijke bestemmingen. Toch is dit een van de mooiere Italiaanse steden en lijkt – voor wat betreft sfeer en natuurlijke ligging – nog wel het meest op Napels. We hebben geluk met het hotel. We hadden geboekt in een ‘gewoon’ hotel, maar om onduidelijke reden werden we omgeboekt, zonder extra kosten, naar het wat deftiger lid van dezelfde hotelfamilie: het ‘Savoy-hotel’, honderd meter verderop. Klinkt sjiek en dat wás het ook. We hadden de autosleutels afgegeven bij de receptie, die wel een plaatsje voor de auto wist. Binnen veel marmer en grote kamers met uitzicht op een blinde muur zonder uitzicht, dat dan wel weer.

Maar ontbijten en eventueel wat drinken doe je natuurlijk niet op je kamer, maar op het dakterras, op de zevende verdieping. Precies hoog genoeg om de haven en de zee te zien, recht tegenover het hotel. Daar blijkt dat Genua er toch wel toe doet. Niet alleen veel vrachtboten, maar ook alle ferries plus nog de nodige cruise-schepen vetrekken hier vanaf het monumentale Stazione Marittima. Foto’s maken daarvan mocht niet volgens een bewakende dame, die in ons een groot gevaar meende te zien. Er liep in de stad sowieso veel zwaarbewapende politie rond, maar het leek ons beter om maar net te doen alsof je dat niet ziet. Beter om je te richten op al het moois dat de stad te bieden heeft.

Het leven in de stad speelt zich op meerdere verdiepingen af. Het verkeer loopt op twee niveaus en tussendoor is er nog een spoorlijn plus nog allerlei kleinere steegjes, tunneltjes en bruggetjes voor voetgangers. Voor de automobilist, die hier de weg niet weet, een hele uitdaging dus. Achter het hotel liep het omhoog via kleine steile straatjes. De eerste avond was het meteen raak: een lekkere pasta met een glaasje wijn op zo’n klein pleintje tussen die steegjes. De oude stad zie je op een verhoogd soort landtong in het oosten liggen. Dat is het doel van de dag: slenterend langs straatjes, pleintjes en monumentale kerken naar de oude stad. De beste manier om veel te zien en voor de rest gaat alles vanzelf. Mondkapjes zijn hier de norm en zelfs op straat zie je ze veel. Je komt geen winkel of andere openbare gelegenheid binnen zonder zo’n mondkapje. Er wordt uitdrukkelijk op toegezien dat je dan ook je neus bedekt. Herhaaldelijk werd bij binnenkomst in een gelegenheid met zo’n apparaatje de temperatuur gemeten en ook heb ik op een terras meerdere keren mijn naam en telefoonnummer moeten achterlaten. Tot nu toe ben ik gelukkig nog niet gebeld. De camera heeft overuren gemaakt en een selectie is te vinden op:

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157716115121451

Andermatt – Genua

2 september 2020

Genua zou de volgende halte zijn. Drie jaar geleden waren we er ook al eens langs – of liever gezegd overheen – gereden. Daar is toen nog wel een korte koffiestop gemaakt, maar achteraf bleek dat we in een voorstad hadden gezeten, terwijl we dachten in het centrum te zitten. Maar de stad vonden we zelfs vanuit de auto zó mooi, dat Genua met stip op de bucket list terecht is gekomen. Reden genoeg dus om nog eens terug te komen en dat is bij deze gebeurd. Maar waar ga je dan de Alpen over? Oversteekplaatsen genoeg, maar bij de Gotthard lagen voor ons beiden de meeste jeugdherinneringen. Voor mij als amper 18-jarige, tijdens een busreis naar Italië met de middelbare school uit Oldenzaal. Afgezien van enkele korte grensoverschrijdingen was ik toen nog nooit in het buitenland geweest en heeft de Gotthard op mij een onuitwisbare indruk achtergelaten. Sindsdien ben ik er eigenlijk nooit meer geweest, behalve dan die ene keer een jaar of vijf geleden, maar toen hing er een dikke mist en begon het ook nog eens te regenen.

Deze keer was het weerzien zoals het hoort. Niet door de tunnel dus, maar gewoon over de pas. Fraaie beklimming bij goed zicht en boven zijn ze druk in de weer om er een windmolenpark aan te leggen. Ideale plek, want het kan er flink waaien. De pas is eigenlijk een scheiding van twee klimaten. Aan de noordkant nog wel een beetje ons klimaat, maar zodra je de pas over bent kom je meteen in een andere wereld. Mooi uitzicht op Airolo diep beneden en verder over het kanton Ticino. De wereld lacht je toe, de zon schijnt, ze spreken er meteen Italiaans en ook de architectuur wordt mediterraan. We maken een stop in Luino, aan het Lago Maggiore. Daar werden we herinnerd aan de televisiebeelden van een kleine week daarvoor, toen na een paar dagen van hevige regen de auto’s door kleine noord-Italiaanse steegjes spoelden. Zo héél mooi is het weer aan de zuidkant van de Gotthard dus nou ook weer niet.

Vandaag wel, maar het water in de haven van Luino was bedekt met een dikke laag hout en zelfs boomstammen, die kort daarvoor uit de bergen waren komen aanspoelen. In de Po-vlakte is er niets meer van dat alles. Strak vlak land en het lijkt er op Nederland. Mooie – zelfs monumentale – boerderijen met terracotta daken. Tussenstop in Casale Monferrato, op de kaart een onbekend plaatsje van niks, dat we eigenlijk alleen maar wilden bezoeken om er de Po te bekijken en er eventueel over de brug te wandelen. Maar zelfs dit plaatsje van niks, bleek alweer zó bezienswaardig, dat we er veel te lang zijn blijven hangen. En andermaal moesten we nog flink doorrijden om Genua te halen. Zouden vier dagen dan toch te kort zijn voor de manier van reizen die we in gedachten hadden?

Midden in de spits dus in Genua aangekomen. Daar was het opletten. Het is – voor wat betreft autorijden – een van de moeilijkste steden, die ik ooit heb bezocht. Overal afslagen, opritten, tolstations, tunnels en viaducten. Onze GPS raakte ook het spoor bijster, maar ineens reden we over de nieuwe brug, net geopend na de instorting van de oude twee jaar geleden. Wonder boven wonder het hotel toch gevonden. Het hotelpersoneel zocht een plaatsje voor de auto en er was lekker bier op het dakterras met uitzicht over de stad, beschenen door de laatste zonnestralen van de dag. Hier blijven we een volle dag extra. Wordt dus vervolgd. De foto’s van de tocht van deze dag staan op:

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157716085235676

Amsterdam – Andermatt

1 september 2020

De afspraak met mijn buurman John, die een huis in midden-Italië en dus daar ook een tweede auto heeft, was dat ik zijn ‘Italiaanse auto’ naar Italië zou rijden en vervolgens zijn ‘Nederlandse auto’ uit Italië zou ophalen. Nou hoef ik over zo’n verzoek nog geen twee seconden na te denken. Ik had René gevraagd om met mij mee te rijden en ook hij hoefde er niet lang over na te denken. Je kunt er in principe in twee dagen heen rijden, maar dan zie je alleen maar autobanen. Een beter idee zou zijn om er dan meteen maar een soort vakantie- en fotoreisje van te maken. Bovendien lagen er onderweg veel herinneringen uit vervlogen tijden. Herinneringen die er door al dat gejakker over autobanen en gevlieg over de wereld wat verwaarloosd bij lagen. Dus in vier dagen naar Italië leek ons een heel werkbaar uitgangspunt.

De eerste halte was Nancy. Vaak erlangs gekomen, maar meestal zonder te stoppen doorgereden op weg naar het zuiden. Nu dus niet en heel klassiek gelogeerd in een tot hotel omgebouwd stadspaleis. Vlak bij het ‘Place Stanislas’, omgeven door monumenten van een grote grandeur, zoals het operagebouw en het evenmin klein uitgevallen Hotel de Ville. En als je dan toch vier dagen de tijd hebt kan je ook nog een uitgebreide stadswandeling maken in de omgeving van dat grote plein. Na Nancy is voor de secundaire wegen gekozen door de Vogezen. Lekker rustig door mooie dorpjes tuffen en stoppen waar het mooi is. Dat was het reizen in de zestiger jaren.

René had herinneringen uit zijn jeugd aan Ribeauvillé. Ik ben daar later ook wel eens geweest maar herinnerde me vooral de toeristenfuik van menigten die langs de vakwerkhuizen sjokten. Deze keer bijna niemand op straat. Je kan de coronacrisis natuurlijk de schuld geven, maar misschien kwam het ook wel door de regen, die ondanks de al blauw geworden lucht boven ons maar niet wilde ophouden. Omdat we een beetje te lang waren blijven hangen in de Vogezen, moesten we toch maar een stuk over de autobaan om Andermatt, aan de voet van de Gotthard, te bereiken, de plaats van de tweede overnachting. De fotoserie staat op:

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157716053175617

Sabina

19 juli 2020

Sabina: zo heet de streek rond Collevecchio. We hebben de actieradius wat vergroot en wat rondgetoerd door die streek. Rome, ook dichtbij, hebben we maar gelaten voor wat het is. Behalve dan die ene keer toen ik Enzo, een Italiaanse vriend van John, bij een autoverhuurbedrijf in een treurige buitenwijk van Rome heb afgezet. Maar Rome krijgt hopelijk in september nog een herkansing. Maar ook zonder Rome is hier genoeg te zien als je goed kijkt. Sabina lijkt in de verste verte niet op iets van een stedelijk gebied. Integendeel, het is een streek van verstilde – helaas ook leeglopende – dorpjes. Op vrijdag maken een tochtje langs Cantalupo, Casperia, Roccantica en Poggio Catino. Allemaal compacte dorpjes op een heuvel, zodat je vroeger de vijanden goed kon zien aankomen. En erg fraai afstekend tegen de Apennijnse bergen op de achtergrond. Maar bijna geen mens op straat. Casperia is nog wel een uitzondering, want dat wordt nog wel een beetje in leven gehouden door de Engelsen en Amerikanen, die er zijn neergestreken. Het tochtje van vrijdag eindigde alleen halverwege jammerlijk in de regen, zodat we het niet helemaal hebben kunnen afmaken. Ook dat moeten we dan in september nog maar eens overdoen.

Zondag rond het middaguur een wandeling gemaakt naar Cicignano, zo’n 4 kilometer van Collevecchio. Even ontsnappen aan de zoete inval, alléén met het landschap, de krekels en de camera. Je passeert dan eerst het dorpskerkhof van Collevecchio. Hoewel de dorpen leeglopen, horen de doden er ook nog steeds bij. Op zondag rond twaalf uur is het er erg druk met nabestaanden, die met bloemen hun dierbaren gedenken. Prachtige omgeving, maar niet echt passend om daar in die drukte dan foto’s te maken. Dan maar verder naar Cicignano, een stuk verderop, ook al zo’n klein dorpje met nog geen 100 inwoners, die zo te zien allemaal binnen zitten. Ik had gehoopt na een wandeling in de brandende zon daar mijn dorst te kunnen lessen, maar horeca was er niet. Er gebeurde daar eigenlijk helemáál niks, behalve dan om twaalf uur het klokgelui van de kerk. Maar ook dat leidde niet tot énige activiteit. Op de terugweg toch nog maar even langs het kerkhof. Toen was er niemand meer. Ik kan op dat soort plaatsen altijd in gedachten verzinken. Hoe oud zijn de doden geworden, wanneer zijn ze overleden en wat deed ík toen? Verder worden de doden hier niet onder de grond begraven, maar opgeborgen in bovengrondse tombes. Zo horen ze er dus toch nog een beetje bij. De Sabijnse indruk staat op: 

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157715171051383