Oberstdorf

26 juli 2020

26 juli 1920: dat was de geboortedatum van mijn vader. Dat betekent dus dat hij zondag honderd jaar zou zijn geworden. Reden genoeg voor mijn familie om daarbij stil te staan en herinneringen aan hem op te halen. Dat in het kader van een ‘familiedag’, die we sowieso elk jaar organiseren. Het gebeuren had plaats in Sulzberg, een klein Duits plaatsje in de Allgäu, aan de rand van de Alpen, waar mijn zus Hedwig nu al weer ruim dertig jaar woont. Zij had een excursie geregeld naar het ski-dorp Oberstdorf, dat vooral bekend is van het ski-springen. Onderdeel daarvan was een rondleiding bij de schans, een van de grootste ter wereld. Het is dan ook een Flugschanze, een ‘vliegschans’ dus, in tegenstelling tot een ‘gewone’ springschans, eigenlijk een beetje een B-categorie dus. Alleen al de aanblik aan de onderkant van deze vliegschans doet je de adem benemen. We krijgen een uitvoerig exposé over de techniek van het springen, wat de risico’s zijn, wat de hoek van de landing moet zijn en hoe de puntentelling werkt.

Het indrukwekkendst was nog wel de tocht naar boven. Eerst naar de ‘afspring-tafel’, waar de eigenlijke vlucht begint. Vervolgens met de lift verder naar boven, waar je uitkijkt over het spoor waar de snelheid wordt opgebouwd, op de afspring-tafel en heel diep beneden op de plaats van de landing. Ski-springen lijkt me niet een sport die je kunt oefenen door er langzaam een vaardigheid voor op te bouwen. Ooit moet je de eerste sprong maken. Toch beginnen de meesten er al op jonge leeftijd aan door gebruik te maken van de instapmodelletjes die rond Oberstdorf zijn gebouwd, maar ook die lijken me al behoorlijke ambitieus. De festiviteit werd voortgezet in het Oostenrijkse Mittelberg met een wandeltocht naar een berghut, naar keuze ook eventueel per kabelbaan. Het vervolg laat zich raden: eerst bier op de houten banken buiten, een uurtje rust en vervolgens eten, drinken en tussendoor het ophalen van herinneringen aan onze vader. Ik denk dat mijn vader erg tevreden zou zijn, al hij dit allemaal zou zien. En als hij dit niet kan zien, dan toch zeker wel deze foto’s die ik in the cloud heb gezet:

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157715315727948

Sabina

19 juli 2020

Sabina: zo heet de streek rond Collevecchio. We hebben de actieradius wat vergroot en wat rondgetoerd door die streek. Rome, ook dichtbij, hebben we maar gelaten voor wat het is. Behalve dan die ene keer toen ik Enzo, een Italiaanse vriend van John, bij een autoverhuurbedrijf in een treurige buitenwijk van Rome heb afgezet. Maar Rome krijgt hopelijk in september nog een herkansing. Maar ook zonder Rome is hier genoeg te zien als je goed kijkt. Sabina lijkt in de verste verte niet op iets van een stedelijk gebied. Integendeel, het is een streek van verstilde – helaas ook leeglopende – dorpjes. Op vrijdag maken een tochtje langs Cantalupo, Casperia, Roccantica en Poggio Catino. Allemaal compacte dorpjes op een heuvel, zodat je vroeger de vijanden goed kon zien aankomen. En erg fraai afstekend tegen de Apennijnse bergen op de achtergrond. Maar bijna geen mens op straat. Casperia is nog wel een uitzondering, want dat wordt nog wel een beetje in leven gehouden door de Engelsen en Amerikanen, die er zijn neergestreken. Het tochtje van vrijdag eindigde alleen halverwege jammerlijk in de regen, zodat we het niet helemaal hebben kunnen afmaken. Ook dat moeten we dan in september nog maar eens overdoen.

Zondag rond het middaguur een wandeling gemaakt naar Cicignano, zo’n 4 kilometer van Collevecchio. Even ontsnappen aan de zoete inval, alléén met het landschap, de krekels en de camera. Je passeert dan eerst het dorpskerkhof van Collevecchio. Hoewel de dorpen leeglopen, horen de doden er ook nog steeds bij. Op zondag rond twaalf uur is het er erg druk met nabestaanden, die met bloemen hun dierbaren gedenken. Prachtige omgeving, maar niet echt passend om daar in die drukte dan foto’s te maken. Dan maar verder naar Cicignano, een stuk verderop, ook al zo’n klein dorpje met nog geen 100 inwoners, die zo te zien allemaal binnen zitten. Ik had gehoopt na een wandeling in de brandende zon daar mijn dorst te kunnen lessen, maar horeca was er niet. Er gebeurde daar eigenlijk helemáál niks, behalve dan om twaalf uur het klokgelui van de kerk. Maar ook dat leidde niet tot énige activiteit. Op de terugweg toch nog maar even langs het kerkhof. Toen was er niemand meer. Ik kan op dat soort plaatsen altijd in gedachten verzinken. Hoe oud zijn de doden geworden, wanneer zijn ze overleden en wat deed ík toen? Verder worden de doden hier niet onder de grond begraven, maar opgeborgen in bovengrondse tombes. Zo horen ze er dus toch nog een beetje bij. De Sabijnse indruk staat op: 

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157715171051383

Collevecchio

15 juli 2020

Collevecchio, zo’n 60 kilometer boven Rome, is een piepklein compact dorpje van zo’n 1500 inwoners. De gemiddelde leeftijd is hoger dan het gemiddelde elders, lijkt me zo. Het dorp is dan ook aan het leeglopen. Vijf jaar geleden is het laatste restaurant gesloten en sinds vorig jaar is er ook geen geldautomaat meer. De aardbeving uit 2016 heeft ook niet geholpen en sommige huizen zijn nog steeds gestut. Ik loop er met een dubbel gevoel rond. Enerzijds is het heel fotogeniek. Toeristen vinden dit geweldig, zolang ze er zelf maar niet hoeven te wonen. Anderzijds zie je hier de neergang van een dorp dat betere tijden heeft gekend en het voelt dan ook niet helemaal goed om hier ostentatief met een camera rond te lopen. Ondanks al datgene dat er niet meer is, zijn er toch ook nog dingen wél. Zoals een buurtsuper, een kapper en een klein winkeltje waar je rookwaar, allerlei snuisterijen en staatsloten kunt kopen.

En natuurlijk is er DE bar, aan het allerleukste pleintje van heel Italië, waar we elke ochtend ontbijten. Dat is inmiddels een ritueel van minstens anderhalf uur, waarin we cappuccini en cornetti met crème en chocola naar binnen werken. Het is het epicentrum van het dorp, iedereen verzamelt zich daar en er worden nieuwtjes en roddels uitgewisseld. In die anderhalf uur hebben we dan het hele dorp zien langskomen en ook begroet. En ook zijn er mensen, die moeite doen om de neergang op zijn minst tegen te houden. Zoals het schoonhouden van binnenplaatsjes, het verzorgen van bloembakken en elkaar de helpende hand toesteken. Of het tegenhouden van de neergang komt van het handjevol buitenlanders, die de vervallen pandjes opknappen en die hier als welkome gasten worden gezien.

John had zijn handen vol aan het op orde brengen van het huis. Het is – door de heftige lock-down in Italië – dit jaar nog niet verhuurd geweest en zelf is hij er dus ook nog niet geweest. Er was in die tijd wel toezicht, maar er gaat in zo’n lange tijd toch van alles kapot, vooral kleine dingetjes. En dus was het de hele week een heel georganiseer en een komen en gaan van allerlei ‘mannetjes’, waarmee John de boel weer een beetje op orde kon brengen. Mijn eigen levensritme paste zich wonderwel aan dat van het dorp. Of het nou door de hitte komt of door de vermoeidheid van de lange reis weet ik niet, maar sinds onze aankomst zaterdagavond overvalt mij een soort loomheid, waar ik me helemaal aan overgeef. Ik had mijn hardloopschoenen meegenomen, maar bij het zien van de steile hellingen in die hitte, wordt me de lust tot dat soort activiteiten helemaal ontnomen. Nee, dan is het zwembad beter, waar ik me in de middag met twee meegenomen boeken onder een parasol nestel en, als het te warm wordt, even een duik in het water neem.

En dan is er natuurlijk nog de corona, die vooral in Noord-Italië heeft huisgehouden, maar die hier eigenlijk nog niet echt is doorgedrongen. Maar de angst ervoor is overal in Italië alom aanwezig. Het begon al in Turijn, waar in het hotel twee keer onze temperatuur werd gecheckt, met zo’n apparaatje, waarvan ik dacht dat ze dat alleen maar in China hadden. En het mondkapje is ook in Collevecchio de norm. Zelfs in de auto moet je er een dragen, als je tenminste met iemand in de auto zit met wie je geen huishouden voert. In het katholieke Italië worden inmiddels wel weer kerkdiensten gehouden, maar nog wel op een parkeerterreintje naast de kerk in de open lucht, hoewel de belangstelling nog niet echt overhoudt. Een indruk van het dorpse leven staat op:

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157715111822246

Amsterdam – Collevecchio

11 juli 2020

Al een aantal jaren staat er een uitnodiging van mijn buurman John om eens een aantal dagen te gast te zijn in zijn huis in Italië. Het kwam er eigenlijk nooit van, hoewel het land sinds mijn eerste bezoek als 18-jarige altijd een speciaal plekje in mijn hart heeft behouden. Maar afgelopen januari is het eindelijk concreet gemaakt en is een treinreis geboekt voor in april. Die treinreis ging om inmiddels overbekende redenen niet door, maar afgelopen donderdag is de koe dan echt bij de horens gevat en zijn John en ik vertrokken. We gingen niet meer met de trein, want dat bleek achteraf veel te ingewikkeld. En al helemaal niet met het vliegtuig, want dat vonden we nog steeds niet echt veilig. Maar wel met de auto en dat bracht meteen het ouderwets romantische reisgevoel met zich mee. Dat gevoel zijn we met al dat gevlieg over de wereld toch wel een beetje kwijtgeraakt. Want is eigenlijk de helft van de pret van het reizen niet het onderweg zijn? Mits het een beetje relaxed gaat natuurlijk, je regelmatig onderweg stopt, en dan maar kijken wat zich onderweg voordoet.

De reis ging naar Collevecchio in midden-Italië, zo’n 60 kilometer boven Rome en we hadden besloten er drie dagen over te doen, met overnachtingen in Nancy en Turijn. Spotgoedkoop, want er waren nog steeds maar een handjevol andere gasten in de hotels. In Nancy een mooi hotel in de binnenstad, dat ooit een soort stadspaleis moet zijn geweest. In Turijn het tegenovergestelde: buiten het centrum, hypermodern en in de kamer boordevol geavanceerde elektronica. Zodanig, dat het me nog heel wat moeite kostte om voor het slapen gaan alle lichten op de kamer uit te krijgen. Ook zorgden we ervoor niet alleen maar over de autobaan te scheuren en vooral op de tweede dag tussen Nancy en Turijn ging het vooral over secundaire wegen door de Jura, lang lunchen onderweg, langs het meer van Genève en over de Grote St. Bernardpas.

Op die dag liep het wat betreft tijd dus flink uit de hand, zodat we mede door een flinke onweersbui vlak voor Turijn met erg veel water op de weg pas rond 10 uur bij het hotel in Turijn aankwamen. Daar was het eten al op, maar het hotelpersoneel wist nog wel een pizzeria in de buurt en was zo aardig om even te bellen dat we eraan kwamen. En ouderwets reizen betekent ook, als er dan toch nog veel autobaan is, af en toe van de weg af en zomaar een stad binnenrijden voor een lekkere cappuccino, zoals in Piacenza in de Po-vlakte. Of een kijkje nemen bij het Trasimeense Meer, waar Hannibal ooit slag leverde met de Romeinen. Zaterdagavond na een mooie, maar ook wel vermoeiende reis, beland in Collevecchio. Hoewel de combinatie autorijden en fotograferen niet echt handig is, is er toch nog wel een serie gekomen op:

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157715077099066

Gein en Vecht

3 juli 2020

Vrijdag met René maar weer eens het stalen ros beklommen. Meestal gaan we wandelen, want dan zie je onderweg toch meer. Het fietsen zelf is dus niet het doel, maar de fiets is meer een handig middel om toch een beetje een actieradius voor het fotograferen te hebben. Er was mooi fotoweer beloofd, behalve dan dat ene niet beloofde kleine regenbuitje in het begin. Mooi fotoweer betekent voor mij Hollandse scherp afgetekende wolkenpartijen met dreigende donkere wolken op de achtergrond en de foto-objecten dan in de zon, dan wel wat meer belicht. Die vind ik voor foto’s ideaal, want te veel lichte lucht als achtergrond maken je foto-object juist onderbelicht.

Deze keer ging het door het poldergebied ten zuiden van Amsterdam. Beginpunt was de Gaasperplas. Voor mij een nieuw gebied. Uithangplek van Amsterdam-Zuidoost, dat ik ook niet goed ken, maar dat zo te zien in positieve zin een metamorfose heeft ondergaan, vergeleken met het imago, waar dit stadsdeel maar met moeite van af komt. Ook daar een populaire plek voor yoga-klasjes, die je de laatste tijd overal in de stad ziet opduiken, nu de indoor-sportscholen nog gesloten zijn, of hooguit schoorvoetend opengaan. Vanaf de Gaasperplas ging het via Driemond langs het Gein. In eerste instantie nog wel bekend terrein, maar daar waar – zoals meestal – je rechtsaf gaat naar Abcoude, nu eens een keer linksaf.

Ineens weer op onbekend terrein en dan sta je plotseling voor Fort Nigtevecht, onderdeel van de Stelling van Amsterdam met zo’n dertig verdedigingsforten. Het fort is rond 1900 gebouwd en het oorspronkelijke ontwerp is redelijk intact. Net als dit gebied is ook dit fort relatief onbekend, omdat het vanaf Nigtevecht eigenlijk alleen met een grote omweg te bereiken was. Was…, want sinds 2018 ligt er de ‘Liniebrug’, een nieuwe fietsbrug over het Amsterdam-Rijnkanaal. Omdat er flink grote en ook hoge schepen onderdoor moeten kunnen is deze brug extra hoog aangelegd, heeft daardoor een prachtig ontwerp en je kan er alleen maar op en af via een paar haarspeldbochten. Leuk voor fietstoeristen en hardlopers die bergop willen trainen. Maar ook voor ons, want als kadootje krijg je dan een fraai uitzicht over het scheepvaartverkeer en de bepaald indrukwekkende schuiten die onder je doorvaren. Het resultaat van dit fietswandel-fotodagje staat op:

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157714988540532