Turtle Cove

20 maart 2020

Afgezien van de tropische uitstapjes werden de laatste dagen ook vooral lanterfanterend doorgebracht. We zitten in Turtle Cove, een fraai men-only resort tussen Cairns en Port Douglas. Mooi aan de kust en je kan dus ook slechter zitten. Maar vooral bezig met de terugreis het komende weekend, mede door het nieuws uit Europa ook een beetje onrustig, ook al omdat we nog maar moeten zien of we dan überhaupt nog wel terug kunnen. Overal worden vluchten geschrapt en grenzen gesloten. Voortdurend dus e-mails bekijken, nieuws bijhouden en contact houden met het reisbureau. Dinsdag geconcludeerd dat, als we nú naar het vliegveld rijden en een enkele reis Amsterdam kopen, we nog weg kunnen komen. Maar uiteindelijk toch maar de gok gewaagd om tot zaterdag te blijven, met het risico dat we dan dus niet meer wegkomen.

Maar vooralsnog schijnt het goed te komen, hoewel het nieuws en dus de situatie met de dag verandert. We hebben ons voor alle zekerheid maar aangemeld bij de Nederlandse ambassade, zodat ze weten dat we hier zitten. De dagen zijn onder meer gevuld met het maken van een foto-serie van en voor het resort. Ze zijn daar bezig met een nieuwe website en waren eigenlijk op zoek naar nieuwe foto’s.

Zaterdag, de dag van onze terugreis, werd het dus erg spannend en we waren dan ook ontzettend opgelucht toen we de instapkaarten voor de hele terugreis tot Amsterdam in onze handen hadden. Dit was dus het laatste blogje van onze Australië-reis. Ondanks de wat vreemde laatste week was het een prachtige reis en heb ik met veel plezier de blogjes geschreven en foto’s geplaatst. Jullie natuurlijk dank voor de feed-back en betrokkenheid. We zullen thuis aankomen in een bepaald andere omgeving en bereiden ons dan ook voor op enkele weken vooral thuiszitten. De laatste foto’s van en voor Turtle Cove staan op:

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157714532988818

Port Douglas

19 maart 2020

Met een wat dubbel gevoel schrijf ik het volgende blogje van onze reis. Want ik realiseer me dat jullie in het thuisfront met heel andere dingen bezig zijn dan het lezen van verhalen van een inmiddels andere planeet, zo lijkt het wel. In vergelijking met het corona-onheil dat we nu in Europa zien, valt het in deze streek tot nu toe nog wel mee. Vierhonderd kilometer hiervandaan, in Townsville, is deze week de eerste corona-besmetting geconstateerd. Maar het virus rukt nu ook hier in Queensland op. Men is zich er terdege van bewust en er zijn ook de nodige voorzorgen. Handen worden ook hier niet meer geschud en overal staan flesjes met gel, waarmee je je handen kunt ontsmetten. Het hotel, waar we nu zitten, loopt leeg en als we zaterdag (naar we hopen) vertrekken zijn wij vermoedelijk nog de enige gasten. Maar goed, we maken ervan wat ervan te maken valt. En ook schrijf ik – ondanks dat dubbele gevoel – toch maar dit verhaal, al is het maar voor de volledigheid.

We zitten aan zee tussen Cairns en Port Douglas. Wat dichter bij Port Douglas en dat is dan ook de plaats waar we ons op richten. We boeken er enkele excursies en er is een grote keus aan eettentjes. Cairns is wat dat betreft weinig bijzonders, hoewel Marcel er af en toe heen gaat om er te zwemmen. Zondag gaat hij ook snorkelen en zelfs scuba-duiken. Maar toen ik de lijst met dingen zag die dan allemaal fout kunnen gaan en wat je dan allemaal moet doen, heb ik vriendelijk bedankt voor de eer en heb er zelf een heerlijk stranddagje van gemaakt. Marcel had nog nooit gedoken, dus dat was wel een uitdaging, maar hij kwam opgetogen terug. We zitten aan een prachtig strand, maar in de zee kun je hier niet zwemmen. In dit seizoen zitten er stingers, kleine kwalletjes, en de beet ervan kan dodelijk zijn. Verder kunnen er krokodillen rondzwemmen en die wil je ook niet tegen komen. Er loopt hier bij het resort trouwens ook een krokodil rond. Hij is (nog) klein, circa anderhalve meter en is hier nu drie maanden. Hij wil helaas niet weg, dus je moet afstand houden, maar hij is (nog) niet agressief.

Een ander uitstapje is naar Kuranda, een dorp in de buurt. Met de kabelbaan heen en met de trein terug. Daar zouden we dan ook de local market kunnen bezoeken. Dan weet ik eigenlijk al genoeg: toeristen-meuk. En dat wás dus ook zo. Toch nog een erg leuke dag, want de kabelbaan heen, met verschillende stops onderweg met goede documentatie over het regenwoud, en de treinreis terug waren de moeite waard. Nog mooier was eigenlijk nog wel een uitstapje naar het Daintree Rain Forest. Lekker in een busje en onderweg een aantal wandelingen door het woud. Goede uitleg over het delicate evenwicht dat alle dieren en planten daar gedurende duizenden jaren hebben opgebouwd. Met een boottocht over een van de rivieren daar. En aan de oevers mangrove-bossen en verscholen krokodillen. We belanden in Cape Tribulation, wat ze hier het ‘einde van de wereld’ vinden. Je kan nog wel verder naar het noorden, naar Cooktown, maar dan moet je over onverharde wegen en zelfs door rivieren rijden. Op dit moment is de weg naar Cooktown trouwens gesloten. En zelfs dán kan je nog verder naar het noorden, nog wel 1000 kilometer maar liefst, naar Cape York. De meest noordoostelijke punt van Australië, die bijna Papua Nieuw-Guinea aanraakt. Maar in dat stuk komt bijna niemand meer. De benaming ‘regenwoud’ werd alle eer aangedaan na twee korte plensbuien, toen daarna de weer tevoorschijn komende zon een prachtige warme dampige sfeer wist te creëren. Met dito geluiden van allerlei gevogelte. De foto’s van deze tropische sferen staan op:

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157713539569997

Queensland

13 maart 2020

Het zit erop, de tocht met de auto door de ‘outback’ van Darwin naar Cairns, een kleine 3000 kilometer. Over de hele tocht hebben we vijf dagen gedaan. Dat lijkt snel (en dat ís het eigenlijk ook), maar je kunt gemiddeld genomen behoorlijk doorrijden, omdat er op sommige stukken vrijwel niemand anders op de weg zit. Je kunt dan zó tientallen kilometers rijden zonder ook maar één tegenligger tegen te komen. Verder hadden we cruise control en was de auto ook nog half zelfrijdend. Hij hield automatisch afstand tot je voorligger en als je van je baan afweek, kwam er vanzelf een zachte stuurcorrectie. Dat alles maakte het rijden erg aangenaam. Verder was het ons (of beter gezegd Marcel) na wat gepruts gelukt om de op onze telefoon geïnstalleerde muziek afgespeeld te krijgen op de ingewikkelde muziekinstallatie van de auto. Sowieso al onze favoriete muziek, maar sommige muziek is nog extra leuk als die al rijdend wordt beluisterd. Kortom, die 3000 kilometer waren een eitje. Zou je zeggen, maar toch waren er ook wel wat ongemakken, zoals de vele vliegen, de hitte en de eentonigheid af en toe. En soms ook wel enige nervositeit bij de gedachte, wie ons hier in hemelsnaam in die hitte en brandende zon bij autopech gaat helpen als je ook nog eens geen bereik op je telefoon hebt. Verder is er – ondanks de zon en de woestijn – nog steeds een kans dat wegen onder water lopen, dus in dat geval heb je zo gauw geen plan-B.

Maar het tweede stuk van de tocht door de ‘outback’ ging door Noord-Queensland. En dat was meteen een heel ander landschap dan de Northern Territories. Hiér waren er tenminste elke 150 kilometer dorpjes. Niet zomaar wat caravans langs de weg, maar echte dorpen, met benzine, koffie en andere aangename voorzieningen. Het deed ons daar denken aan de eindeloze tocht vier jaar geleden door West-Texas en New Mexico. Een bijzonder verschijnsel hier op de weg zijn de zg. ‘road trains’. Enorme vrachtwagencombinaties met drie en soms vier aanhangers van maximaal 53 meter. Die ook nog eens stevig doorrijden en dus groot ontzag inboezemen. Na vier dagen waren we in Townsville, aan de oostkust. Ineens een echte stad en de laatste 400 kilometer naar Cairns liepen weer door bewoonde wereld, op een drukke bochtige weg en waren eigenlijk wel het meest vermoeiende deel van de reis. Alom verbaasde blikken dat we uit Darwin waren komen rijden: “Most Aussies have never been there….”. Hier gaan we aan de kust nog een paar dagen bijkomen. Tegelijkertijd worden we overvallen door het corona-nieuws uit Europa. Vorige week, 8 maart, vóór onze tocht, ging het nog om relatief kleine aantallen. Tijdens onze tocht, mede door gebrekkig internet, was het even weg. Maar nu, 13 maart, nog geen week later, heel zorgwekkend, is het erg groot geworden. De laatste etappes van de tocht staan op:

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157713486903571

Northern Territories

11 maart 2020

Het eerste stuk van de tocht met de auto door het dunbevolkte verre noorden, van Darwin naar Cairns, loopt door de Northern Territories, een van de deelstaten van Australië. Die deelstaat is 40 keer zo groot als Nederland, maar er wonen ‘slechts’ 240 duizend mensen, waarvan ook nog eens 130 duizend in de hoofdstad Darwin. Het handjevol anderen woont verspreid over dit enorme gebied. Een andere illustratie hoe dunbevolkt de ‘outback’ van Australië is, is het feit dat 80% van de Australiërs op minder dan 50 kilometer van de kust woont. De Australiërs die we in Melbourne en Sydney spraken keken dan ook verbaasd op toen we hen over ons plan vertelden. Want wie gaat er nou eenmaal naar zo’n uithoek zoals Darwin? En als je dan tóch zo nodig van Darwin naar Cairns moet, ga je al helemáál niet met de auto, maar vlieg je natuurlijk, wat inderdaad een stuk goedkoper en sneller is. Bovendien zou er niets te zien zijn onderweg.

Niet dat er veel uit ervaring spreken, want weinig Melbourners en Sydney’ers zijn ooit in Darwin geweest. Maar in Europa zijn ze bijna allemaal wel eens geweest. Niet zo gek natuurlijk, want hun voorvaderen komen er vandaan. Ondanks hun scepsis hebben we het plan doorgezet. Niet om veel toeristische attracties te zien, maar juist om te ervaren hoe het is om op die afgelegen plekken in het noorden te zijn en je proberen voor te stellen hoe het is om hier te leven. Tijdens de reis kreeg ik steeds meer het idee dat de Engelsen, toen ze hier enkele honderden jaren geleden voet aan wal zetten, geen idee hadden wat ze met dit enorme land aan moesten. En dat eigenlijk tot op de dag van vandaag nog steeds niet hebben. Wel hebben ze de oorspronkelijke bewoners verdreven en degenen die het geluk hadden de Engelse invasie te overleven in reservaten gestopt. Nu zien we veel Aboriginals – vaak met bierblikjes in hun hand – doelloos rondlopen in Darwin en op andere afgelegen plekken in het noorden. Pas in de laatste jaren komt er enige erkenning en zelfs schuchter excuus voor dit pijnlijke stukje historie.

Dan de tocht zelf: we vertrekken maandagochtend in de stromende regen uit Darwin. We hoorden op de radio dat er in amper een uur tijd 50 millimeter regen was gevallen en we krijgen een uiteenzetting welke wegen er allemaal waren overstroomd en afgesloten. Dit was inderdaad een van de waarschuwingen, die we vooraf kregen. Maar onze weg, de Stuart Highway naar Alice Springs, zeg maar de A-1 van Australië, was begaanbaar en gaandeweg werd het droger, zonniger en ook heter, zelfs ruim boven 35 graden. Ook het landschap veranderde geleidelijk, van tropisch wet-land naar lagere begroeiing en uiteindelijk woestijn-achtig. Zo’n 1000 kilometer naar het zuidoosten, nog ruim voor Alice Springs, bij Tennant Creek slaan we linksaf de Barkly Highway op, richting het oosten.

Tennant Creek is een voorbeeld van een plaats waar je echt niet zou willen wonen. Niet alleen is het er vreselijk heet, maar ook zijn er zóveel vliegen, dat je eigenlijk niet buiten kunt zijn. Een lokale uitbater, bij wie we het ontbijt namen, bekende het er vreselijk te vinden, maar het was nou eenmaal zijn business. Op een groot bord bij de ingang excuseerde hij zich voor de hoge prijzen die hij moest vragen om zijn nering in dit afgelegen oord nog een beetje gaande te houden. Op de Barkly Highway begint dan echt het grote niets. 650 kilometer naar de grens met Queensland. Om de honderd kilometer is er iets dat er op de kaart wel uitziet als een gezellig dorpje, maar in werkelijkheid is het niet meer dan een paar caravans, met wat oude transport-meuk uit vervlogen jaren en als je geluk hebt een benzinepomp. Over lekkere koffie hebben we het dan maar niet. Inderdaad: niets te zien, maar zoveel meer ervaren. De foto’s van al dat niets staan op:

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157713445800472

Darwin

8 maart 2020

Darwin: vier-en-een-half uur vliegen vanaf Sydney. Dat betekent niet alleen naar de andere kant van dit enorme land, maar ook meteen naar een heel andere wereld. De tropische hitte valt hier bij aankomst over ons heen en de zon staat er in het zenith. Darwin is echt een uithoek in Australië. Eigenlijk wil niemand er wonen. De stad is goeddeels verwoest bij de aardbeving van 1974. Weliswaar herbouwd, maar wel met de treurige architectuur die zo kenmerkend was voor de 70’er en 80’er jaren. Toch gaan we hier een aantal dagen verblijven. Niet zozeer voor de stad, maar voor een tweetal nationale parken in de wel heel wijde omgeving: het Kakadu en Litchfield National Park.

We boeken een driedaagse tour. Meteen zo’n 1000 kilometer in totaal, maar lekker in een kleine bus met een veertiental andere toeristen. Deskundige leiding was wel nodig, want veel delen van het park waren gesloten door de overvloedige hoeveelheid water. Bovendien was het af en toe door rivieren rijden en dan weet je maar nooit of er krokodillen rondzwemmen. Want die zijn hier overal. Tot 1975 mochten ze nog worden afgeschoten en waren er in de ‘Northern Territories’ (zoals deze deelstaat heet) nog maar 3000 over. Nu staat er een lange gevangenisstraf op als je een krokodil doodt, en dus zijn er nu weer 130.000. Behalve krokodillen is er vooral kleinere fauna: vogels, spinnen, mieren en bloedzuigers. We leren hoe ermee om te gaan en we leren zelfs om mieren te eten, hoewel ik dat laatste toch maar niet heb gedaan.

We gaan dus helemaal terug naar de natuur en ook de voorzieningen tijdens de twee overnachtingen in een tent waren wel heel erg basic. We zitten aan het eind van de regentijd. Alles is nat, klam en vochtig. De regentijd heeft natuurlijk het nadeel van de veel grotere kans op regen, maar er zijn zowel overdag als ’s avonds wel heel prachtige luchten. Verder zijn er nauwelijks toeristen, zodat je alle bezienswaardigheden niet met zoveel mensen hoeft te delen. Bovendien hadden we toch wel een béétje geluk met het weer. Geen regen overdag, maar wel plensbuien ’s nachts, die lekker op je tent kletteren. Na vier dagen in en rond Darwin was het wel mooi geweest. Maar ondanks de nadelen (treurige architectuur, de uithoek van het land en de regen) hadden we toch wel een klik met de stad, al was het maar voor de bijzondere sfeer die er daarom was. De laatste (zondag)middag is besteed om onze autoreis naar Cairns door de outback voor te bereiden. Overnachtingen geboekt en dingen voor onderweg in de auto gekocht. We gaan er vijf dagen over doen. Wordt dus vervolgd. De Darwin-fotoserie staat op:

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157713405958956

Sydney (2)

2 maart 2020

De ligging en het klimaat van Sydney zijn nagenoeg ideaal. Het klimaat is in elk geval een stuk idealer dan dat in Nederland. Want wij lezen niets anders dan berichten over regen en storm in Nederland en dat al een hele maand lang. Het prachtige weer hier nodigt dan ook uit om de stad even te verlaten en de Bondi-walk te doen, een mooie uitgezette wandeling langs de kust, uitkijkend over duizenden kilometers oceaan. Geen wonder dat de golven prachtig op de rotsen beuken en mooi komen aanrollen richting het strand. En waar surfers elegant richting strand overheen dansen. Drie jaar geleden zouden wij – ook in Australië – dat allemaal wel even in een ochtendje leren, maar nu ik dit zo zie, zou dat een jarenlange studie vereisen. Geen wonder dat het cursusje destijds op de eerstehulpafdeling van een ziekenhuis eindigde. De Bondi-walk eindigt op Bondi Beach, een van ’s werelds meest iconische en vaak bezongen stranden.

Het is hier zien en gezien worden. Zonder strak lijf tel je hier beslist niet mee en iedereen is hier – nogal obsessief – bezig om de lichamelijke boel een beetje op orde te houden. En als het dan in orde is, is het de bedoeling dat iedereen dat dan ook ziet. Overal fitness toestellen langs het pad, die je tijdens het joggen kunt gebruiken. Daarbij heb je hier natuurlijk een mobieltje in je hand, verbonden met zo’n draadje dat in je oren hangt. Je kunt dus multi-tasken, want je wilt tijdens dat onderhoud van je lijf natuurlijk niet alleen niks van je favoriete muziek missen, maar ook kun je zelfs tijdens het joggen in het draadje praten en zo je contacten onderhouden.

De laatste dagen in Sydney brengen we in Manly door (een rustige woonwijk aan de kust) bij mijn nichtje Marleen en haar man Camiel, plus hun vier kinderen. Erg gezellig en met Marleen werk ik al in de ochtendschemering mijn hardlooprondje af, vergezeld door een jonge kangoeroe, die een stukje met ons mee huppelt. Ook een bezoekje gebracht aan de National Library, met op de vloer fraaie kaarten die een stukje Nederlandse historie in beeld brengen. Want dat Australië iets met Nederland heeft, is me nu wel duidelijk. Behalve Tasman heeft vooral de emigratiegolf uit de 50’er jaren ertoe geleid dat veel Australiërs Nederlandse voorvaderen hebben en minstens enkele woorden Nederlands spreken en dat ook graag met ons delen. Voor de rest is het vooral relaxen na ruim twee weken verblijf in toch wel drukke steden.

Het eerste deel van onze Australië-reis zit er nu op. Anderhalve week Melbourne en één week Sydney. Bij nader inzien toch heel verschillende steden. Melbourne heeft – afgezien van de hoogbouw in het centrum – duidelijk zijn Europese (eigenlijk Engelse) karakter behouden. Sydney daarentegen lijkt eerder veel meer op een Amerikaanse stad, maar dan wel een hele leefbare variant daarvan. Woensdagochtend vertrekken we van het geciviliseerde zuidoosten naar het wat ruigere noordwesten van het land. Vier-en-een-half uur vliegen naar Darwin, illustratief voor de enorme omvang van dit land. Ik zal proberen jullie op de hoogte te houden, maar of de techniek ook daar zal meewerken, moeten we allemaal maar afwachten. De laatste Sydney-impressie staat op:

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157713354055148