Vanaf Phoenix gaat de reis naar het noorden. Eerst nog door de volle lengte van de stad Phoenix en krijgen we zo’n beetje alle stadsdelen te zien: van ‘voornaam wonen’ tot ‘derde wereld’. Pas na 60 mijl (dus bijna 100 kilometer) hebben we het gevoel de stad uit te zijn. De route kruipt langzaam omhoog: Van Phoenix op 400 meter hoogte naar het noorden van Arizona, op ongeveer 2300 meter, waar we de volgende dagen zullen doorbrengen. En dat is aan de temperatuur ook te merken. Onze route loopt niet over de ‘Interstate-17’, maar ‘weg van de snelweg’, door een voormalig kopermijnbouwgebied. Stadjes van vergane glorie, met industrieel erfgoed, maar nu ontdekt door toeristen. Prescott is zo’n beetje het centrum ervan. Daar woonden ooit de grote mijnbouwbazen, die er met hun geld voorname villa’s hebben neergezet, die nu worden bewoond door mensen uit Phoenix, op zoek naar koelte en een ontsnapping aan de hete zomers daar.
We belanden in Prescott in een pro-Trump demonstratie en men loopt hier blijkbaar al warm voor de verkiezingen van 2020. Als ik lees wat daar allemaal op die borden staat, begin ik te vrezen dat een dialoog tussen de verschillende gedachtengoeden in het gepolariseerde Amerika nog heel ver weg is. Een ander dorpje is Jerome, wat mij betreft wel het mooiste, zowel wat betreft ligging in het landschap als het dorpje zelf. Rond 1960, toen de mijnen daar sloten, was het dorpje ten dode opgeschreven. Door de ondergrondse explosies in de mijnen bleek het zo’n 10 centimeter per jaar te zakken. Uiteindelijk stabiliseerde dat en werd het ontdekt door kunstenaars, die het dorp met hun winkeltjes en galeries revitaliseerden. Dinsdagavond belanden we in Sedona, beroemd om zijn zonsondergangen en -opkomsten en zodoende ook om de kleuren van de omliggende rotsen. Maar ondanks de stralende zonnige dag raakte het in de avond bewolkt en regende het de volgende ochtend zelfs een beetje. Dus van enige van de attracties van Sedona hebben we niet veel kunnen zien.
Verder is Sedona een spiritueel centrum geworden, omdat het een uiteinde is van ‘geo-magnetische’ lijnen, die door de aarde lopen. Dat blijkt als we een korte ochtendwandeling langs een van de rotsen maken. Nog nooit heb ik meer kerken en kapelletjes per vierkante kilometer gezien dan hier. Verderop lunchen we in Williams, ten westen van Flagstaff, aan de oude ‘Route 66’. Hier wordt de ‘route-66-cultus’ levend gehouden en zelfs een tikkeltje extra aangezet met rock ’n roll muziek uit de late 50’er, vroege 60’er jaren en relikwieën van de route uit die tijd. Elvis is hier blijkbaar een legende. Niet alleen in Williams, maar ook in de rest van Arizona en vermoedelijk in heel Amerika is de muziek zelf ook nog springlevend. Je kunt er geen café of restaurant binnenstappen, of het muziekgenre komt uit het behang. De Route-66 zelf, van Chicago tot Los Angeles, is eigenlijk al grotendeels verdwenen en vervangen door snelwegen. Maar men probeert nu te redden wat er nog te redden valt. Ik neem me trouwens al een hele tijd voor om die route nog eens te rijden, maar het is er nog nooit van gekomen. Maar het plan blijft op de bucket list. We overnachten in Tusayan, aan de rand van het ‘Grand Canyon National Park’. Daarover later meer. De foto’s van déze twee dagen staan op:
Onze USA-reis zijn we begonnen in Phoenix (Arizona). Daar gaan we een paar dagen acclimatiseren en zijn te gast bij Richard, die daar woont. De heenreis verliep alleen niet helemaal vlekkeloos. We hadden een overstap in Minneapolis en je komt daar dan officieel de VS binnen, met alle formaliteiten van dien. Er werden ons vragen gesteld zoals wat we van elkaar zijn, bij wie we op bezoek gaan en hoe we die kennen. ‘None of your business’ denk ik dan, maar ik weet inmiddels dat het bij denken moet blijven en dat je dit allemaal braaf moet ondergaan. Bij een volgend loket word ik eruit gepikt en wordt mijn paspoort ingenomen. Ik mag plaats nemen in een andere ruimte, waar nog een aantal andere ‘verdachten’ zitten. Na drie kwartier ben ik aan de beurt en mag dan – onder toeziend oog van Trump, die daar aan de muur hing – nog een keer uitleggen wat ik in hun land kom doen en bij wie we op bezoek gaan. Ze moeten het exacte adres ervan weten, wat nog een keer gecheckt wordt, en uiteindelijk was het in orde en kreeg ik mijn paspoort terug. Ik vroeg nog wat eigenlijk het probleem was. Ze zeiden dat het nou eenmaal hun taak was om mensen te controleren en maakten me bovendien duidelijk dat het verder de bedoeling was dat zij hier de vragen stellen en niet ik. ‘Welcome to America…!!’.
Maar verder ging het goed en heb erg genoten van de heenreis aan het raam. Je komt bij Newfoundland binnen met heldere luchten en eindeloze sneeuw- en ijsvlaktes. Uren later, pas vlak voor Minneapolis komt er enige bebouwing, maar ook daar is het nog volop winter. Hoe anders in Phoenix. Hier gedraagt het weer zich naar verwachting met een heerlijke 25 graden. Eigenlijk zitten we in Laveen, een buitenwijk aan de zuidkant van de stad, midden in de woestijn. Phoenix zelf is een stad van tientallen kilometers lang en breed, met vrijwel alleen maar laagbouw en alleen in het centrum wat hoogbouw, dat ze hier down-town noemen, maar waar verder weinig mensen wonen. Men woont hier vooral in de laagbouw met grote huizen met dito tuinen. Geen gazons, maar mooie woestijnbegroeiing. Maar niet iedereen woont mooi en er zijn ook delen die eerder op de derde wereld lijken.
De stad is zo’n beetje even groot als een gemiddelde Nederlandse provincie en je rijdt er dus voor de kleinste dingetjes enorme afstanden. En als je dan de stad vanaf een heuvel van de bovenkant bekijkt, begin je je te realiseren dat elke maatregel om het gebruik van de auto terug te dringen hier bij voorbaat kansloos is. Behalve enkele buslijntjes is er geen openbaar vervoer. Treinen al helemaal niet. En als je je een auto kunt veroorloven ga je echt niet in een bus zitten, want de bus is voor de armen. Fietspaden zijn er ook niet en fietsen is met die enorme afstanden, vooral in de hete zomers die je hier hebt, onbegonnen werk. En verder is autorijden spotgoedkoop: de benzine kost hier een kwart van wat die in Europa kost. En nóg klagen ze hier over de hoge brandstofprijzen.
Zondag een uitstapje gemaakt naar ‘Tortilla Flat’, een uitspanning aan een meer in een gebied met kleurige bergen en veel cactussen. Helemaal warm werd ik daar van een muziek-bandje met Amerikaanse rockers uit de late 60’er, vroege 70’er jaren. Destijds in mijn studententijd erg populair, althans in mijn kringen. Ik heb er toen erg van genoten, maar het genre is bij ons een beetje vergeten. Hier niet en het lijkt wel of de tijd stil heeft gestaan. Ik had graag willen aanschuiven en er een couple of beers met ze willen drinken, zoals ze hier doen en wij vroeger deden. Maar dinsdag verlaten we Phoenix en reizen naar het noorden. Het was weer leuk hier, we zijn redelijk uitgerust van de reis en nu we er voor de derde keer zijn geweest, begin ik me er een beetje thuis te voelen. Mede dankzij onze gastheer Richard, waardoor we nu wél kunnen zeggen: ‘Welcome to America…!!’ Foto’s zijn er natuurlijk ook gemaakt. Die staan op:
Oud-West, nog zo’n vooroorlogse volkswijk, die aan alle kanten onderhevig is aan de veranderingen die in Amsterdam gaande zijn. Aan de noordkant is er de Spaarndammerbuurt, die heel strak grenst aan de toekomstige Houthavens, waar het toekomstige wonen slechts is weggelegd voor de ‘happy few’ met wel een hele dikke portemonnee. De zuidkant van Oud-West is de laatste jaren sterk ‘ver-yupt’, met de komst van de Filmhallen, de clientèle daarvan, en allerlei andere hippe dingen die de Hallen met zich meebrengen. Aan de oostkant heb je dan de Jordaan die al een jaar of twintig geleden hetzelfde proces heeft ondergaan. Daar moet je ook wel de middelen hebben om er te wonen, maar die hebben ze natuurlijk overgehouden aan de verkoop van hun auto, waarvoor in de Jordaan echt geen plaats is.
Je kan er dus op wachten dat het karakter van het laatste nog ‘onaangetaste’ deel van Oud-West ook gaat veranderen. Dat zou eigenlijk ook niet zo slecht zijn, want niet alle delen van het oude Oud-West blinken – wat mij betreft – uit door stedenschoon. Wel hebben sommige delen nog het intieme karakter van kleine dorpjes, waar iedereen elkaar lijkt te kennen. Ook heb je er wel mooie ‘Amsterdamse School’ architectuur, maar vaak verwaarloosd en slecht onderhouden. Soms zelfs ook uitgesproken lelijke dingen, maar zelfs lelijke dingen kan ik vaak ook wel weer mooi vinden. Die veranderingen zijn trouwens al gaande, want er staan hier en daar al gloednieuwe wooncomplexen. Ook is er een aantal jaren geleden een knots van een moskee gebouwd, waar heel veel over te doen is geweest, maar die er uiteindelijk toch is gekomen. We gaan het in de komende jaren dus zien hoe het zich verder gaat ontwikkelen. Hoe de wijk er vandaag bij ligt staat op:
Aangelokt door het schitterende voorjaarsweer nog maar eens een etappe gedaan uit het boekje met routes buiten de binnenstad. Deze keer in Amsterdam-Zuid, Oud- en Nieuw-Zuid, want dat schijnt te verschillen. En als toetje de Zuid-as. Toen ik in 1993 in Amsterdam een woning zocht, werd mij onder meer Zuid aanbevolen. Ik heb daar ook wel naar woningen gekeken, maar vond het – voor wat je ervoor kreeg – toen al behoorlijk aan de prijs. Ik ben er dan ook niet gaan wonen en uiteindelijk in de Plantagebuurt terecht gekomen, waar ik beslist geen spijt van heb gekregen. Later ben ik ook niet veel meer in Zuid geweest. Grote delen ervan zijn ontworpen door Berlage, met lange en brede straten en grote eenvormige wooncomplexen. Veelal Amsterdamse School, maar in de Apollo-buurt en bij het Vondelpark heb je ook wel wat voornamere villa’s en aan het water bouwsels die je als ‘goudkust’ zou kunnen kenschetsen.
Al met al is het wat betreft samenstelling wel zo’n beetje de deftigste wijk van Amsterdam. Nergens vind je meer groentejuweliers, dure kledingzaken en exclusieve soorten wijn. De geparkeerde auto’s zijn er ook gemiddeld in wat je noemt ‘het hogere segment’. Maar de wijk is goed onderhouden en alleszins het bekijken waard. Je kan zien dat er veel aandacht is besteed aan het behoud van de prachtige details, zoals bijvoorbeeld de voordeuren en het gevarieerde tegelwerk op de voorgevels. Aan het eind ook nog even een ronde gemaakt door de Zuid-as. Het domein van het grote geld en de dure advocaten. Hier doe je mee aan de rat-race en word je geleefd door de targets die van hogerhand worden opgelegd. Tropenjaren schijnen het te zijn, áls je het hier al een aantal jaren volhoudt.
Maar naast werken kan je er ook wonen. Nog steeds worden er, een beetje uit het zicht vanaf de Ringweg, kolossale wooncomplexen neergezet in – ik moet zeggen – beslist niet lelijke en in elk geval gedurfde architectuur. Nu zag het er met dit mooie weer natuurlijk ook prachtig uit, maar ik vraag me dan toch af hoe je woongenot is op winderige en regenachtige dagen. Want die heb je natuurlijk ook in Zuid. Ik bekijk dat soort wijken altijd met de vraag: “zou ik hier willen wonen?” Dan toch maar liever in de warmte, geborgenheid en gezelligheid van de binnenstad. En helemaal van de Plantagebuurt, waar ik deze maand met veel plezier precies 25 jaar woon. Maar foto’s maken kan je wél in Zuid. Kijk maar op:
Ineens lijkt het wel voorjaar en nogmaals heb ik het bekende rondje over het Oosterdok gedaan. Twee keer eerder heb ik geprobeerd om op het dakterras van het NEMO te komen, maar beide keren was het om onduidelijke redenen dicht. Gelukkig niet deze keer. Maar voor foto’s richting stad valt het daar toch tegen. Recht tegen de lage zon in, en voor de beeldbepalende gebouwen is het licht dan toch te ongunstig. Wel kan je daar de ‘Booking.com’ bouwput goed zien. Ook het Chinese bootrestaurant komt vanaf daar goed in beeld met nu toch wel een heel groot contrast met de glanzende gevels van het Oosterdokseiland. Terug door de Nieuwmarktbuurt. Als je goed kijkt krijg je het idee dat de grachtenpanden op de Geldersekade eigenlijk niet meer zelfstandig kunnen staan, maar een beetje scheefgezakt tegen elkaar aan staan te leunen. Deze week kwam in het nieuws dat het in de stad nog een heel probleem gaat worden om enerzijds tientallen kilometers kademuren te herstellen en tegelijkertijd ook de zwakke fundering van sommige panden aan te pakken. Op de terugweg is het Waaggebouw niet te vermijden, een van de meest gefotografeerde gebouwen in de stad. Alleen nog niet door mij. Bij deze dus. Evenals de rest van wat ik tegen kwam:
In deze tijd van het jaar moet je geluk met het weer hebben als je iets buiten wilt ondernemen. Want vaak is het donker en grijs. Behalve zondag, waarvoor de voorspellingen ineens goed waren, die bovendien nog uitkwamen ook. Dus vroeg weg in de ochtend voor weer een wandeling en dan is het licht met de nog lage zon prachtig. De tocht ging deze keer door Amsterdam-Noord, in veler ogen toch geen echt Amsterdam. Maar dat verandert rap. Sinds de komst van het filmmuseum EYE, het gebied rond de A’DAM-toren, de komst van de Noord-Zuidlijn en de populariteit van de NDSM-werf hoort Noord er nu helemaal bij. Je merkt het ook aan de drukte op de ponten naar Noord. Vroeger, toen er nog geen oeververbindingen waren had je daar kleine – van de stad tamelijk geïsoleerde – dorpjes, zoals Buiksloot en Nieuwendam. Nu maken ze weliswaar al bijna honderd jaar deel uit van de Gemeente Amsterdam, maar hebben toch hun karakter behouden.
Mijn indruk is dat die fraaie dorpjes nu worden bewoond door het hippe volkje uit de stad en vindt er een renovatie-slag plaats met mooi opgeknapte kleine huisjes in felle kleuren. In de 20’er en 30’er jaren zijn er de zg. ‘tuindorpen’ gebouwd, elk met een eigen en eenduidige architectuur. Meestal lage en kleine huizen, soms ook met een bovenverdieping die over de weg heenloopt. Tegenwoordig is er weer veel nieuwbouw, nu hoger, maar beslist niet lelijk. Wel veel franse balkonnetjes, waarvan ik vroeger dacht dat dat iets heel sjieks was. Opvallend vond ik de hoeveelheid groen in de wijk. Niet zomaar wat struiken langs de weg, maar twee keer liepen we door een heus bos. Nog niet echt Veluwe natuurlijk, maar in Amsterdam vinden we dit al heel wat. Het leuke was verder dat je hier en daar ook al tekenen van het voorjaar zag. Na twee donkere maanden zijn dat toch ook wel weer hoopvolle tekenen. Al met al vind ik Noord een heel veelzijdige en ook gemêleerde wijk, waarvan ik wel denk dat die in de komende tien jaar nog flink zal veranderen. Ten goede, zullen we dan maar hopen. De tussenstand staat op:
Maandag de laatste etappe van de wandel-driedaagse gelopen. Zo vroeg in het jaar al, maar dat kwam door het voor januari uitzonderlijke goede weer, waardoor ik ineens heel vroeg uit de wandelwinterslaap was gekomen. Deze laatste etappe was met René, met wie ik een stuk van de LAW-8, het Zuiderzeepad, heb gelopen. Dat Zuiderzeepad wordt in het begeleidende boekje ‘het gouden hart van Nederland’ genoemd. Het begon al met de aanloop op de Geldersekade, waar de grachtenpanden mooi in het water spiegelden. Nou zie je dat wel vaker, maar zo mooi als vandaag krijg je ze niet zo vaak. De route liep verder door en langs IJburg, de nieuwe wijk op het in 2001 opgespoten eiland. Eerst dóór IJburg, waar de bewoners zo te zien de vrije hand hebben gehad in de architectuur. Sommige bouwsels zijn daar wel héél erg door persoonlijke smaak tot stand gekomen.
Verderop onderlangs IJburg over de Diemerzeedijk, een onbewoonde strook tussen Diemen en IJburg. Het domein van fietsers en joggers. En zo te zien ook van konijnen. Vanaf de Diemerzeedijk kun je de goudkust van IJburg goed bekijken. Hier grote villa’s aan het water, in bijna alle gevallen met een boot(je) voor de deur. Al met al vind ik IJburg een mooie wijk geworden. Er wonen inmiddels 25.000 mensen op het eiland en het is de bedoeling dat het er nog veel meer gaan worden. Je kunt alleen maar op het eiland komen via twee tweebaanswegen en een tram, dus dat lijkt me uiteindelijk vragen om files. Als die er in de spits nu al niet zijn. Aan de zuidoostkant houdt het plotseling op en kom je in een soort niemandsland aan de oever van het Amsterdam-Rijnkanaal. Zo te zien nog een klein rafelrandje, en als je even door de halfbevroren modder loopt heb je een fraai zicht op het kanaal en de toch wel erg grote schepen die er voorbijkomen. En op de grote elektriciteitscentrale van Muiden.
Dit stuk lijkt me niet echt tot het ‘gouden hart van Nederland’ te horen, maar ik vind het toch leuk en beschouw het maar als een soort erfgoed. Verderop heb je dan wel weer de goudkust van Muiden. Nu woont er nog niemand, maar zo te zien gaat dit een nieuwe wijk worden en de eerste woningen, eigenlijk meer villa’s, zijn bijna klaar. Hier heb je een wel héél fraai uitzicht over het IJsselmeer. Links in de verte de vage contouren van Durgerdam en Volendam. Iets dichterbij Pampus en voor de rest, zo ver je kunt kijken, alleen maar water, waardoor het net een echte zee lijkt. Alleen heeft de schoonheidscommissie even niet opgelet, toen er voor de deur van het Muiderslot ineens een jachthaven kwam. De camera heeft dit alles vastgelegd op:
Nog maar eens geprofiteerd van het mooie weer en zondag andermaal de hoge schoenen aangetrokken voor een wandeling, deze keer met Marcel. We hebben een boekje met routes in en rond Amsterdam, maar dan juist buiten de binnenstad. Zo leer je de eventueel nog niet ontdekte stukjes van de stad kennen. Bijkomend voordeel is dat je geen toeristengroepen met vlaggetjes tegenkomt. We gingen heel vroeg weg, net na zonsopkomst, nog voor negenen. Zes graden onder nul, maar wel een prachtige lucht. Eerst door de keurige nieuwbouw van het Oostelijk Havengebied en daarna via het Flevopark ‘op en onder’ de brug over het Amsterdam-Rijnkanaal. Daar blijkt dat ‘op’ en ‘onder’ de brug twee heel verschillende werelden zijn. Op de brug, zoals bij alle bruggen, het verkeer, niks bijzonders dus. Maar onder die brug is er een andere wereld, waar ook andere regels gelden. Dit is het domein van skateboarders, graffiti spuiters en Joost mag weten van wat nog meer allemaal.
Verderop, aan de Zuider IJdijk wordt het nóg anarchistischer en kom je in een nog onontgonnen havengebied, een soort niemandsland met allerlei vage kleine bedrijfjes, vaak krakkemikkige bouwsels met golfplaten daken of andere provisorische voorzieningen. Duidelijk een rafelrand van de stad, die zich lijkt te onttrekken aan de bovenwereld, nota bene nog binnen de ring. Maar het schijnt dat ook dit gebied zal worden ontgonnen als een bouwlocatie. Hier komt de toekomstige Sluisbuurt, met hoogbouw tot 125 meter. De toekomstige naam van die buurt is – lijkt me zo – ontleend aan de Oranjesluizen die daar niet ver vandaan liggen en die we ook oversteken. Verderop komen we dan weer terug in de bovenwereld, in Schellingwoude en Durgerdam. Kleine dorpjes met mooi gerestaureerde kleine huisjes, die horen bij de gemeente Amsterdam, maar (nog) niet ten prooi zijn gevallen aan de bouwwoede en zo toch hun oude karakter hebben behouden.
En dan, na Durgerdam, kom je ineens in Waterland. Hier lijkt de Randstad op te houden en sta je plotseling in een wijds landschap, vrijwel zonder bomen, met alleen water en gras. Platter kan het land niet zijn. De tocht eindigt in Ransdorp, in diepe zondagsrust. Het ons aanbevolen café de Zwaan was helaas dicht en bussen rijden er ook niet op zondag, zodat we toch nog twee kilometer extra moesten lopen naar de rand van Amsterdam waar we een stadsbus konden oppikken. Maar wel mooi gewandeld, en inderdaad niet ontdekte stukjes gezien, zelfs nadat ik al bijna 25 jaar in Amsterdam heb gewoond. En ook geen toeristengroepen gezien. Wel foto’s gemaakt natuurlijk, kijk maar op:
Na wekenlang grijze luchten, werd het vrijdag ineens mooi weer. En dus de gelegenheid om twee boodschappen aan de andere kant van de stad, die al een tijd op mijn actielijstje stonden, nu maar eens te doen. En bovendien te voet te gaan en er met de camera een paar uur voor uit te trekken. De voettocht begon op het Oosterdokseiland (ODE), dat elke dag van aanzien verandert. Momenteel is er op het laatste stukje braakliggend terrein het hoofdkantoor van Booking.com in aanbouw. De drie rode bouwkranen ervan zijn al bijna een jaar zichtbaar vanuit ons huis. Het bedrijf is opgericht in 1996 op een zolderkamer in Twente en is nu een miljardenbedrijf geworden. Met locaties in verschillende panden in de stad vonden ze het nu wel eens tijd worden voor een knots van een hoofdkantoor, dat in 2021 klaar moet zijn. Mooie gelegenheid om de tussenstand maar eens vast te leggen. In 2021 is dan is ook het ODE helemaal af, en bijna 20 jaar hebben ze er dan aan gebouwd.
Aan het andere eind van het ODE staat het Doubletree-by-Hilton hotel. Ik was er nog nooit binnen geweest, maar je kunt er vanaf de ‘SkyLounge’ op de bovenste verdieping met weer eens een heel andere blik over de stad kijken. Nog iets verderop het Centraal Station, waarvan ik de gevel met de beelden en de klok heel fotogeniek vind. Als je dan over het Damrak kijkt zie je hoe het station continu massa’s toeristen uitbraakt, met bovendien het ratelende geluid van de evenzovele rolkoffertjes. Bij mij in de wijk valt het nog mee, maar hier zie je toch wel dat het toerisme een beetje uit de hand aan het lopen is. Het rondje eindigde in het Vondelpark en Oud-West. Oud-West heeft in de laatste jaren ook een metamorfose ondergaan, van vroeger een rommelige volkswijk naar dé uithangplek van hip Amsterdam nu. Aan Oud-West heb ik al eens eerder een fotoserie en blogje gewijd. De camera heeft déze ronde vastgelegd op:
‘Brabant kust Zeeland’. Dat zagen we ergens geschreven in Bergen op Zoom. Want als beide provincies elkaar érgens kunnen kussen, dan is het wel in Bergen op Zoom. Maar desondanks kan het contrast tussen beide provincies bijna niet groter zijn. Het stadje lag ooit aan zee, maar sinds de aanleg van de Oosterscheldedam en de weg tussen Tholen en Zuid-Beveland is het contact met de zee en zelfs met de Oosterschelde verloren gegaan. Geografisch zijn ze dus verder uit elkaar gegroeid dan ze eigenlijk al waren. Zeeland met zijn vlakke polderland tegenover het glooiende Bergen op Zoom. En vraag het aan de Bergenaren of ze zich Zeeuwen of Brabanders voelen, dan is er maar één antwoord: Brabanders. Het feit dat Bergen een reputatie heeft in het carnaval zegt al genoeg. Je hoeft het er eigenlijk ook niet te vragen, want je ziet het aan alles. Nergens waren er ooit per vierkante kilometer meer katholieke kerken dan daar, tegenover het overwegend protestantse Zeeland. En de Bergenaren laten het graag zien. Terwijl we ons rond het middaguur opmaakten voor een bescheiden broodje met een kop koffie, troffen we er een volle zaal met overwegend mede-pensionado’s met volle borden en al gezellig aan de wijn. De foto’s, inclusief enkele van de tussenstop in Rotterdam, staan op: