Naarden: we moesten er toevallig zijn voor een boodschap. Tegelijk maar eens de gelegenheid te baat genomen om eens een kijkje te nemen in Naarden-Vesting. Ik heb een vage herinnering dat ik er ooit eens met de fiets langs (of doorheen) gekomen ben, maar heb me eigenlijk nooit gerealiseerd dat binnen de helemaal gerestaureerde vestingmuren het oude stadje Naarden ligt. Keurig aangeharkt en straatjes waar je – bij wijze van spreken – van de vloer kunt eten. Het maakt deel uit van ‘het Gooi’, dus in de winkeltjes en de horecatentjes van de vesting wordt vanzelfsprekend de hoofdprijs gevraagd. Weliswaar keurig aangeharkt, maar op meerdere plaatsen troffen we fietswrakken aan die er al jarenlang prachtig liggen af te sterven. Blijkbaar is dat nooit opgemerkt door de gemeentereiniging, maar misschien hoort het wel heel bewust bij het ‘concept-Naarden’. Wel ligt de Grote Kerk er prachtig bij. Hier verzamelt iedereen die er in Nederland ook maar een beetje toe doet zich op Goede Vrijdag om naar de Matheus Passion te luisteren, maar ook wel om ‘zien en gezien te worden’. Het was een niet-gepland, maar wel verrassend mooi bezoekje. Gelukkig had ik de camera bij me, dus is er toch nog een foto-serietje gekomen dat staat op:
Maandag is voor de eerste keer dit jaar het stalen ros beklommen. Met prachtig weer in het vooruitzicht plande ik een fietstochtje naar broer Louis, die ten oosten van Emmen woont. Meppel leek me wel een mooi startpunt. Met de trein er naartoe en de fiets zou me dan verder leiden door het zuidelijk deel van Drenthe, dat ik tot dusver alleen maar vanaf de autobaan kende. Alleen had ik even geen rekening gehouden met de straffe oostenwind. Ik zou recht naar het oosten fietsen, dus dat betekende de hele weg tegenwind. ‘We zien dus wel’, dacht ik maar. Vaak komt bij zo’n gedachte de oplossing vanzelf. Ik had te veel zin om na de winter weer eens een fietstochtje te maken en ging me dus niet verdiepen in beren op de weg. Meppel is voor mij nog zo’n onbekende plaats. Je komt er alleen maar met de trein doorheen, op weg naar het noorden.
Maar wel een hartelijk welkom met hier nog de rood-witte letters: ‘I ameppel’. In Amsterdam zijn de letters ‘I amsterdam’ van hogerhand verwijderd, omdat het in strijd zou zijn met een nog hogere filosofie, die zo hoog is dat niemand hem begrijpt. Maar hier mag nog gewoon wat in Amsterdam dus niet meer mag. Eenmaal buiten Meppel ben je meteen in een andere wereld. Wereldproblemen lijken hier niet te bestaan, het is er ruim en schoon, de mensen groeten je vriendelijk en de bloesems steken prachtig af tegen de blauwe lucht. Na Hoogeveen verandert het land in kaarsrechte wegen langs kaarsrechte vaarten met dus ook nog een wat straffere wind. Bij Coevorden was het wel mooi geweest en had ik genoeg tegen de wind in gebeukt. Ik belde broer Louis en was diep dankbaar dat hij me even verderop in Dalen stond op te wachten met auto en fietsendrager. Ik ben dan ook nog dieper dankbaar ingestapt. Toch nog als herinnering een klein foto-serietje gemaakt, dat staat op:
De woestijn rond Tucson wordt ook gebruikt als parkeerplaats voor vliegtuigen. Door de extreem droge lucht zijn vliegtuigen daar minder gevoelig voor roestvorming. Het meest bekend is nog wel het museum met een grote collectie vliegtuigen, het ‘Pinal Air & Space Museum’. Je kunt er gewoon tussen die kisten rondlopen. Zo staat er bijvoorbeeld de ‘Air Force One’, waarin Kennedy, Johnson en Nixon ooit rondvlogen. Ook staat er een Boeing 787 Dreamliner, die nog geen tien jaar rondvliegt, maar waarvan het testvliegtuig nu al in het museum staat. Plus nog een aantal extravagante en bizarre types, waar ik geen idee had van het bestaan ervan. Helemaal mooi vond ik het vliegtuigkerkhof buiten het museumterrein aan de overkant van de straat, niet toegankelijk voor het publiek. Maar door de hekken heen krijg je toch wel een indruk hoe vliegtuigen netjes naast elkaar staan te wachten op de sloop.
Minder bekend is het ‘Pinal Air Park’. We ontdekten het bij toeval onderweg. Dat is een langparkeerplaats van vliegtuigen die tijdelijk niet gebruikt worden, bijvoorbeeld omdat ze wachten op een koper. Of wachten op de sloop. Evenmin toegankelijk voor het publiek, maar toen ik bij een hek stond te fotograferen sprak ik iemand aan, die me verwees naar ene ‘Jim’, die verderop in een keet kantoor hield. De ‘Airport Manager’, een alleraardigste man, met wie het meteen klikte toen ik over mijn eigen luchtvaarthistorie vertelde. ‘Kom woensdag maar terug, dan leid ik jullie rond’.
Zo gezegd, zo woensdag gedaan. Heel leuk om weer eens over de luchtvaart te kletsen met een andere luchtvaart-enthousiasteling en die ook geïnteresseerd was in de gang van zaken in Europa. Verder een indrukwekkende rondleiding, mede omdat er nog kisten stonden van inmiddels failliete maatschappijen. Of inmiddels half gesloopte vliegtuigen. En ook hier liepen we gewoon onder die vliegtuigen door, waardoor ik me nog steeds verbaas, zelfs na bijna 30 jaar werken in deze sector, hoe zo’n ding ooit de lucht in kon gaan. Dit was dan het laatste blogje van onze USA-reis. Ik heb ze weer met veel plezier geschreven. Donderdagochtend vliegen we eerst naar Los Angeles en vandaar zet de KLM ons rechtstreeks vrijdagochtend op Schiphol af. De laatste foto’s (met een hoog vliegtuiggehalte deze keer) staan op:
De laatste ronde van onze reis gaat naar het zuiden met Tucson als verblijfplaats. Tucson is vooral bekend om de woestijn met zijn cactussen en als decor voor ‘wild west’ films. Maar we wilden eerst op dinsdag de ‘Karchner Caverns’ bezoeken, een soort druipsteengrotten à la ‘grotten van Han’. Maar aldaar bleken alle tours door de grotten al volgeboekt. Voor niks gekomen dus, maar achteraf waren we daar niet zo héél erg rouwig om. We zijn enkele jaren geleden al eens eerder teleurgesteld geraakt in een grottentour, waarbij we achteraf vaststelden dat de grotten van Han toch wel eenzaam aan de top stonden. Toch maar even vanavond op internet kijken of dat met deze ook het geval zou kunnen zijn. Inderdaad: Han nog steeds aan de top. Bovendien 64 dollar bespaard, wat toch wel een aardig prijsje is voor een tour van anderhalf uur, waarbij je – nota bene – nog niet eens je camera mocht meenemen, zelfs niet als je niet gaat flitsen.
Toen doorgereden naar Nogales, in het uiterste zuiden van Arizona. En mooie rit door de woestijn, waarvan we allebei concludeerden dat het er erg mooi was, maar dat je hier beslist niet wilt wonen. Ook niet in Nogales zelf, aan de grens met Mexico. De ‘muur van Trump’ is er (nog) niet, maar er is wel letterlijk een ‘ijzeren gordijn’, dat er zo te zien al vele jaren staat. Er hangt een grimmige sfeer, vond ik. We hadden vooraf al besloten de grens niet over te steken, omdat we geen zin hadden in het gedonder dat ons op de heenreis was overkomen. Maar na enige navraag bleek het hier toch eenvoudiger. We lopen door wat ijzeren hekken, die bij ons voor vee worden gebruikt, en we staan ineens in Mexico. Meteen een andere wereld, heel kleurrijk. En plotseling kreeg ik ontzettende zin om nog eens een reis door Mexico te maken. We hebben er een uur rondgelopen en toen door diezelfde veehekken terug.
Op de terugreis naar Tucson viel ons nog op dat – terwijl ze in heel Amerika mijlen als afstandseenheid hanteren – de I-19 van Nogales naar Tucson de enige autoweg is waar ze in kilometers rekenen. We hebben eigenlijk niet zo heel veel gezien van de stad Tucson zelf, behalve tijdens een korte wandeling door ‘down-town’ vlak voor zonsondergang. Wel een paar aardige straten met mooie ‘street art’, maar verder is het een grote stad met het typische Amerikaanse rechthoekige stratenpatroon zonder een echt hart. Dat het een tweetalige stad is, met een duidelijk Mexicaans karakter, geeft misschien nog wel enige ‘ziel’ aan de stad. Er komen ook niet veel toeristen. Dat werd ons ook duidelijk, toen herhaaldelijk aan ons werd gevraagd waar we vandaan kwamen en wat we in hemelsnaam in Tucson te zoeken hadden. De foto’s van het laatste rondje door Zuid-Arizona, inclusief mini-bezoekje aan Mexico, staan op:
Het rondje van 12 dagen door Arizona en New Mexico zit erop. Vanaf Santa Fe kon je in principe in één dag naar Phoenix, als je tenminste stevig zou doorrijden. Maar wij deden het relaxt in drie dagen met dus twee overnachtingen. In het algemeen sliepen we in van die keten-hotels (vaak in Best Western). Schoon en efficiënt. Het was duidelijk laagseizoen, dus er was altijd plaats en we konden er goedkoop terecht. Maar die hotels hebben nog een lange weg te gaan als het gaat om plastic afval. Overal, zonder uitzondering, aten we bij het ontbijt met plastic bestek op plastic borden. Het mes breekt meteen als je ijskoude boter op je brood wilt smeren, dus dan pak je maar weer een tweede mes en mikt het eerste mesje gewoon bij de rest van het afval. Boter, mayonaise, ketchup, yoghurtjes: alles in plastic miniverpakkinkjes. Je drinkt ook koffie uit plastic bekers bekleed met karton. Over de koffie zelf had ik al eerder wat gezegd, dus dat laat ik hier maar achterwege. En aan het eind van het ontbijt ligt er dan een hoop plastic afval op je tafeltje, dat je dan in een grote ton gooit. Net zoals al die andere gasten in het hotel en net zoals al die miljoenen andere gasten elke dag in alle andere Amerikaanse hotels. In vliegtuigen trouwens hetzelfde: op kleine tafeltjes mag je alles uit piepkleine plastic verpakkinkjes peuteren. Waar al dat afval blijft..? Joost mag het weten, maar ik ben bang dat Boyan Slat een deel daarvan mag opruimen.
Terug naar de voordelen van het laagseizoen. Behalve dat we makkelijk hotels konden vinden heeft het laagseizoen ook het voordeel dat we nooit ergens in de rij hoefden te staan, en dat is in het hoogseizoen wel anders, zo is ons verzekerd. Het voordeel heeft ook wel weer een nadeel: het weer. Een groot deel van de 12 dagen bevonden we ons op een hoogte tussen 1700 en 2500 meter en dan kan het in maart nog flink koud zijn. Ook in deze regio, die in de zomer de heetste en zonnigste is van heel de VS. Dus in Santa Fe mochten we voor vertrek eerst nog even tien centimeter sneeuw van de auto vegen. Maar de sneeuw verdween snel toen we richting Albuquerque reden dat alweer wat lager ligt, maar onderweg kregen we er toch nog wel af en toe mee te maken. Voor het rijden was het niet hinderlijk. En ook de enige neerslag in die 12 dagen hebben we alleen maar twee dagen in Santa Fe gehad. En zelfs daar zijn we nog goed mee weggekomen door het programma wat aan te passen. Kortom, het zuidwesten van de VS in maart: doen..! De eerste overnachting was in Gallup, in het uiterste westen van New Mexico. Schot in de roos door de prachtige Route-66 relikwieën. Vooral bij avond vond ik ze erg mooi worden, dus heb ik er nog maar eens een apart blogje aan gewijd. Verder was Gallup de moeite waard door de vele muurschilderingen, vaak Navajo-motieven.
Vermeldenswaard zijn ook de lange goederentreinen die door dit gebied rijden. Amerikaanse passagiers krijg je echt niet uit de auto, maar goederen des te meer. Zonder overdrijving rijden er een aantal keren per uur kilometers lange treinen, met containers vaak dubbeldeks, door het landschap. Ook ’s nachts helaas, zoals we hebben kunnen merken. Het bezoek aan de pueblo’s is deze reis alleen een beetje in het water gevallen. De tour rond Taos werd ons afgeraden wegens de vele sneeuw en ook nu hadden we onderweg een pueblo willen bezoeken die in het winterseizoen dicht was voor toeristenbezoek. De enige pueblo die we hebben kunnen zien was Zuni, vlak voor Gallup, maar dat was niet meer dat een verzameling houten bouwsels, met autowrakken en modderpoelen voor de deur. We steken de grens tussen New Mexico en Arizona weer over en daar was het zg. ‘Petrified Forest National Park’. Bomen die miljoenen jaren geleden in een moeras verdwenen, maar mede door geleidelijke toevoeging van silicium en kwarts, dat daar in de natuur aanwezig is, zijn de boomstammen naar boven gekomen, uiteindelijk versteend en hebben door dat silicium en kwarts een mooie glans gekregen.
De ‘Interstate 40’ en de vroegere Route-66 lopen dwars door het park evenals de goederenspoorlijn met af en toe passerende treinen. Het enige wat je nog van Route-66 ziet is een monumentje in de vorm van een oude Studebaker uit 1932, als herinnering aan die iconische route. De tweede overnachting van deze drie dagen was in Holbrook: een koud en winderig oord op de hoogvlakte. We vertrokken daar terwijl het ijs nog op de auto zat, maar een paar uur later reden we Phoenix binnen, waar de thermometer 26 graden aangaf. Geen wonder, want de hele weg ging het bergafwaarts. Heerlijk om de komende dagen weer in zomerwarmte door te brengen. Het is in Phoenix nu bloemenseizoen. Die zie je overal, en dat seizoen begint er eind februari en één maand later is alles verdord. Dus we zijn net op tijd. We blijven hier twee dagen relaxt doen en maandag gaan we nog een rondje rijden van drie dagen door Zuid-Arizona. Wordt dus vervolgd…! De foto’s van de laatste dagen staan op:
Gallup (in het westen van New Mexico) ligt aan de veelbezongen Route 66 die loopt van Chicago naar Los Angeles. We waren vorige week ook al eens aan die route, in Williams (Arizona). Maar het ‘Route-66 meubilair’ dat hier in Gallup langs de weg staat is wel het allermooiste wat ik ooit ervan heb gezien. De route is aangelegd tussen 1945 en 1965. Grote delen zijn weer in onbruik geraakt of zelfs helemaal verdwenen vanaf de 70’er jaren, toen de ‘Interstates’ zijn aangelegd, de autobanen die er parallel aan lopen. Behalve de liefhebbers gebruiken weinig mensen meer de oude historische route, die dwars door stadjes loopt met de nodige stoplichten. Diezelfde ochtend hadden we bij een benzinestation nog een kaart gekocht van Route 66, met daarop aangegeven welke delen er nog over zijn en waar precies die historische route nog loopt.
Ik kreeg alleen al van die kaart ontzettende zin om die route nog eens te rijden en dan in de auto natuurlijk die muziek uit de 50’er en 60’er jaren af te spelen. Ik kreeg nóg meer zin toen ik in Gallup dat straatmeubilair zag dat er langs de weg staat. Je moet er overigens wel van houden. Velen vinden het afgrijselijk, die hoge torens met reclame voor fastfood, smoezelige motels en benzinepompen. Anderen, waaronder ik, zien er een iconische waarde in en inmiddels wordt het ook officieel als erfgoed beschouwd. Tegen de avond werd het allemaal nog fraaier en we hebben de hele strip nog eens langs gereden om er foto’s te maken. Met het mobieltje deze keer, want dat doet het beter als je neonlicht wilt fotograferen. De fotografische kwaliteit is niet geweldig, maar de sfeer des te beter. Mocht je tot diegenen horen die dit allemaal ook afgrijselijk vinden, sla de fotoserie dan maar over. Maar voor de liefhebbers van het genre: kijk dan vooral op:
Nergens in de VS wordt meer Spaans gesproken dan in New Mexico. Alles ademt hier Mexicaans en de Spaanse taal is dan ook overal. Geen wonder, want New Mexico hoorde ooit bij Mexico. We hebben hier twee dagen doorgebracht en ondanks de slechte weersverwachting viel het in de eerste ochtend nog mee. We hebben zelfs de stad Santa Fe bij droog weer kunnen bekijken. Na het toch wel wat armoedige platteland is dit weer iets heel anders. Mede door zijn ‘adobe architectuur’ en de ligging is het een prachtige stad en er zijn – ondanks het laagseizoen en het koude weer – dus veel toeristen, winkels in het zg. hogere segment, hippe koffietentjes en veel restaurantjes. Later op de dag een bezoek gebracht aan Los Alamos, waar de atoombom is ontwikkeld. Het ‘Bradbury Museum’ gaf een interessant overzicht van de historie, over de ontwikkeling, de eerste test op 16 juli 1945 en de daadwerkelijke inzet slechts drie weken later in Hiroshima op 6 augustus. Die ontwikkeling was in grote haast gedaan en men was eigenlijk heel verrast dat die eerste test nog lukte ook. En toen is er ook meteen maar doorgepakt door de bom op Hiroshima te laten vallen.
Die eerste test was overigens niet in Los Alamos, maar 500 kilometer zuidelijker midden in de nauwelijks bevolkte woestijn. Wel hebben ze in Los Alamos, omdat het nog donker was, de bom kunnen zién ontploffen. Later bleek dat in de hele VS de fall-out nog merkbaar is geweest, met aanzienlijke medische gevolgen, zo bleek later. Het bezoek aan Los Alamos was achteraf bezien gelukkig gepland, want vanaf het middaguur viel de regen met bakken uit de hemel. En dat in een streek waar de zon overuren maakt. Het weer was zó slecht dat we in de avond de afstand tot het restaurant van amper 500 meter met de auto hebben afgelegd, iets wat je in Amsterdam niet in je hoofd zou halen. Dinsdag was ook de dag van de Brexit-stemming in het Lagerhuis. Via nu.nl lezen we het resultaat van de stemming, maar ik probeer CNN om er wat meer over te horen. Geen woord erover, het gaat een uur lang alléén maar over Trump en of hij al dan niet gelogen zou hebben. Ik vraag me dan vervolgens af welk wereldbeeld de Amerikanen eigenlijk voorgeschoteld krijgen.
De volgende ochtend worden we wakker met een laag sneeuw. We waren eigenlijk van plan om in de bergen een autoroute langs de ‘pueblos’ te rijden, maar dat wordt ons afgeraden wegens de vele sneeuw die daar is gevallen (en nog steeds valt). Dan maar naar Albuquerque, de grootste stad van New Mexico en een uur rijden van Santa Fe. Albuquerque is eigenlijk tweede keus en staat niet bepaald bekend om zijn toeristische aantrekkelijkheid. Maar de stad is wel een stuk lager gelegen, dus vermoedelijk geen sneeuw en hopelijk ook wat warmer. We nemen de ‘Turqoise Trail’, de zg. route 14, langs verlaten mijndorpjes en nu weer in bezit genomen door kunstenaars, die de dorpjes een tikkeltje anarchistisch, maar vooral een gezellig rommelig karakter hebben gegeven. In Albuquerque was het inderdaad minder koud, het werd zelfs zonnig en de stad was dan ook alleszins het uitstapje waard.
We komen er terecht bij een restauratieproject van een enorme stoomlocomotief, die ooit een dienst onderhield tussen Kansas City en Los Angeles. We krijgen uitleg over warm water, olie, stoom en allerlei hendels en pompen, maar – mede door de uitleg in een zwaar zuidelijk Amerikaans accent – gaat het mij al snel boven de pet en ik probeer de discussie de economische richting in te duwen met vragen over brandstofverbruik en dergelijke. Het is de bedoeling dat de trein vanaf begin 2020 weer gaat rijden op een traject binnen New Mexico. Niet zozeer om passagiers te vervoeren, want Amerikanen krijg je nou eenmaal niet zo snel uit de auto, maar voor toeristen. Verder kuieren we wat door de ‘Old Town’, prachtige ‘adobe huizen’, maar – zoals je meer ziet in dat soort wijken – een overdaad aan souvenirwinkels en galeries. En vervolgens hebben we afscheid van Albuquerque genomen door er lekker (Mexicaans natuurlijk) te eten. Eerst terug naar Santa Fe en donderdagochtend rijden we dan door naar het (hopelijk) warmere zuiden. Maar niet nadat we eerst nog eens tien centimeter sneeuw van de auto hebben geveegd, die die nacht opnieuw is gevallen. De fotoserie van New Mexico staat op:
Zondag en maandag zijn twee echte ‘door-rij dagen’, met in totaal 900 kilometer af te leggen. Zondag is het eindpunt Chinle in Oost-Arizona met de nabij gelegen ‘Canyon de Chelly’. We wilden dus vroeg weg, ook al omdat we die dag de canyon nog wilden bekijken. Zondagochtend bleek alleen dat hier ineens de zomertijd was ingegaan, dus het eerste uur waren we al kwijt. Maar we konden lekker doorrijden. Nagenoeg geen verkeer, heel dunbevolkt en ook een tamelijk eentonig hoogvlakte-landschap. We proberen een koffiestop in Kayenta, de eerste plaats van betekenis na twee uur rijden. Verder niets, of het moesten af en toe kleine huisjes of caravans zijn in de woestijn, waar je terecht komt als het leven je niet heeft meegezeten. Het einddoel is Chinle. Op de kaart lijkt het een toch wel belangrijk regionaal centrum, maar het is een treurig oord en het lijkt er eerder op de derde wereld. De mensen die hier wonen hebben het duidelijk niet gemaakt in de ‘rat race’ in het land van ‘de onbegrensde mogelijkheden’. En als je dan hier woont heb je ook weinig kans meer om ooit nog uit deze positie te komen. Het enige wat je hier kunt doen is overleven en de mensen maken dan ook niet de indruk dat ze nog veel zin hebben om er nog wat van te maken. Als Trump America great again wil maken, moest hij hier maar eens beginnen, lijkt me zo.
De Canyon de Chelly was prachtig, daarentegen. We waren gewaarschuwd dat, als je de Grand Canyon eenmaal hebt gezien, deze zou tegenvallen. Maar dat tegenvallen viel erg mee. We maken bij een van de viewpoints een wandeling helemaal naar beneden. Dat kon in de Grand Canyon niet, alleen als je daar enkele dagen voor uit zou trekken. Hier kon het dus wel en het gaf weer heel andere vergezichten. Maandag rijden we verder. Ook onderweg veel armoede. Kleine houten bouwsels of veredelde stacaravans met veel rommel voor de deur, zoals autowrakken en ander grofvuil. Maar wel weer overweldigende landschappen. We komen langs een geografische bijzonderheid: ‘Four Corners’, een ‘vierlandenpunt’, waar vier staten aan elkaar grenzen: Arizona, Utah, Colorado en New Mexico. Als je het een beetje handig aanpakt kun je daar met je voeten in vier staten tegelijk staan en die prestatie vastleggen met selfies. Dat doet daar iedereen, dus wij ook.
De tocht gaat verder naar Santa Fe in New Mexico. We proberen een lunch. Proberen, want goed eten en er bovendien lekker bij zitten is hier een probleem. Er is onderweg weinig keus, behalve dan die ketens, zoals McDonalds, Burger King, KFC en wat al niet meer. Totdat we een soort truckers-café zien, met redelijk veel keuze in de menu’s. Het is of je hier een film binnenstapt van een willekeurige Amerikaanse B-serie. Ik krijg koffie uit zo’n grote glazen kan. Eigenlijk warm water met een kleurtje. Koffie is eigenlijk ook een probleem hier. Behalve bij de Starbucks, waar je dan wel meteen 5 dollar neertelt voor een smakelijk kopje. Maar dat truckers-café had wel een heerlijke omelet. We rijden verder en het weer wordt slechter. Er ligt nog veel sneeuw langs de weg en de laatste 100 kilometer regent en sneeuwt het onafgebroken. We hebben wel een heerlijk hotel in Santa Fe, we blijven er twee dagen, maar de weersverwachting voor de komende twee dagen is slecht: regen en sneeuw. Maar we gaan er wel wat van maken. Wordt dus vervolgd. De foto’s staan op:
We rijden naar Page, in het uiterste noorden van Arizona, aan het Lake Powell op de grens met Utah. We rijden er vanaf de Grand Canyon heen, maar nemen nog even afscheid van de canyon door in het eerste stuk nog enkele viewpoints te bezoeken, waar we daags daarvoor niet aan toe waren gekomen. Iets voor de echte mannen, want het was ijskoud, rond het vriespunt, en het woei hard. Dus even de auto uit, snel een foto en weer de auto in. Ervan genieten doen we dan later wel. We rijden het park uit over de hoogvlakte naar het noorden. Door de wind komen we af en toe in zandstormen terecht, maar het levert ook wel weer bijzondere vergezichten op. We dalen geleidelijk en zo verandert ook het landschap. Eerst een hoogvlakte met kleinere canyons en later in de dalen ook steil oplopende tafelbergen, die aan ‘Monument Valley’ doen denken, die hier trouwens niet ver vandaan ligt.
Page ligt ook aan de Colorado River, er is een brug over de rivier en een stuwdam, waardoor het Lake Powell is ontstaan. Je hebt er een aantal prachtige viewpoints. Een daarvan is ‘Horseshoe Bend’, een scherp meanderende bocht van de diep lager gelegen Colorado River. Maar de hoofdattractie van Page is toch wel de ‘Antelope Canyon’, die alleen onder begeleiding kan worden bezocht en waarvoor dan ook de hoofdprijs moet worden neergelegd. Vooral als je op ‘prime time’ wilt, midden op de dag. En dat willen we, want het zonlicht valt dan prachtig op de rode wanden, die door de erosie van duizenden eeuwen een heel bijzondere vorm hebben gekregen. De excursie naar ‘Antelope Canyon’ wordt georganiseerd door de ‘Navajo-indianen’, die vooral in deze regio wonen. Voorafgaand aan de excursie wordt nog een regendans uitgevoerd, maar de danser had vooraf al aangeven weinig hoop te hebben dat zijn dans vandaag zou worden verhoord. Page is dus in trek bij toeristen, maar een gezellig centrum is er niet: brede straten, hotels, benzinepompen, fastfood tenten, parkeerterreinen en een shopping mall. Maar in die shopping mall vinden we toch een klein Japans restaurant, waar we twee keer heerlijk hebben gegeten. Want zo gaat het vaker: als je ergens goed kunt eten kom je er de volgende dag terug, desnoods meerdere dagen. Antelope Canyon was een fotografische uitdaging evenals de rest van Page trouwens. Het resultaat ervan staat op:
Donderdag is de Grand Canyon bezocht. Ondanks het weer, want het was ijskoud met buien en een sterke wind. Onderweg wilden we een groepje elanden bekijken die daar langs en over de weg liepen. We hadden blijkbaar iets fout gedaan bij het parkeren langs de weg en we werden aangehouden door een ‘Park Ranger’. Hij bleef even op een afstandje staan van onze auto, dus ik stapte uit de auto om het gesprek te openen. Hij schrok daar blijkbaar zó van, dat hij hard tegen me te begon te schreeuwen dat ik terug in de auto moest. Hij kwam dichterbij, zei wat we volgens hem al twee keer fout hadden gedaan en hij moest paspoorten en rijbewijzen zien. “Aha…from Europe”. Toen kalmeerde hij en zei dat het bij ons misschien heel gewoon was om uit de auto te stappen, maar hier beslist niet. Hij bekende dat hij het heel bedreigend had gevonden dat ik uitstapte. Hij werd ineens een stuk vriendelijker, zei dat hij eigenlijk het recht had om een bekeuring uit te delen, maar liet het vervolgens bij enkele adviezen hoe de auto langs de weg te parkeren en wenste ons nog een fijne dag. Het incident heeft me wel nog de hele dag beziggehouden.
Maar de dag is ook besteed aan een wandeling langs de ‘south rim’ van de canyon. Ondanks de hagelbui in het begin, knapte het weer in de loop van de dag op. Over de canyon zelf zijn al boeken vol geschreven, dus daar valt nog weinig nieuws aan toe te voegen. De canyon heeft er tienduizend eeuwen over gedaan om de diepte te bereiken die hij nu heeft en het proces gaat nog steeds door. Volgend jaar is hij dus één millimeter dieper. We nemen afscheid van Richard, die donderdagavond met de bus teruggaat naar Phoenix. Wij reizen door naar het noordoosten. Het afscheidsdiner is een snelle hap en bestaat uit pizza in de food court van de canyon. Het valt op dat bejaarde mannen, van zeker ouder dan 70, hier de tafeltjes afruimen en schoonmaken. De verdiensten zijn minimaal, maar zijn voor hen pure noodzaak als aanvulling op hun pensioenvoorziening, áls ze die al hebben. Ze overnachten in houten cabines aan de overkant van het parkeerterrein en dat maandenlang. Een sociaal leven hebben ze veelal niet en als ze ontslagen worden verkassen ze gewoon naar een andere werkgever met soortgelijke secundaire arbeidsvoorwaarden. En zo proberen in Amerika miljoenen bejaarden op deze manier te overleven. De foto’s van de canyon staan op: