Vrijdag nog maar een eens keer naar het NDSM-terrein geweest. Aan het eind van de zonnige middag, zodat voor de fotografie het licht op zijn mooist is. Het was alweer even geleden dat ik er was geweest. En er was weer veel veranderd, zodat het toch wel nodig is om er regelmatig heen te gaan, wil je het een beetje bijhouden. Alleen al de bootreis erheen is de moeite waard. De noordoever links van het EYE is inmiddels in een goudkust veranderd en overal staan bouwkranen die nog meer woontorens uit de grond gaan stampen.
Aan de linkerkant van het punt waar de pont afmeert wordt ook veel gebouwd, maar er liggen ook fraaie schepen, die er – zo te zien – ook nog wel even wel blijven liggen. Iconische schepen zelfs, zoals het vroegere piratenschip van Veronica, dat in de vroege 70’er jaren vanaf de Noordzee illegale radioprogramma’s uitzond. Even verderop de Rainbow Warrior van Greenpeace. Niet dé Rainbow Warrior, want die is in 1985 tot zinken gebracht bij Nieuw-Zeeland. Deze is in 2011 in Frankrijk opnieuw gebouwd en ligt nu hier. En ook ligt er het Botel, nog niet zo heel iconisch, maar wel markant. De kamers zijn zo te zien redelijk geprijsd, maar je kunt ook overnachten in die vijf rode letters bovenop de boot, tegen een niet onaanzienlijke meerprijs. Evenals in de hijskraan aan de rechterkant van de pont, waar ook wat slaapvertrekken zijn aangebracht.
Aan die rechterkant van de pont hangt nog de alternatieve en anarchistische sfeer van weleer met de scheepsbouw als industrieel erfgoed. Zoals bijvoorbeeld een oude onderzeeër, die hier heel fraai ligt weg te roesten. Je kan je natuurlijk afvragen hoe lang die sfeer er nog blijft hangen, want het grote geld kijkt natuurlijk ook verlekkerd naar dit gebiedje op wat in het jargon een A-lokatie heet. Maar voorlopig kan je er nog lekker rondstruinen rond de vroegere scheepswerf en de oude en beschilderde zeecontainers. Een kadootje was aan het eind nog wel het grote cruiseschip dat langskwam en fraai afstak tegen de Pontsteiger aan de overkant, en dat de pontjes van het GVB tot bescheiden proporties terugbracht. De middag is afgesloten bij ‘Noorderlicht’, ook al zo’n rommelige maar kennelijk erg populaire uithangplek aan het water. De fotoserie die er is gekomen staat op:
Eén keer per jaar doen we met de fietsclub een tweedaagse. Het plan was om in die twee dagen van Arnhem naar Roermond te fietsen. Dat betekent dus eerst met de fiets in de trein naar Arnhem. De laatste jaren vind ik het vervoer van een fiets in de trein wel steeds moeilijker worden. Steeds meer mensen doen dat en de NS wil het eigenlijk ontmoedigen. Dat is omdat ze te weinig capaciteit hebben en dus al moeite genoeg hebben om de ‘gewone’ reizigers te vervoeren. Daardoor is het elke keer weer spannend of je de fiets kwijt kunt op dat kleine balkonnetje. Maar met een beetje passen en meten, plus een tikkeltje assertiviteit, lukt dat ook elke keer wel weer. De fietstocht liep veel langs en over rivieren, eerst vanaf Arnhem stroomopwaarts langs de Rijn, daarna de Waal en door een venijnige heuvelzone bij Groesbeek naar het dal van de Maas. De Rijn en vooral de Waal zijn voor het grote scheepvaartverkeer en de Maas meer voor de recreatieve boten.
Vanaf die heuvelzone werd het voor mij zo’n beetje ‘terra incognita’: Noord-Limburg, een streek waar ik nog nooit was geweest. Heel jammer, want zeker bij het prachtige weer lag deze streek er heel fraai bij. Stereotiep Limburgs met Limburgse vla onderweg en kruisbeelden langs de kant van de weg. En ondanks hun licht chauvinistische inslag heten de Limburgers je toch welkom. Van harte zelfs, want we worden in Afferden vorstelijk ontvangen in een keurig hotel met dito diner in de tuin. Fietsen zijn ook welkom want ze zijn helemaal ingericht op (vooral elektrische) fietsers. De volgende dag ging het weer richting de 30 graden en dat kwam erop neer dat er meer gelummeld is (koffie, thee en uitgebreid lunchen) dan gefietst. Zelfs zo erg dat we aan het eind van de middag ontdekten dat het beoogde einddoel Roermond toch nog wel een heel eind was. Gelukkig had Venlo ook een station en zijn we uiteindelijk daar maar op de trein gestapt. Twee heerlijke en vooral heel gezellig ontspannen dagen, en dus ook wat tijd gehad om er een fotografisch verslagje van te maken. Kijk maar op:
Ondanks dat ik nu al bijna 26 jaar in Amsterdam woon, zijn er nog steeds wijken waar ik nog nooit ben geweest. Amsterdam-Zuidoost bijvoorbeeld. Met de trein onderweg naar Brabant er vaak langsgekomen, maar er nog nooit uitgestapt. Het werd dus hoog tijd om er eens een kijkje te gaan nemen, en dat is maandag gebeurd. Vroeger heette het er ‘de Bijlmer’, maar die naam is zo besmet geraakt, dat het nu Zuidoost is gaan heten. Van de vroegere Bijlmer is trouwens ook weinig meer over, dus de naamswijziging was misschien ook wel terecht. De Bijlmer is opgezet in de 60’er jaren en was een internationaal toonbeeld hoe moderne woonwijken eruit zouden moeten zien. Het verkeer gescheiden van voetgangerszones, en veel groen tussen de markante hoekige galerijflats zodat de bewoners ‘elkaar konden ontmoeten’. Hoe dat is afgelopen weten we allemaal en twintig jaar later lag de wijk er verloederd bij en is dan ook een internationaal toonbeeld geworden hoe het niét zou moeten.
Aan het begin van de 90’er jaren, toen een vliegtuig er tot overmaat van ramp ook nog neerstortte, werd de vernieuwing ingezet. Rond het treinstation bij de Arena kwamen megabioscopen, muziekpaleizen en glanzende kantoren met een internationale uitstraling. Rond het station Bullewijk zijn veel van de verloederde galerijflats gesloopt en vervangen door kleurige laagbouw. Sommige galerijflats zijn er wel blijven staan, maar dan helemaal gerenoveerd en aan de zijkanten prachtig beschilderd. Maar verderop bij station Reigersbos en bij eindpunt Gein staat nog veel laagbouw uit de 80’er jaren, een periode die algemeen wordt beschouwd als het architecturale dieptepunt voor wat betreft de woningbouw.
Al met al is Zuidoost wel een stuk verbeterd, maar om nou te zeggen dat de wijk ‘een ziel’ heeft: (nog) niet echt..! Maar dat kan nog komen, want het centrum van Amsterdam heeft er ook vijfhonderd jaar over gedaan om een ziel te krijgen. Tegelijkertijd zie je er nu ook al de eerste tekenen van verval en verloedering. Want een mooie wijk bouwen is één, maar hem onderhouden is misschien nog wel een veel grotere uitdaging. Ik heb me dus voorgenomen om over 26 jaar nóg maar eens te gaan kijken. Hoe het er nu uitziet staat op:
Het is ons met de paplepel ingegoten, al op de lagere school bij de eerste les aardrijkskunde. Dat Nederland beschermd wordt tegen de zee door een hoge duinenrij. Behalve dan op een kleine strook bij Petten. Daar zijn geen duinen, maar is een dijk: de Hondsbossche Zeewering. Maar sinds afgelopen vrijdag weet ik dat die dijk er niet meer is. Althans de zeewering is begraven onder een dikke laag opgespoten zand waarop nu duinen met helmgras zijn verrezen, en aan de zeekant een brede strook nieuw strand. Hier en daar zie je nog de restanten ervan. Allemaal gedaan om die zeewering op deltahoogte te brengen en tegelijkertijd een ecologische verbinding tot stand te brengen in het duingebied. Het is overigens niet zeker of de nieuwe duinen en het strand op langere termijn stand zullen houden. Want honderden jaren geleden lag de kustlijn nog veel verder in zee en het is dus maar de vraag of de zee het nieuwgewonnen gebied over een jaar of dertig niet weer zal hebben ingepikt.
Maar anno 2019 ligt er een prachtig nieuw strand en duinenrij, met een nieuwe naam, de ‘Hondsbossche Duinen’. We hebben de gelegenheid te baat genomen om over dat nieuwe strand vanaf Camperduin heen en weer naar Petten te lopen. Het was een druilerige dag dus was er bijna niemand op het strand, behalve de vogels, druk in de weer met de visvangst, en de zeedieren die het nieuwe strand ook hebben ontdekt. Heel fraai vond ik ook het zicht vanaf de duintop op het weidse Noord-Hollandse land met weinig begroeiing. Zo plat als een dubbeltje, maar wel met de kenmerkende boerderijen en molens. Maar dat liet zich in dat sombere weer lastig fotograferen. Net zoals de dingen op het strand trouwens, die wat verder weg waren. Dus toch maar eens terugkomen bij beter weer. De indruk van vrijdag staat op:
En als je dan toch rond de Ventoux hebt rondgehangen en ook nog twee dagen over hebt, kan je net zo goed iets van de rest van de Provence opsnuiven. Want je kan nog zo gefocusd zijn op die Ventoux, de Provence zelf is niet over het hoofd te zien. Het is toevallig wel een van de mooiere streken van Frankrijk. Geen wonder, want het lijkt er erg op Toscane, voor wat betreft bebouwing, vegetatie en dus ook klimaat. De Provence is dus moeilijk over het hoofd te zien, maar ik zou degenen niet de kost willen geven die er een volle maand op vakantie gaan en de Ventóux over het hoofd zien. We brengen twee namiddagen en avonden door in Vaison la Romaine. Een tamelijk toeristisch stadje, maar het is heerlijk en gezellig eten op het centrale plein op een terras vlak aan het trottoir op die zwoele Provençaalse avonden. Zaterdag de Pont du Gard bezocht: een Romeins aquaduct, inmiddels 2000 jaar geleden gebouwd, maar wonderlijk goed geconserveerd. Ik was er in 1984 voor het laatst, maar toen was er geen enorme parkeerplaats, bezoekerscentrum en al helemaal geen entreegeld. Ook liep je er toen zo op, op meerdere verdiepingen zelfs. Nu alleen over de afgerasterde weg op de laagste verdieping.
Allemaal dus om het massatoerisme een beetje in goede banen te leiden. In de rivier wordt gezwommen en gevaren en het lijkt me bijzonder om als bewoner van de streek elke dag je vaste rondjes onder het aquaduct door te zwemmen. In Avignon was ik ook voor het laatst in 1984. Prachtige pauselijke stad, maar het was er deze keer zo heet dat we maar het toeristen-treintje door de stad hebben genomen dat ons een uurtje langs de belangrijkste bezienswaardigheden heeft geleid. De dagen zijn afgesloten met een etentje op een terrasje in Bedoin, met de familieleden die nog niet waren vertrokken. Gezamenlijk geconcludeerd dat het Ventoux-uitstapje toch wel weer een memorabele familiegebeurtenis was. En het opsnuiven van de Provence heeft toch wel het idee gebracht dat het de moeite is om hier nog maar eens een weekje te blijven. En dan de Ventoux heel misschien toch maar over het hoofd te zien. De Provençaalse foto’s van deze keer staan op:
Afgelopen woensdag, 31 juli, was mijn zeventigste verjaardag. Ik vond de gelegenheid belangrijk genoeg om de hele familie uit te nodigen om naar Zuid-Frankrijk af te reizen om daar gezamenlijk de Mont Ventoux te beklimmen. In principe met de fiets, maar met de auto mocht natuurlijk ook. Ik was dan ook zeer vereerd dat vrijwel iedereen de moeite heeft genomen om de uitnodiging te aanvaarden. De basis was Bedoin, een klein dorp aan de voet van de berg. Het dorp is een soort bedevaartsoord voor fietsers, waarvan ik het idee had dat minstens de helft ook nog uit Nederland kwam. De Mont Ventoux is een hoge puist in een eigenlijk niet zo heel bergachtig landschap. Je kunt de berg al vanaf tientallen kilometers zien liggen. Op donderdag is ‘de kale berg’ nog per auto als een toeristisch uitstapje verkend, maar de gezamenlijke beklimming was op vrijdag. Het liefst dus vóór het weekend, want ik had het idee dat het dan niet zo druk zou zijn. Verkeerd gedacht, want op een gemiddelde dag zijn er sowieso al honderden fietsers, meestal ook nog geëscorteerd door auto’s. Daarbij kwam ook nog dat het deze week zo’n beetje het allerhoogste hoogseizoen is.
We gingen wel vroeg weg, om de hitte van de dag voor te zijn en dat scheelde ook wel wat met de drukte. We waren met twaalf fietsers, maar omdat iedereen zijn eigen tempo erop na hield, fietsten de meesten al snel in hun eentje. Eerst nog wat vals plat, maar daarna scherp naar links en steil omhoog tien kilometer door een bos met alleen maar vliegen die blijkbaar het zweet op je hoofd wel lekker vinden. De laatste zeven kilometer boven de boomgrens in een soort maanlandschap. Vlak voor de top aan de rechterkant het monument van de Engelsman Tom Simpson, die in de Tour van 1967, als gevolg van doping van zijn fiets viel en er het leven heeft gelaten. Het monument heeft er mede toe bijgedragen, dat de berg zo tot de verbeelding spreekt, want ‘de berg’ en deze renner worden vaak in één adem genoemd. Foto’s zijn er ook gemaakt. Die van donderdag nog wel door mezelf, maar op vrijdag vooral door Marcel. Het resultaat ervan staat op:
Het stond al jaren op de lijst van (goede ?) voornemens, maar het was er nog nooit van gekomen. Andere dingen waren kennelijk elke keer belangrijker. Maar afgelopen zaterdag kwam het ervan: fietsen van Amsterdam naar Eindhoven. Mede als voorbereiding voor het komende fietsevenement. Het zou ongeveer 140 kilometer zijn. Ik had die afstand op één dag al dertig jaar niet meer afgelegd, dus het zou toch wel een uitdaging zijn. Maar voor Marcel helemáál. Behalve in de stad fietst hij nooit, en de rit naar Eindhoven zou voor hem ook nog op een gewone zware stadsfiets zonder al te veel versnellingen moeten. Maar het weer was goed. De ergste hitte was weg, er was weinig wind, maar wel kans op wat regen. Om zeven uur in de ochtend al weg, en het is uiteindelijk allemaal erg meegevallen. De route was strak gepland. Geen omwegen via allerlei bezienswaardigheden, maar zoveel mogelijk in rechte lijn. Langs het Amsterdam-Rijnkanaal, Utrecht, via de bruggen van Vianen, Zaltbommel en Hedel naar Den Bosch en strak langs de A2 naar Eindhoven. We zijn met de verwachte regen goed weggekomen en Marcel dieselde lekker door. Blijkbaar is zwemmen en fietsen toch niet zo’n héle slechte combinatie. Fietsen en fotograferen combineert minder goed, maar er is toch nog een serietje gekomen dat een indruk van de dag geeft:
Mensen zijn echte kuddedieren. Een betere illustratie ervan dan wat je ziet op een warme dag in Zandvoort is er niet te vinden. De hele Zandvoortse kuststrook beslaat ongeveer vijf kilometer, maar bijna iedereen zit bovenop elkaar op een smalle strook recht tegenover het station. Daar is op de boulevard al het amusement, voorzover je daarvan houdt trouwens. Reuzenrad, zandsculpturen, viskramen en frietkotten. Maar neem je de moeite om een stuk te lopen, dan heb je het strand voor jezelf alleen, zonder al dat vertier. Zelfs in deze uitzonderlijke hittegolf, met 40+ temperaturen in het binnenland. Een absoluut Nederlands record, want nog nooit werd het in Nederland 40 graden. Op het heetste uur veel onder een parasol in de schaduw en slenteren langs de branding, met elke vijf minuten afkoelen in zee en verder maar zien wat zich voordoet. Ook zonder amusement is dat nog heel wat. De beste strandtent zit ook in de buurt. Geen deftig en snobistisch gedoe, maar pretentieloos en een tikkeltje rommelig. Het is onze vaste plek na een dagje strand en er wacht altijd een ijskoude beugelfles Grolsch en daarna lekker eten met uitzicht op een lage zon die langzaam in de zee verdwijnt. De samenvatting van een heel heet weekje, met wat zich allemaal voordeed, staat op:
In de fotografie, althans in de mijne, vervaagt de grens tussen mooi en lelijk. Dingen die in het algemeen lelijk worden gevonden, kunnen juist heel fotogeniek zijn en worden daarmee voor mij erg mooi. Zoals vervallen industrieterreinen. Onderweg naar Ostia waren we al een paar keer langs zoiets gekomen, maar geen gelegenheid gehad om daar uit te stappen. Maar ik kreeg gaandeweg steeds meer het idee dat ik daar toch maar eens een kijkje moest gaan nemen. Want nergens ter wereld kunnen industrieterreinen zo elegant wegkwijnen als in Italië. Zaterdagmiddag, na mijn monumentale loopje en terwijl Marcel zijn laatste medailles bij elkaar zwom, had ik een paar uurtjes over om het eens te gaan bekijken. Voor de liefhebbers: bij het station Garbatella. Jammer genoeg was het terrein met een potdicht en ook nog ondoorzichtig hek helemaal afgesloten, maar vanaf een wat hogere brug kreeg ik toch een aardig beeld. En zo zie je hoe de natuur gebouwen, waar niet meer naar wordt omgekeken, geleidelijk toch weer overneemt. Maar dat zal hier vermoedelijk niet gebeuren omdat op de achtergrond de nieuwe appartementencomplexen alweer opdoemen.
Zondag was er een laatste gelegenheid om nog eens door de stad te slenteren. Door Trastevere bijvoorbeeld. De naam zegt het al: aan de overkant van de Tiber, aan de westelijke oever. De meeste toeristen blijven aan de oostkant want daar zijn de belangrijkste monumenten. En waar veel mensen zijn, daar komen nóg meer mensen, zo werkt het blijkbaar in het massatoerisme. De Trevi-fonteinen zijn wat dat betreft een illustratief voorbeeld. Het lijkt daar wel een voetbalstadion en in de straten eromheen kun je alleen maar schuifelen in de mensenmassa. Tegelijkertijd realiseer ik me dat je wel allerlei bezwaren kunt hebben tegen massatoerisme, maar zelf lopen we hier natuurlijk ook rond. In Trastevere niets van dat alles. We waren er woensdag ook al even, maar toen werden we verjaagd door een plotselinge plensbui. Trastevere beantwoordt aan het beeld dat ik heb van Italië zoals het ooit was. Authentiek met steegjes, pleintjes en trattoria’s, waar scooters en cinquecento’s rondrijden en je voor een habbekrats kunt eten. En nu slenteren we op de lome zondagmiddag er nog wat rond en sluiten de prachtige week af met een ongebruikelijk copieuze lunch. Maar dat mocht wel, vonden we. Foto’s zijn er natuurlijk ook gemaakt. Die staan op:
De Eurogames in Rome: het is een homovriendelijk sporttoernooi, maar in Rome wordt het toch een beetje weggestopt. In de stad blijkt niemand ervan te weten. Het zwemtoernooi, waar Marcel aan deelnam, is verbannen naar Ostia, de meest treurige plek van Italië, hoewel de accommodatie daar er nog wel gunstig bij afstak. Het loopevenement was weliswaar in het centrum van Rome, maar was zonder enig uiterlijk regenboog-vlagvertoon, dan wel andere uiterlijkheden waaruit zou moeten blijken dat het om een homovriendelijk evenement zou gaan. Dat was bepaald anders vorig jaar tijdens de Gay-games in Parijs, toen de hele stad vol regenboogvlaggen hing. En in Amsterdam praten ze nu nóg na over de geweldige Gay-games van 1998. Italië is dus nog niet echt uit de kast en dat bevestigt dat het wat dat betreft toch nog een conservatief land is.
Dat gezegd zijnde werd het een heel gezellig zwemtoernooi. Want de gezelligheid staat toch altijd voorop. Ook de verwachte chaos bleef uit en ondanks de rommelige (misschien wel typisch Italiaanse) organisatie kwam alles op zijn pootjes terecht. Nederland was met tientallen deelnemers goed vertegenwoordigd, met de clubs uit Den Haag, Utrecht, Groningen en Amsterdam. Italië had zegge en schrijve drie zwemmers afgevaardigd. Zaterdag was er het loopevenement van tien kilometer, waar ik aan deel mocht nemen: de Roma Rights Run. Al om 8 uur in de ochtend, zodat we de hitte voor bleven. En waar kan je zo’n loop beter beginnen en eindigen dan op het Circo Massimo, de moeder van alle renbanen. En het werd een monumentale loop, het was zelfs ‘kicken’ om langs de belangrijkste monumenten van de stad te lopen: Colosseum, Vittorio Emanuelle, Forum Romanum en dat Circo Massimo.
Ooit heb ik op school geleerd dat Rome op zeven heuvelen is gebouwd. Die wetenschap was wat weggezakt, maar zaterdag werd ik er weer eens pijnlijk aan herinnerd. Verder bestond het wegdek voor een deel uit kasseien, ook niet echt ideaal. Maar ondanks de heuvels, het wegdek en de warmte was ik tevreden, niet alleen over mijn tijd, maar nog wel het meest over het decor van de loop, die me dus nog lang zal heugen. Zoals gebruikelijk zijn alle foto’s door mijzelf gemaakt, behalve zes stuks tijdens de loop, die door de organisatie, met gevoel voor achtergrond, zijn verzorgd, waarvoor dank. Het geheel staat op: