Bezoek uit het buitenland: en wat is er dan beter dan een rondje IJsselmeer met de auto? Succes verzekerd..! Vooral als de buitenlandse bezoeker al vaker in Nederland was en onderhand de grachtengordel, de musea en de aangeboden tripjes naar Volendam wel heeft gezien. Terwijl Volendam zelfs in het laagseizoen wordt overlopen door Aziatische toeristen, was er op óns tochtje niets van dat alles. Het begon in Zaandam, niet echt aan het IJsselmeer nog, maar toch de moeite waard vanwege de Zaanse architectuur die zich rond het station heeft ontwikkeld. Je kan het kitsch noemen, maar het is hoe dan ook bezienswaardig en sowieso fotogeniek.
Verder naar het noorden, vanaf Edam niet over de hoofdweg, maar strak langs de kust van het IJsselmeer, door kleine dorpjes als Warder, Etersheim en Schardam. Hier lijkt de tijd stil te staan, maar het zou me toch niet verbazen als hier – mooi gecamoufleerd in de oorspronkelijke architectuur – heel wat tweede optrekjes van rustzoekende stedelingen staan. Beslist wél met de tijd mee gaan de windmolenparken, die je nu overal aan de horizon ziet. Sommigen vinden dat horizonvervuiling, maar hier tillen ze daar blijkbaar wat minder zwaar aan. En in de rest van Nederland inmiddels ook, lijkt me zo.
Dan naar de Afsluitdijk. Die vind ik eigenlijk altijd bezienswaardig. Alleen al het monument met uitkijktoren en het kleine uitspanninkje beneden, waar je door kleine ramen over het water uitkijkt en je het gevoel krijgt in een boot te zitten. En elke keer komt dan het gevoel bij me op dat ik had toen ik er rond 1965 voor de allereerste keer kwam. Niets anders gewend dan de zandgronden en dan ineens dit..! Die sensatie herhaalt zich elke keer weer als ik hier kom. Aan de overkant ligt Friesland en verder gaat het strak langs de kust naar beneden. In het algemeen in dit seizoen slaperige dorpjes, maar in de zomer wordt hier veel gezeild, vooral door Duitsers.
Maar Makkum is eigenlijk een categorie apart. Altijd al vanwege het aardewerk in het wat hogere marktsegment. Maar nu worden hier protserige jachten gebouwd in het helemaal onbereikbare marktsegment, voor de groten der aarde. Niet echt om in te varen natuurlijk, maar wel om te laten zien dat je wat te besteden hebt. En hoe anders kun je zo’n dag beter afsluiten dan vis te eten in Urk? Misschien wel geen vis uit het IJsselmeer, maar dan toch wel gevangen door Urker vissers verderop in de Noordzee. Rondje IJsselmeer met buitenlands bezoek: succes verzekerd….! Helemaal als je dan ook nog een terugkoppeling krijgt: “Thank you for such a great day today. I saw more of Holland in one day than in the many years of flying here”. De camera heeft de dag vastgelegd op:
Utrecht: de fotoclub stuurde me erheen met als opdracht om in anderhalf uur een fotoserie van de binnenstad te produceren. We zijn er onlangs ook nog eens geweest, maar toen kwamen we niet verder dan de omgeving van het station. Daar is ook een serie van gemaakt, dus dat vult elkaar dan mooi aan. Een van de markante bezienswaardigheden zou de Domtoren zijn geweest, maar die zal zich in de komende jaren niet laten zien wegens erg groot onderhoud. De toren is al 700 jaar bestand tegen wind, regen, vrieskou en zonnestralen en nu worden de natuurstenen, het voeg- en ijzerwerk gerepareerd. De laatste reparatie was bijna 50 jaar geleden, maar toen was er geen geld om het helemaal goed te doen.
De Oude Gracht wordt trouwens ook onder handen genomen. Net als in Amsterdam, worden ook hier ook de kademuren hersteld. En als je dan toch bezig bent kan je net zo goed het afval eruit halen dat er in de loop van de tijd is ingekieperd. De gracht blijkt ook hier heel geschikt om van je oude fietsen af te komen. Ik probeerde deze keer nu eens niet de echte binnenstad ‘onder handen’ te nemen. In Alkmaar viel het me op dat die mooie binnenstad helemaal is overgenomen door de bekende winkelketens, dus dat wilde ik eigenlijk vermijden. Maar in Utrecht valt dat wel mee en zijn er nog voldoende kleinschalige zaakjes met een eigen identiteit. De binnenstad doen we dan maar eens een volgende keer. Ik heb me deze keer gericht op het deel net ten noorden van de oude binnenstad (de Breedstraatbuurt en Wijk C, zoals die op Google Maps heten). De fotoserie staat op:
Na lang wikken en wegen is het er eindelijk van gekomen: een nieuwe camera met bijpassende zoomlens. Voor de liefhebbers: een Canon 90D gecombineerd met een Tamron 18-400 mm. De combinatie past ideaal bij mijn fotografiestijl en het grote lensbereik zorgt ervoor dat ik vrijwel niet meer van lens hoef te wisselen, zodat het ook een ideale reisgezel gaat worden. Voor mijn ‘oude’ camera, die vijf jaar trouw dienst heeft gedaan en ruim 45 duizend foto’s heeft gemaakt heb ik een goede bestemming gevonden: overgedragen aan de vader van Marcel die er erg blij mee is en die er hopelijk ook veel plezier aan gaat beleven.
De handleiding van de nieuwe camera was ruim 600 pagina’s, dus je kan er ontzettend veel mee, veel meer dus dan ik ooit zal gaan gebruiken. Die heb ik dan maar even gelaten voor wat hij is en kan hem altijd als naslagwerk gebruiken. In plaats van in dat boekwerk te duiken, ben ik eigenlijk meteen met de camera aan de slag gegaan om hem maar even uit te proberen. En waar kan dat beter dan in je eigen buurtje: de Plantagebuurt met Artis en de aangrenzende Nieuwmarktbuurt, sowieso een fotogenieke omgeving. Zondag bij een aarzelend zonnetje en maandag bij bewolkt weer. Het resultaat staat op:
De inburgering van mijn vroegere Delftse buren, die na dertig jaar hun Brusselse stekkie eindelijk hebben verruild voor Amsterdam, vordert gestaag. In december is als (hernieuwde) kennismaking een ‘Tour de Ville’ gemaakt en nu was Oud-Zuid en Oud-West aan de beurt. Eigenlijk was het ook voor mij een inburgering, want ik kwam deze keer op plaatsen waar ik zelden of nooit ben geweest. In de P.C. Hooftstraat bijvoorbeeld. Daar ontvouwt zich een wereld waar ik mij gelukkig verre van houd, want anders zou ik een stuk minder tevreden door het leven gaan. Fraai opgemaakte etalages, dat wel, maar over de prijzen van de getoonde artikelen blijft het gissen. Eigenlijk ook niet van belang voor de clientèle hier, die met tamelijk poenige auto’s komt voorrijden.
Dan door het Vondelpark naar de Hallen. Prachtig ontworpen, met een mooi bioscoopcomplex en ook aanverwante neringen. Een echte aanwinst voor Amsterdam, vind ik. Maar ik blijf me verbazen over die eetgelegenheden daar. Je kunt er voor een vermogen iets bestellen en dan maar hopen dat je, bij begeleidende en net iets te harde muziek, een plaatsje kunt vinden om het op te eten of drinken. Maar het mag natuurlijk wat kosten als je op zo’n hippe locatie gezien wilt worden.
De aangrenzende Jordaan, waar ik eigenlijk ook niet zo vaak kom, heeft in de laatste decennia een metamorfose ondergaan. Van oudsher een Mokumse volkswijk en nu bewoond en bezocht door import-volk, dat eet en drinkt in minstens zo hippe tentjes. Maar je vindt er ook nog wel cafés die er nog precies zo uitzien als vijftig jaar geleden. Aan het eind van de Jordaan ligt de Noordermarkt. Een van de leukere cafés daar, ook niet veranderd in de laatste vijftig jaar, is Hegeraad. In de zomer kan je er lekker buiten zitten. Nu niet natuurlijk, maar binnen heb je van die persjes op tafel die je eigenlijk zelden meer ziet. Helaas waren alle perstafeltjes bezet, maar de tosti’s smaakten er niet minder om. Gelukkig had ik contant geld bij me, want ‘aan die onzin van het pinnen deden ze daar niet’. Misschien wel om de ouderwetsheid van het café te cultiveren. Via de Haarlemmerstraat eindigde de inburgering deze keer. Het fotoverslag staat op:
Marken: nóg zo’n museum-filiaal van Amsterdam. Uitgestorven op deze winderige januaridag, maar des te meer toeristen in de zomer, vooral Chinezen. Zijn er in Amsterdam al veel toeristen in verhouding tot de hoeveelheid inwoners, op Marken is in de zomer de verhouding tussen inwoners en toeristen wel helemáál uit het lood geslagen. Het is dus eigenlijk een museum, waarin het beeld overeind wordt gehouden van een Nederland dat nog in traditionele klederdracht en op klompen loopt. Tot 1957 was het nog een eiland, maar sindsdien is het met een dijk verbonden met het vasteland. Met amper anderhalf duizend inwoners, maar een veelvoud aan toeristen, die met bussen uit Amsterdam worden aangevoerd op een ruim bemeten parkeerterrein.
Het dorp zelf, met veel huizen op palen, staat strak in de verf, met Zaans groen als hoofdkleur. Het heeft een gezellig knus haventje, met een mix van oude schepen en luxe zeiljachten. Ondanks de januari-stilte was alles in bedrijf. Maar de uitbater van een van de uitspanningen was toch wel blij dat hij zijn koffie met gebak kon slijten. Ook de boot-pendeldienst naar Volendam, dat aan de overkant goed te zien is, was vol in bedrijf en er kwam net een boot aan met twee passagiers aan boord. Aan de andere kant van het eiland ligt, ook op steenworp afstand, Almere. Een heel andere skyline en je zou dan haast gaan denken dat een pendeldienst naar Almere heel wat meer klandizie zou kunnen opleveren. Marken, gaat dat dus zien, bij voorkeur in januari. Voor de opgedane indruk, zie:
IJburg: de nieuwe woonwijk aan de oostkant van Amsterdam. Helemaal op opgespoten eilanden. Het plan was er al in 1965 en na veel bezwaren/discussies en een referendum werd in 1998 begonnen met de aanleg. Er wonen nu zo’n 25.000 mensen en in de toekomst gaan er 45.000 wonen. Ik heb me ooit op een onbezonnen moment ingeschreven om er te gaan wonen. Lekker aan het water met een bootje. Dacht ik toen. Het was maar goed dat de wachttijd zo’n tien jaar was, lang genoeg om tot bezinning te komen en mijn vertrouwde plekje, in hartje stad en toch rustig, trouw te blijven. Toch is het een erg fraaie wijk geworden met gevarieerde bouw en voor elk wat wils. De welstandscommissie heeft zo te zien even de andere kant op gekeken en op veel plekken konden bewoners met veel creativiteit hun eigen stijl, kleur en materiaalkeuze maken. Of sommige woningen ooit nog te verkopen zijn zal dan moeten blijken.
IJburg heeft ook een goudkust. Daar villa’s aan de zonnige zuidwestkant met uitbundig veel ruimte, auto’s in het hogere segment voor de deur en allemaal met eigen ontwerp en ook (bijna) allemaal met een aanlegsteiger en een boot(je). Tussen al dat fraais zie je ook hier en daar lelijke dingen. De nieuwste trend in de architectuur is het werken met van die roestplaten. Je ziet ze ook elders in de stad opduiken. Van veraf ziet het er nog niet eens zo onaardig uit, maar als je dichtbij goed kijkt is het aartslelijk, vooral op zo’n sombere dag als zaterdag. Uiteindelijk hebben we maar de helft van de wijk gezien. Helemaal verkleumd moest met warme chocolade worden opgewarmd en toen was het bij de vroeg invallende duisternis wel bekeken. De rest van de wijk moet dan maar een andere keer. Deel één staat op:
De wereld laat zich het beste fotograferen bij helder weer. Dat is tenminste een soort van universeel idee dat zich heeft genesteld onder fotografen en onder menigeen die de wereld wil bekijken. En ‘dus’ ook bij mijzelf. Niet helemaal onlogisch, omdat je dan niet alleen de dingen het beste kunt zien, maar ook de mééste dingen kunt zien. Maar bij minder helder weer is het dan vaak zo dat de camera (en ikzelf trouwens ook) thuisblijft. Tot vandaag, een mistige dag en ook de eerste dag van weer een nieuw jaar.
Een mooie aanleiding om eens over mijn eigen grenzen heen te stappen en te proberen het Oosterdok in beeld te brengen op – wat betreft het zicht – een wat mindere dag. Rond het Oosterdok zijn er vele dankbare objecten, op nota bene een steenworp afstand van huis. Het NEMO, het Scheepvaartmuseum met de replica van het VOC-schip, de bouwput van Booking.com, de nieuwe gevelrij op het Oosterdokseiland en het Chinese bootrestaurant. Plus nog wat fraaie achtergronden, zoals de Nicolaaskerk, de Montelbaanstoren en de klassieke bouwsels op de Prins Hendrikkade. En niet te vergeten de boten in allerlei soorten en maten.
Mist geeft de wereld niet alleen een heel andere en eigen sfeer, maar je kunt ook extra diepte in je foto’s aanbrengen, omdat dingen die veraf zijn extra vaag worden. Wel is het zo dat de foto’s dan kleur verliezen en eigenlijk bijna zwart-wit worden, maar dat is nou eenmaal zoals de wereld er dan ook uitziet. Hoe dan ook, na het rondje Oosterdok is het volgende fotoserietje tot stand gekomen:
Dat Amsterdam druk is, dat weten we zo langzamerhand wel. Maar zodra je zo’n vijf kilometer van het centrum de Ring-Noord bent overgestoken, houdt de Randstad op en begint het Noord-Hollandse polderland. Wel is er eerst nog Volendam, dat je eigenlijk met een beetje goede wil ook nog wel tot Amsterdam en dus tot de Randstad zou kunnen rekenen. Want je ziet er zelfs in december meer Aziatische toeristen, dan autochtonen. In Volendam hoor je vis te eten, vond ik, en dus kocht ik er een broodje makreel, een van mijn favoriete snacks. Je kan je natuurlijk afvragen of die makreel eigenlijk wel Volendams is, want voor hetzelfde geld komen ze ergens van ver weg uit de Noord-Atlantische oceaan. Maar het gaat natuurlijk om het idee, dat hier graag in stand wordt gehouden. Na één hap ervan werd ik van een flink stuk makreel afgeholpen door een grote meeuw, die met een precieze duikvlucht heel behendig een stuk vis van het brood afpakte. Net toen ik van de schrik bekomen was en me begon af te vragen of ik – om reden van een mogelijke besmetting – de rest nog wel zou kunnen opeten, had een andere meeuw de rest te pakken. Wég lekkere snack, dan dus maar gewoon koffie en appelgebak.
Terwijl je Volendam door al die toeristen nog wel tot de Randstad zou kunnen rekenen, houdt die boven Volendam écht op. Hier strak, dunbevolkt polderland met weinig bomen, veel grasland en hier en daar een molen met wat boerderijen. Ik was natuurlijk wel eens via de A-7 naar het noorden gereden, maar nog nooit via de smalle IJsselmeer-kustweg die je door dorpjes voert waarvan ik nog nooit had gehoord en waar de tijd stil staat. En waar de toeristen ook nog niet zijn doorgedrongen. Tot even ten zuiden van Hoorn, waar ze de gevolgen van de klimaatverandering het hoofd bieden door er een extra dijk te bouwen en in de ruimte tussen de oude en de nieuwe dijk een stadsstrand aan te leggen. In de verte zie je de grote schouwburg, die er eerder uitziet als een kerncentrale of een grote koepelgevangenis. In Hoorn zelf was ik al wel eens geweest, zij het lang geleden. In mijn herinnering had het een prachtig centrum en dat werd deze keer weer bevestigd. Hoe het gebied er in deze korte decembermiddag uitzag staat op:
Utrecht, een stad waar ik niet echt een binding mee heb, maar waar ik met de trein wel vaak door kom of met de auto langs rijd. Het heeft al jaren een nieuw station, vermoedelijk het grootste van Nederland, maar de omgeving daarvan heb ik nog nauwelijks bekeken. Woensdag dus wel. En het is er wat mij betreft onherkenbaar veranderd. Want hoe mooi het station ook moge zijn, op perron-niveau vind ik het daar nog steeds een sombere ondergrondse bedoeling. Maar misschien komt dat nog. Eigenlijk vind ik dat ook van de bovengrondse hal. Hij is prachtig ontworpen, maar doe er dan wat warmer licht in.
Buiten hebben ze er – evenals in Den Haag – de omgeving volgebouwd met zoveel mogelijk grote kantoren. En gaan ze er – zo te zien – nog veel meer bouwen. Het grote glaspaleis van de Rabobank en het nieuwe stadhuis staan daar als kwartiermakers al belangrijk te zijn. Allemaal onderdeel van het streven – lijkt me zo – om het woon- werkverkeer zoveel mogelijk met het openbaar vervoer af te wikkelen. Én om daarnaast al die reizigers ook nog langs zoveel mogelijk winkels te geleiden. Het oude Hoog Catharijne was in verval geraakt en is nu vervangen door een enorme ‘shopping mall’ van Amerikaanse proporties. Commercieel handig ontworpen, want als je met de trein in Utrecht aankomt en je weet er niet echt de weg, word je bijna automatisch langs al die winkels geleid, voordat je in de stad belandt.
Maar al met al vind ik dat het er prachtig gaat uitzien en dat Utrecht, evenals veel andere plaatsen in Nederland, wat betreft kwaliteit van openbare ruimte, erop vooruitgaat. Hoewel smaken verschillen natuurlijk. Voor de oude stad was weinig tijd meer omdat het in december namelijk vroeg donker is. Wel zagen we nog de onzichtbare Domtoren: compleet bedekt met steigerwerk. De toren wordt flink onder handen genomen en zal zich pas in 2023 weer laten zien. We moeten in de komende jaren – maar dan in de zomer – dat uitstapje dus nog maar eens opnieuw gaan doen. Niet alleen om de gerenoveerde toren te zien, en zelfs te beklimmen, maar ook om het helemaal afgemaakte ‘Manhattan’ rond het station nog eens te bekijken. De 2019-impressie staat op:
Het traditionele uitstapje naar Frankfurt in het eerste weekend van december. Marcel had er zijn jaarlijkse zwemtoernooi en ik zou er meedoen aan de ‘Rainbow Run’, een 10 kilometer loopje ergens in een bos buiten de stad. Ware het niet dat ik hevig verkouden was, dus heb deze kelk aan mij voorbij laten gaan. We logeren altijd in een hotel vlak bij het Hauptbahnhof, centraal gelegen, maar aan de rand van een ‘moeilijke buurt’, met zwervers, die in slaapzakken op trottoirs slapen, drugsverslaafden en andere lieden die het wat minder getroffen hebben in het leven en daardoor aan de zelfkant zijn geraakt. Daar was ik ook bijna van mijn laptop afgeholpen door iemand die vanaf de overkant van de straat naar me schreeuwde dat het toch echt zijn tas was.
In plaats van het tienkilometer-loopje is volstaan met een tienkilometer-wándeling, uitgezet door de lokale VVV. Groot voordeel is dat je dan wat meer op de omgeving gaat letten en dat de camera ook mee kan. Het centrum ontwikkelt zich in rap tempo tot een Manhattan. Overal bouwplaatsen voor nóg meer wolkenkrabbers. En in de stad brede wegen waar in drie rijen dik flink hard wordt gereden en je veel te lang moet wachten tot je als voetganger ook een keer mag oversteken. Behalve voor liefhebbers van hoogbouw-architectuur is er in het centrum weinig te genieten, en ik had dan ook niet de indruk dat het een levendige woonbuurt is. Maar de stad heeft twee gezichten. Elders is dan ook nog wel veel moois te zien, laatmiddeleeuwse architectuur, vakwerkhuizen en de fraaie ligging am Main. Niet te missen waren natuurlijk de kerstmarkten met – voor de liefhebbers – de kerstversieringen en de vele culinaire hoogtepunten. Hoe het er daar uitzag staat op: