Het doel was de Indonesië-tentoonstelling in de Nieuwe Kerk. Ik heb een zekere affiniteit met dat land, omdat ik er – zowel voor mijn werk, als voor vakantie-rondreizen – verschillende keren ben geweest. Maar de laatste keer was alweer 22 jaar geleden. Reden temeer om de tentoonstelling te bezoeken. Het was een fraaie expositie, waarbij oude emoties en gevoelens uit het onderbewustzijn weer naar boven werden gehaald. Ook werden pijnlijke episodes uit de geschiedenis voorafgaand aan de onafhankelijkheid adequaat belicht, episodes die gedurende lange tijd onder het tapijt waren geveegd. Weliswaar had ik mijn camera bij me, maar de aandacht lag meer op wat daar te zien was, dan dit fotografisch weer vast te leggen. Veel beter dus om zelf maar eens te gaan kijken.
Wel was het die dag bij hoge uitzondering schitterend weer, zodat ik het niet kon laten om op de wandeling naar de Nieuwe Kek nog maar wat foto’s te maken van de stad, foto’s die door mijzelf en vele anderen natuurlijk al duizenden keren zijn gemaakt. Maar twee nieuwe dingen vielen me toch op. Het plein voor het nieuwe hoofkantoor van Booking-com is nu eindelijk af. Nu alleen nog even wachten totdat die kleine boomsprietjes over een jaar of tien echte bomen zijn geworden. Verder leek het me dat de voorgevel van het paleis op de Dam onder handen wordt genomen en was er zelfs een voorproefje te zien hoe fraai dat ooit hopelijk gaat worden. De Indonesië-expositie is nog te zien tot 1 april en de indruk van het wandelingetje staat op:
Eén maart: elk jaar eigenlijk wel een bijzondere dag. Want dan is de (meteorologische) winter voorbij. Niet dat het buiten nou meteen zo heel erg voorjaarsachtig was, maar het moment zelf was eigenlijk al voldoende aanleiding om uit de lange winterslaap te komen en eens te kijken of het in Artis ook al voorjaar zou zijn geworden. Want daar was ik al een hele tijd niet meer geweest, sinds we ons abonnement daar hebben opgezegd. Maar René was zo vriendelijk om met zijn abonnement een bezoekerspasje te regelen en mij zodoende toegang tot het dierenpark te verschaffen.
En er is in die tijd het nodige veranderd. Behalve dat her en der dingen zijn opgeknapt en er duidelijk aandacht is geweest voor een geleidelijke transformatie van Artis in ook een botanische tuin, is het nieuwe leeuwenverblijf eigenlijk wel de grootste verandering. Eindelijk zijn de leeuwen verlost van het eindeloos rondjes draaien in hun veel te kleine ruimte. Nu is de hen toegemeten ruimte flink vergroot en hebben ze bovendien een aangename binnenruimte gekregen, waardoor ze alleen bij etenstijd nog maar naar buiten hoeven te komen. En natuurlijk als ze buiten etenstijd ook zin hebben om zich te laten zien, maar dat hadden ze vandaag bij die toch nog wel koude wind niet echt. Maar ondanks de koude wind en het toch nog kleine glimpje dat ik van een leeuw kon zien, was het toch een mooie ouverture van het nakende voorjaar. Zie ook:
Het wandelen van een lange-afstand wandelpad brengt met zich mee dat je geleidelijk aan de landschappen ziet veranderen. Zoals ook en vooral op dít deel van het Pieterpad. Kon je in het hoge noorden, nog boven de stad Groningen, eindeloos ver over het nagenoeg boomloze polderland kijken en voelde ik me daar enigszins in the middle of nowhere, ten zuiden van Groningen kom je in een heel andere wereld. Eerst moet je wel nog even door de rommelige zuidkant van de stad, maar na Glimmen, onze overnachtingsplaats, kom je op de zandgronden, zijn er hoge oude bomen en wordt het terrein zelfs een tikkeltje geaccidenteerd. Het weer doet de rest. Moesten we de vorige dag het laatste stuk nog in de regen afleggen, nu was het droog, verscheen de zon zelfs af en toe en dat geeft het landschap meteen weer een heel andere aanblik.
We komen nu in Drenthe, en meteen na het overschrijden van de provinciegrens diende het eerste hunebed zich aan, pal tegen de gevel van een oude boerderij. Beter gezegd, de boerderij lag pal tegen het hunebed, want we mogen toch aannemen dat het hunebed er al wat langer had gelegen. Toch vreemd, want wie zet er nou een boerderij neer, nog geen meter van zo’n beeldbepalend stukje erfgoed? Het eindpunt van de dag was Zuidlaren. Veel Drentse dorpen hebben een mooie “brink” een rond stuk grasveld in het centrum, omgeven door hoge bomen en meestal een kerk. Maar in Zuidlaren vonden ze het nodig om de bomen aan twee kanten weg te kappen, een groot deel van het gras te asfalteren, en zodoende is de brink eigenlijk niet meer dan een lelijk parkeerterrein. We blijven er dan ook niet lang, ook al omdat we daar meteen de bus naar Assen konden pakken, waar de trein naar Amsterdam al klaar stond. De foto’s van deze etappe staan op:
Het leuke van het als pensionado lopen van het Pieterpad, is dat je dagen uit kunt kiezen, waarop het mooi weer is. Want tenslotte ben ik een mooi-weer loper. En na weer een paar sombere weken zouden er ineens twee dagen komen met redelijk zonnig en in elk geval droog weer. Hoog tijd dus om het Pieterpad te vervolgen vanaf waar ik in januari was opgehouden. Dus is – ditmaal samen met mede-pensionado René – een B&B geboekt en zijn die twee dagen ingepland voor een vervolg van het Pieterpad vanaf Groningen. Alleen was de zon op de laatste dag voor de geplande wandeling al uit het weerbericht geschrapt en bovendien zou er op het eind van de eerste middag toch een mogelijkheid zijn van lichte regen. Maar we zouden ruim voor de regen aankomen in het geboekte B&B, zo was de inschatting. In de trein naar Groningen was er dan ook nog niks aan de hand, want de buienradar voorzag in de verste verte geen regen.
Maar al op het station van Groningen werden we verwelkomd door een heel lichte vettige motregen, een soort regen die bij nader inzien op de buienradar onzichtbaar bleek, maar waarvan je toch goed nat kunt worden. Maar na koffie en gebak in de fraaiste stationsrestauratie van Nederland werd het droog en konden we alsnog van start. Het eerste stuk van de route was helemaal in overeenstemming met het sombere weer: een rommelig en moerassig gebied. Met boten langs het water, waar al jaren niemand meer leek te zijn geweest.
Maar eenmaal uit de stad werd de route wat meer aangeharkt, met aan de ene kant een bij mooi weer ongetwijfeld fraai uitzicht over het Paterwolderse meer en aan de andere kant de villawijken van Haren, waar het meer gearriveerde deel van Groningen woont. Alles opgeleukt met sneeuwklokjes en krokussen, ten teken dat het voorjaar nu toch echt in aantocht is. Het laatste stuk naar Glimmen moest alleen weer in de regen worden afgelegd, die toch wat vroeger was gekomen dan voorspeld. Maar eenmaal in Glimmen kon, ondanks het wat mindere weer, worden geconcludeerd dat je eigenlijk ook bij minder mooi weer toch een heel leuke middag kunt hebben. De gemaakte fotoserie staat op:
Vandaag, 1 februari, woon ik precies dertig jaar in de Plantagebuurt. Nog nooit heb ik ergens zó lang gewoond. Op die vroege mistige dinsdagochtend 1 februari 1994 kreeg ik onder toeziend oog van de notaris de sleutels en mocht ik het er vanaf dat moment allemaal zelf uitzoeken. Want er was binnen nog wel een hoop werk te verrichten en met een aannemer had ik een strakke planning gemaakt, die niet mocht mislukken, want op 1 maart moest ik mijn toenmalige woning in Delft opleveren. Het was die maand veel van hot naar her rijden en in de eerste week werd ik meteen al pijnlijk geconfronteerd met hoe het in de grote stad werkte. Mijn auto was ergens weggesleept en ik mocht met een taxi naar een ver industrieterrein om tegen een erg onaangenaam bedrag de auto weer terug te krijgen. Maar met vallen en opstaan is de planning gelukt en kon ik op 27 februari de laatste spullen uit Delft weghalen en woonde ik er écht.
Natuurlijk waren er tegenwerpingen tegen het wonen in ‘de grote stad’. De bekende clichés: “niemand kent elkaar, het is er anoniem, het is druk, er loopt een hoop geboefte rond en je wilt er dus eigenlijk nog niet dood worden gevonden”. En op een dorp, waar ik zelf ook aangenaam ben opgegroeid, is er tenminste nog het ‘naoberschap‘, waar mensen naar elkaar omkijken en voor elkaar zorgen. Maar als je ergens lang woont, wordt zelfs in de stad je eigen woonomgeving vanzelf een dorp, met alle voordelen die een dorp ontegenzeggelijk heeft. Ik voel me er na dertig jaar dan ook goed geworteld in een mooie doorleefde buurt, in een prettig gebouw waar mensen ook naar elkaar omkijken. En dichtbij aan de oostelijke kant van, maar nét niet ín het drukke centrum. Natuurlijk moest ik even stilstaan bij de afgelopen dertig jaar en vond een aanleiding om op deze zonnige eerste februari nog maar eens vast te leggen hoe de buurt er nu uitziet en wat er allemaal is te zien binnen pakweg 500 meter van mijn woning. De Plantagebuurt anno nú op:
Museum Voorlinden in Wassenaar: een nog niet zo heel lang bestaand museum voor moderne kunst op een prachtige locatie en dan ook nog eens met een bijzondere expositie. René had er het al verschillende keren over gehad, dus verzin dan nog maar eens een excuus om er niet heen te gaan. Dat excuus was er niet, dus we gingen. Het museum ligt op het landgoed Voorlinden in Wassenaar met een expositie van Anselm Kiefer. Een Duitse kunstenaar, die met onconventionele technieken op grote schaal werkt. Gaat niet zachtzinnig te werk, valt zijn kunstwerken met gereedschap aan, steekt ze in brand, voegt er materialen, zoals verf, stro, bakstenen, metalen en andere zware objecten aan toe. Resulterend in soms driedimensionale werken van vele vierkante meters die een hele wand beslaan.
Voorlinden is daarvoor een heel geschikte locatie en alleen al het transport naar het museum moet de nodige hoofdbrekens hebben gekost. Indrukwekkend en vooral indringend, maar er is een prachtige zaal, waar je met uitzicht over het landgoed bij klassieke muziek samen met de andere 65-plussers rustig kunt bijkomen van dat artistieke geweld. En waar je je – op weg naar de uitgang – kunt voorbereiden op nog andere suggestieve ‘belevingskunstwerken’, die speciaal voor dit zijn museum gemaakt. Een indruk wat er te zien was staat op bijgaande fotoserie. Maar nog beter is zelf te gaan. Kan nog tot en met 25 februari. Anders kijk dan toch maar op:
Donderdag was ik uitgenodigd om een stuk te wandelen. Behalve natuurlijk het begin van het Pieterpad in de week ervoor, doe ik dat vrijwel nooit in de winter. Ik mocht een voorstel doen en kon zo gauw niks anders verzinnen dan ‘het Twiske’, waar ik eigenlijk alleen maar in de zomer kom. Ik draaf er dan mijn hardlooprondjes en bij erg mooi weer waag ik na afloop ook nog wel eens een plonsje in de plas. In winter is er van dat plonsje natuurlijk geen sprake en voor hardlopen vind ik het ook wat minder omdat het er altijd waait. Het gebied is aangelegd en uitgegraven zo’n 40 jaar geleden, toen ze zand nodig hadden voor de aanleg van de ringweg rond Amsterdam.
En in die 40 jaar is er weer een prachtig natuurgebied ontstaan. Dus is het bepaald geen oerbos, maar desondanks toch een tamelijk ruig gebied, waar koeien en hooglanders gewoon over de wandelpaden lopen en waar je op borden wordt gewaarschuwd niet al te dicht bij de stieren te komen, want die schijnen soms korte lontjes te hebben. Verder is de bodem door de overvloedige regen van de laatste tijd zompig geworden, waardoor niet alle bomen de sterke wind hebben overleefd. Het gebied is nu dus door omgewaaide bomen en ander losliggend hout extra ruig. Maar elk jaar in februari wordt het hout opgeruimd, wordt overtollig hout weggesnoeid en is het gebied weer helemaal klaar voor de zomer. Die er onderhand wel eens aan mag komen. Hoe het gebied er nu nog uitzag staat op:
De (voorlopig) laatste etappe door het – wat ze hier noemen – het Hoge Land. Misschien slaat het op ‘geografisch hoog’, want dit is het noordelijkste stukje Nederland. Want tenslotte ‘gaat er niks boven Groningen’, zoals een slogan van de provinciale VVV luidt. Erg hoog is het landschap bepaald niet, of ze moeten de ‘wierden’ bedoelen, die je hier af en toe ziet. Een soort vluchtbergen, opgeworpen door de vroegere bewoners als bescherming tegen het hoge water in de tijd dat er nog geen dijken waren. Tegenwoordig archeologische monumentjes in het vlakke en vrijwel boomloze landschap. Nauwelijks bomen, maar wel zie je her en der grote windturbines en de nieuwe 380 kiloVolt elektriciteitsmasten, die de opgewekte energie in de Eemshaven moet geleiden naar de rest van Nederland. De nieuwe en er iets anders uitziende masten komen parallel aan de oude 220 kV masten, en beide lijnen liggen nu pal naast elkaar. In Nederland bestaat bij sommigen een felle weerstand tegen deze ‘gedrochten’, maar hier stáán ze er gewoon en tenslotte moet je wel iets doen als je de energietransitie een beetje serieus wilt nemen.
Helemaal contrastrijk wordt het als je binnen de kilometer ineens op een heel andere planeet staat. Aan de rand van de stad ligt de universiteitscampus Zernike, waar ze met nano-technologie en onderzoek naar kosmische straling bezig zijn. Behalve de architectuur verandert ook de voertaal ineens van Grunnigs naar Engels. We ontmoeten Thijs, de zoon van zus Marlies, die de wetenschap op dit terrein een stukje verder probeert te brengen. We zitten daar met de vermoeide beentjes onderuit gezakt, er is lekkere koffie en na een half uurtje komen we met moeite weer overeind om het laatste stuk door de stad naar het station af te leggen, waar het stadsbeeld ineens weer veel op Amsterdam gaat lijken. Een hoop veelzijdigheid dus in dat stukje Groningen. Kijk maar op:
Het aardige van het Pieterpad is dat je onderweg veel ‘gelijkgestemden’ schijnt te treffen, met wie je tenminste gemeenschappelijk hebt dat je allebei dit soort wandelen leuk vindt. Toch was het aantal ontmoetingen onderweg heel klein en dan komt natuurlijk de vraag op of dit eigenlijk écht wel zo leuk is. Verder is het eerste stuk van het Pieterpad van Pieterburen naar Groningen niet het mooiste en zelfs het saaiste van de hele route, zo is me van meerdere kanten verzekerd. “Je moet hier ook in de zomer komen”, hoorde ik onderweg dan ook van de schaarse ontmoetingen die ik had. Maar ja, het is nu eenmaal geen zomer en als je wacht tot de zomer zijn er vast wel weer andere prioriteiten en zo komt er van dat hele Pieterpad niks terecht. Bovendien gaat het er niet om of iets in het algemeen mooi wordt gevonden. Eerder gaat het om de eigenheid van de dingen die je ziet en ervaart en die zijn altijd mooi, hoe lelijk ze ook zijn. En al wandelend heb je volop de gelegenheid goed te kijken naar al wat je ervaart en daarvan was zelfs op dit saaiste stuk genoeg te vinden.
Onderweg passeerde ik Garnwerd, een klein dorpje en in de zomer een populaire pleisterplaats met een voortreffelijke uitspanning aan het water, waar ze vast wel lekkere koffie zouden hebben, hoopte ik tenminste. Alleen dicht, jammer natuurlijk, maar ook wel weer begrijpelijk, want ze kunnen de tent ook niet de hele dag openhouden voor de drie Pieterpadders, die er misschien wel voorbij komen, laat staan misschien wel koffie willen. Garnwerd is dan nog het meest bekende dorpje, maar voor de rest kun je hier je geografische kennis goed ophalen met meer dorpjes cq. gehuchten die je passeert en waar je nog nooit van had gehoord. Sauwerd was het eindpunt van de dag. Ook een slaperig dorp, maar wel een knooppunt van spoorlijnen met korte dieseltreintjes die de regio bedienen. Van daaruit kon ik weer snel naar Groningen, het basiskamp van de hele onderneming. De ervaringen van de dag zijn vastgelegd op:
De boekjes met de routebeschrijvingen van het Pieterpad lagen al drie maanden op een bijzettafeltje geduldig te wachten. Maar door de overvloedige regen kwam het er maar niet van om een al jaren sudderend plan aan te pakken: het wandelen over het Pieterpad. Het pad loopt van Groningen naar Maastricht, meer precies: van Pieterburen naar de Sint Pietersberg. Maar in het weekend stopte de regen en heb ik het plan in een vrij impulsieve bui opgepakt. In drie dagen zou de ongeveer 40 kilometer van Pieterburen naar Groningen te doen moeten zijn. Ook drie dagen met prachtig, maar wel erg koud weer. Maar met een gastvrij en warm onthaal door mijn zus Marlies met haar man Alex, die mij twee nachten in Groningen onderdak hebben verleend.
In de trein naar Groningen bekroop mij hetzelfde gevoel dat ik ook al had toen ik in 2015 de eerste fietskilometers aflegde van mijn tocht naar Rome: een lichte spanning, met een onzekerheid of ik bij de korte voorbereiding niks over het hoofd had gezien, wat me onderweg eventueel zou kunnen gaan opbreken. En als je dan in Pieterburen op het Pieterplen uit de bus stapt, is het de bedoeling dat je je met je camera bij het officiële startpunt door een voorbijganger laat vereeuwigen. Op het plein was er wel een hotel en een aantal cafés, dus in de zomer zou het hier vast heel druk kunnen zijn. Maar nu was er geen voorbijganger te bekennen, dus moest ik het doen met een foto van de aangebrachte plaquette op het vertrekpunt. Het bewijs dat je tenminste bij het vertrekpunt bent geweest.
Maar als je dan het dorp uitloopt sta je ineens bij een temperatuur van 7 graden onder nul en een ijzige wind op een onafzienbare vlakte, zonder bomen, en in de verste verte helemaal niemand meer te zien. Daar bekroop me toch een ongemakkelijk eenzaamheidsgevoel, en realiseerde ik me dat je op dit soort punten en onder deze omstandigheden toch maar beter met z’n tweeën kunt zijn. Maar na een half uurtje kwam ik toch in een fysiek en vooral ook in een mentaal ritme en kon Winsum, het eindpunt van de dag, in een enigszins euforische stemming bereiken. Hoe het er onderweg uitzag staat op: