Daags na de terugkeer van DE berg, met de spierpijn nog in de benen, begonnen we aan de safari. Hoofddoel was het Serengeti National Park, maar de aangrenzende parken waren minstens zo leuk. Onderweg van Moshi via Arusha naar het eerste wildpark konden we kennis maken met het gemiddelde Afrikaanse leven, want in de parken zelf is daar natuurlijk niet veel van te zien. Arusha is een wat rommelige stad. Er is veel opgebroken en ook vaak zijn er nog onverharde wegen, zelfs in de stad. Door de regen van de vorige dag rijden we dus af en toe door modderpoelen. Evenzo rommelige bedrijfjes zoals autosloperijen, en eigenlijk zijn veel mensen er alleen maar bezig om het hoofd boven water te houden. Buiten de stad zien we veel Masai, wonend in van die typische hutjes en vooral bezig met het houden van vee. Maar ook gespitst op toeristen. Je hoeft maar even te stoppen met de auto om een foto te nemen en kinderen rennen naar je toe en houden hun hand op. Het leverde wat genante taferelen op en we kwamen dan ook tot de conclusie dat het maar beter was om niet meer te stoppen voor foto’s in de buurt van Masai.
Maar je ziet ze ook rond de lodges waar ze zorgen dat de wilde dieren niet al te dicht in de buurt komen. Want lodges staan gewoon midden in de wildparken, waar de dieren ook hun domein hebben. Het eerste park is het Tarangire National Park. We moeten alleen afleren ons te concentreren op de big five en op zijn minst geduld betrachten. Onze gids David attendeert ons op dit typische ‘toeristen-beginnersfoutje’ en verzekert ons dat we in de komende week heus wel aan onze trekken zullen komen. Bovendien is er zo veel meer te zien dan de big five. Hij had het nog niet gezegd of een hele kudde olifanten stak vlak voor ons de weg over. Dat er meer te zien is bleek wel de volgende dag bij het Lake Manyara. De big five zijn daar niet, maar wel een prachtig gelegen ondiep zoutmeer met enorm veel flamingo’s die af en toe en masse opfladderden en een eindje verder weer neerstreken. We belandden donderdagavond in een lodge aan de oever van het Lake Eyasi. Erg gezellig, het comfort was er goed, maar overal kon wild rondlopen. Ik moest daar erg aan wennen en dus vond ik het loopje van onze slaapplaats naar het restaurant zonder begeleiding dan ook niet echt relaxed. De foto’s staan op:
Het Barafu-camp was het laatste camp voor de slotklim. Vanaf daar gaan we heen en weer naar de top. De dragers hoeven dus niet mee en we doen de slotklim met z’n vijven: twee gidsen en wij drieën. Die slotklim was toch wel een ervaring apart. Zaterdagavond om 23:15 uur werden we gewekt en na een licht ontbijtje, nota bene rond middernacht, gingen we in het donker op pad. Gewapend met lampjes op de ijsmuts, vijf lagen dikke kleding en handwarmers in de handschoenen en sokken. De klim vanaf Barafu (4600 meter) naar het Stella Point (5800 meter) duurde zo’n zes uur, grotendeels in het donker. Er waren andere groepjes klimmers, die je – behalve kleine lichtpuntjes – niet kon zien maar wel kon horen. En heel diep beneden zag je de stad Moshi liggen, zoals je een stad bij nacht uit een vliegtuig ziet. Alleen op het laatst werd aan de oostelijke horizon een streep schemering zichtbaar, die gelukkig steeds groter en lichter werd. Op dat traject is ook het risico van hoogteziekte het grootst. Je kan de kans erop kleiner maken door ‘diamox’ te slikken, maar dat heeft weer de bijwerking dat je vaker moet plassen en dat is op die hoogte met die temperatuur en met al die kleding aan ook niet echt handig.
Het Stella Point is het einde van de toch wel steile klim. Steiler dan we de afgelopen dagen gewend waren. Daar waren we in de ochtendschemering en het was meteen ook een mooie plaats om na die klim even uit te rusten. Hoewel, het is veel te koud om te gaan zitten, en om ons heen waren er mensen met hoogteziekte die uitgebreid en vooral luidkeels stonden te braken. Uitrusten deden we dus daar maar even niet en zijn meteen doorgelopen naar de top. Dat laatste stuk is vals plat, ongeveer één kilometer en daar doe je toch nog ruim een uur over. Twee stappen doen, even uitrusten en dan wéér twee stappen, zo langzaam ging het. Maar op zondagmorgen 29 januari 2017, om 06:45 uur stonden we alle drie op de top van de Kilimanjaro, 5895 meter hoog, met een euforisch gevoel en niet vrij van emotie. Twintig graden onder nul en een ijzige wind, nauwelijks in staat om de fotocamera tevoorschijn te halen. Het uitzicht vanaf de top moet geweldig zijn geweest. Je kon er tot ver in Kenya kijken, maar ik kan me er nauwelijks iets van herinneren.
We zijn er dan ook niet lang gebleven. Het was er trouwens ook dringen want we waren duidelijk niet de enigen en iedereen moest daar op dat ene kleine platformpje voor het ultieme foto-momentje. Tijd om af te dalen dus, dat trouwens minstens zo moeilijk was als klimmen, vooral als je weer over rotsen moest klauteren. Maar af en toe kon je ook over het mulle zand een flink stuk naar beneden glijden en binnen twee uur waren we weer terug in het Barafu-camp, waar het ontbijt klaar stond. Even uitrusten en dan verder naar beneden. Die dag in amper negen uur afgedaald van bijna 6000 naar 3000 meter in het Mweka-camp. Onderweg vaak gevallen, niet alleen door de oververmoeidheid, maar ook door de gladde stenen, die door lichte regen en modder spekglad waren geworden. Bij aankomst in de lodge zat ik er dus flink doorheen. Wel was daar een soort van feestje: er waren toespraakjes en de dragers werden bedankt met envelopjes. De allerlaatste dag, maandag was evenwel een eitje. Alleen een korte ochtendwandeling bracht ons terug naar tropische temperaturen. Daar stonden weer auto’s en nadat alle bagage was ingepakt, afscheid was genomen van de begeleiders ging het terug naar de lodge.
Daar was een douche, voor het eerst in zeven dagen en het bier (merk Kilimanjaro) was heerlijk. Al met al was het een prachtige ervaring. Heel leuk om zeven dagen met zestien altijd vrolijke mensen om te gaan. Maar het is wel een ervaring ‘once in a lifetime’. Ik ga het dus écht niet nog een keer doen. Het was ook een enorme inspanning, nog niet eens zozeer fysiek, maar ook (en vooral) mentaal. We zijn vrij goed weggekomen met de hoogteziekte, hoewel elke voetstap op grote hoogte een bovenmatige inspanning vergt. Geleidelijke acclimatisatie is toch wel belangrijk, en al met al duurde de beklimming zes dagen. Hoewel het fysiek dus wel is gelukt, moest ik inderdaad toch wel wennen aan het gebrek aan comfort. Kamperen bij temperaturen onder nul vond ik eigenlijk wel grensverleggend. De komende week wordt er niet gewandeld. Alleen maar in auto’s gezeten op safari in de Serengeti en aanpalende parken. Heel iets anders dus. Maar bij aankomst in de lodge wachtte ons een andere, minder leuke, verrassing. Antoinette, de moeder van Marcel, was ongelukkig gevallen, had daarbij een rib gebroken en het zou voor haar onmogelijk zijn om aan de safari deel te nemen. Het betekent dat zij samen met Raymond aanstaande woensdag naar Nederland wordt gerepatrieerd. Inderdaad heel erg teleurstellend, temeer daar de safari voor hen het hoofddoel van de reis zou zijn. De laatste klimfoto’s staan op:
Het kamperen is echt even wennen. De eerste nacht op 3000 meter hoogte ging nog net, maar de volgende nachten waren op respectievelijk 3800 tot 4600 meter hoog. Verwarming was er natuurlijk niet en ook eten met dikke jassen aan is niet echt mijn hobby. Meestal kwamen we ergens aan in de middag en eigenlijk was je dan alleen maar bezig om niet al te veel lichaamswarmte te verliezen, want als je teveel afkoelde was het bijna niet meer mogelijk om dan nog op te warmen. Slapen ging trouwens best aardig in die heerlijk warme slaapzak, behalve als je wakker werd en moest plassen. Dat stelde je dan zo lang mogelijk uit totdat verder uitstel echt niet meer kon en je dan toch maar in je onderbroek de tocht door de kou en in het donker ondernam naar de plastent.
Wij met z’n drieën hadden zestien man personeel. Twee gidsen, twee koks en twaalf dragers. Vooral die dragers hebben me nog het meest verbaasd. Ze sjouwden van alles mee over dezelfde route die wij liepen. Tenten, inklaptafels en -stoelen, keukengerei, gasflessen, eten voor zeven dagen voor 19 man en zelfs een toilet. Elke ochtend na vertrek braken ze de boel op, haalden ons onderweg in met alles op hun hoofd en bij aankomst aan het eind van de middag in het volgende kamp hadden ze alles weer opgezet en stond er zelfs al een warme maaltijd klaar. Het enige wat wij moesten doen is aan tafel aanschuiven en later op bed gaan liggen. Fascinerend was de geleidelijke verandering van het landschap. In het begin door een bos, nog alleen met je T-shirt. Maar gaandeweg verandert het landschap, de temperatuur en dus ook de kleding. De bomen en begroeiing worden steeds lager en uiteindelijk is er alleen nog maar rots en steen.
Echt moeilijk is de beklimming tot nu toe overigens niet geweest. Het beeld van de Kilimanjaro is dat je die zonder alpinistisch gereedschap kunt beklimmen. Dat betekent niet dat je er zomaar opwandelt. Vaak klauteren over rotsen, en er waren momenten dat je misstappen kon maken met wel heel akelige gevolgen. Het lastigst was nog wel de Baranco-wall, ook wel de Breakfast-wall genoemd, omdat die vlak na het ontbijt moet worden beklommen. Zaterdagmiddag zijn we aangekomen in het Barafu-camp op 4600 meter hoogte. Morgen de top. Hopen we….! Foto’s van de afgelopen vier dagen staan op:
Zondagavond laat, na negen uur vliegen, in Tanzania aangekomen. Weliswaar om 20:30 uur al geland, maar ruim twee uur later konden we de luchthaven pas verlaten. Slechts één loket voor 250 passagiers, die allemaal een visum moesten hebben. Er was nog wel een ander loket, maar daar hadden ze het te druk met het kijken naar een voetbalwedstrijd. Vanaf de luchthaven was het nog een uurtje rijden naar Moshi. Meteen in een andere wereld. Aardedonker en veel tegenliggers met groot licht. Onderweg aangehouden door de politie, die wellicht op zoek was naar wat zakgeld, maar onze chauffeur wist het adequaat af te handelen. We zitten in een prachtige lodge met mooie bungalowtjes en genieten na die lange Nederlandse winter van de heerlijk warme avond op de veranda met een lekker koud Afrikaans biertje.
Maar al de eerste avond voltrok zich een kleine ramp, althans in mijn ogen. Ik had een laptop meegenomen voor het opslaan en bewerken van de foto’s. Maar het ding wil niet meer opstarten en ik heb geen idee hoe ik dat nou weer moet aanpakken. Het was nog een heel gedoe om er een mail vanaf mijn iPad uit te krijgen. Het betekent dus dat ik geen foto’s met de mails kan meesturen en ook niet kan bewerken. Het kostte wel wat moeite om dit te accepteren en om de reis er niet door te laten beïnvloeden. Eerst maar eens even kijken of ik het in februari in een paar dagen thuis kan laten fixen. Maandagochtend was er een briefing over de beklimming van de Kilimanjaro, die ze hier de ‘Kili’ noemen. Gerrit, Marcel en ik gingen dat doen en in detail werd besproken wat we wel en niet moesten meenemen. En ook wat we wel, maar ook vooral niét moesten doen.
We werden er een tikkeltje nerveus van, want het blijkt nu toch wel een hele onderneming. Maar die briefing hielp natuurlijk wel om het laptop-akkefietje een beetje achter me te laten. Het was nog een heel gedoe om de rugzakken en bagage voor de dragers een beetje efficiënt in te pakken. Maar in de middag bleef er nog wel wat tijd over om in Moshi te gaan kijken. Op de kaart ziet het eruit als een klein provincieplaatsje, maar het blijkt dat dat plaatsje even groot is als Amsterdam. Daar treffen we vooral mensen die het een stuk slechter getroffen hebben dan wij. Natuurlijk, het is kleurrijk en vooral fotogeniek, maar het was ook wel gênant om daar met een camera rond te lopen, vooral als je ook veel mensen iets moet weigeren. Want het is nou eenmaal onmogelijk om van iederéén wat te kopen. Vooral die tegenstelling blijkt na zo’n dag toch wel hangen. Dat relativeert het laptop-akkefietje nog wel wat verder.
En dinsdagochtend begon het dan echt en moesten we al vroeg weg. Want er staat voor die dag 11 kilometer op het programma met een klim van 1800 naar 3100 meter. Contact met de buitenwereld zal er in de komende week niet meer zijn, want wifi is op de Kili nog niet aangelegd. Zelfs gaan we het de hele week zonder elektra doen, dus we zijn beladen met batterijen en powerbanks voor de verschillende camera’s. De eerste dag lopen we vooral door een bos. De hele weg vals plat omhoog, maar later toch wat steiler tot ruim 3000 meter. Die avond is er dan meteen de confrontatie met het gebrek aan comfort. Weliswaar hebben we er het over gehad bij de briefing, maar nu blijkt echt wat dat betekent. Douchen en scheren gaat de hele week niet mogelijk zijn en de maatstaven van hygiëne moesten al de eerste dag worden bijgesteld. Dat was toch ook wel even slikken voor ons verwende stadsmensen. We sliepen ook in tentjes, en ik heb voor het laatst gekampeerd dertig jaar geleden en dan alleen nog maar bij 25 graden of meer. Deze week bij nul graden of minder. Foto’s van Moshi en het eerste klimstuk op:
Als voorbereiding op de grote reis, die nu onderhand wel heel dichtbij komt, gingen we nog maar eens naar de grote winkelboulevard bij het station Bijlmer-ArenA. Niet echt mijn hobby, maar de ontberingen waarmee we bij de beklimming van de Kilimanjaro vermoedelijk te maken krijgen, vragen nu eenmaal om een adequate uitrusting. Je kan van de nood natuurlijk ook een deugd maken, als je tenminste oog hebt voor de architectuur die daar is verrezen. Dan zie je dat men tegenwoordig heel wat creatiever bouwt dan in – pakweg – de 80’er jaren met zijn afgrijselijke revolutiebouw. De winkelboulevard die daar rond de Arena is verrezen heeft weliswaar niet de gezelligheid van het centrum, maar is qua kleur en spiegelingen toch wel de moeite van een klein foto-serietje waard. Kijk maar op:
‘Er gaat niets boven Groningen’. Dat is tenminste de slogan waarmee de lokale VVV de stad en provincie aan de man probeert te brengen. Daar is overigens alle reden toe, want de stad is een pareltje in het toch wel – vooral voor de verwende Amsterdammers – wat verre noorden. Want Groningen schijnt verder van Amsterdam te liggen dan Amsterdam van Groningen. Wij beschouwden ons minder verwend en zijn per trein naar Groningen afgereisd. Aanleiding was een tentoonstelling van Rodin in het Groninger museum. En in datzelfde museum ook nog een expositie van fotograaf Erwin Olaf.
Alleen al de treinreis is de moeite waard, met een mooi zicht aan de linkerkant op de Oostvaardersplassen. Daar proberen ze een biologisch evenwicht tot stand te brengen, waarbij ze er nog niet helemaal uit zijn of ze de natuur helemaal zijn eigen gang moeten laten gaan. Want om nou de dieren in hartje winter helemáál aan hun lot over te laten, is volgens velen toch ook wel weer wat zielig. Het uitstapje was in combinatie met Assen, waar we onderweg zijn uitgestapt voor het Drents museum met een tentoonstelling van Russische schilders, die het moeilijke leven aldaar in de vorige eeuw in beeld brachten. Tenslotte het Groninger museum, met Rodin en Olaf, een museum dat eigenlijk alleen al door zijn gewaagde architectuur de moeite waard is. Tot slot nog tot in de schemering door de stad geslenterd en geconcludeerd dat dit toch wel een van de mooiere steden in Nederland is. Het fotoverslag staat op:
‘Geef mij maar Rotterdam’. Daarmee opende de Volkskrant deze week het hoofdartikel om aan te geven dat de woonkwaliteit in Rotterdam niet alleen heel goed, maar ook nog betaalbaar was. Mooie gelegenheid dus om er eens een kijkje te nemen. Niet dat ik er meteen ga wonen, maar een fotoserietje zou, dacht ik, toch wel de moeite waard zijn. Voor de liefhebbers van moderne architectuur en woontorens is Rotterdam inderdaad ‘the place to be’. En natuurlijk het nieuwe treinstation, dat nu in Nederland ineens toonaangevend is. Vanaf het warme restaurant in de Euromast was niet alleen Rotterdam, maar zelfs Delft en Den Haag goed te bekijken. Maar de slotklim naar de top van de toren hebben we wegens de ijzige wind maar even uitgesteld tot betere tijden. Ondanks de kou is er toch een foto-serietje gemaakt:
Utrecht, voor mij de minst bekende grotere stad in Nederland. Toch ligt het maar 20 treinminuten van Amsterdam. Ontelbare keren erlangs gereden of met de trein er doorheen gekomen, maar zelden echt goed bekeken. Hoog tijd om op deze prachtige winterdag eens een foto-excursie naar Utrecht te maken. En daar ontdekt dat een grachtengordel niet alleen het monopolie is van Amsterdam. Hier is er de Oude Gracht, die – in vergelijking met Amsterdam – het extraatje heeft dat op een soort lagere verdieping, vlak boven het water nog terrasjes zijn ingericht, waardoor je op mooie zomerdagen gezellig kunt eten en drinken. Bijzonder is ook de Domkerk en de scheiding van de kerk en toren daarvan. In de 17e eeuw is door een storm het middenschip in elkaar gestort en kennelijk nooit meer hersteld. Toch hebben ze onder de toren voor fraaie doorkijkjes gezorgd, waardoor het eigenlijk toch één geheel lijkt.
Hier meteen maar het idee opgevat om ooit nog eens de toren te beklimmen, maar dat moet dan maar op een warmere dag. Verder, ook fraai met het tegenlicht van de lage middagzon en de winterse rijp op de bomen, het park tussen de Maliesingel en de binnenstad. Wel daar tevergeefs gezocht naar een uitspanning waar koffie wordt geserveerd, maar in de fantasieloze omgeving van het Centraal Station kon nog wel iets worden gevonden. Het gebied rond het station is momenteel één grote bouwput. Er gaan daar futuristische bouwsels komen, het hele Hoog Catharijne gaat op de schop en gaat een grondige facelift krijgen. Hard nodig blijkbaar, maar het viel nog niet mee om de ingang van het station te vinden zonder eerst de nodige winkelstraten te moeten doorkruisen. Het is de nieuwe trend: stations gaan eruitzien als luchthavens, met een overdaad aan winkels, waarbij hun oorspronkelijke functie, het begin (of eind) van een reis op het tweede plan komt. De foto’s van het Utrechtse uitstapje staan op:
Een prachtige Tweede Kerstdag. Na al het binnen zitten in die bepaald niet mijn favoriete decembermaand is het hoog tijd om er eens uit te gaan. Een met ons vele anderen, zo blijkt. Het mooie weer na lange tijd werkt aanstekelijk. Amsterdam-Noord: het gaat er helemaal bij horen, volgens velen tenminste. Het heeft er nu overigens alle schijn van. Het Noord-gevoel gaat het Jordaan-gevoel vervangen. Nu nog niet echt, maar aan alles zie je dat het er over tien jaar heel anders gaat zijn. Hoogste tijd om eens te kijken hoe het er over tien jaar vroeger was. Alleen al aan het tochtje erheen zie je dat alles verandert. Het Centraal Station is nog steeds een bouwput, en ook de centrale hal lijkt me nog niet helemaal af. Het Oosterdokseiland begint aan de stationskant nu wel zo’n beetje af te zijn, maar aan de andere kant ligt er nog veel braak. Benieuwd hoe het er daar uit gaat zien.
Een kort boottochtje gemaakt naar het NDSM-terrein. Vroeger het epicentrum van de scheepsbouw, daarna kwam er een hele tijd niemand meer en raakte het gebied vervallen. Maar hoe meer vervallen, hoe aantrekkelijker voor creatieve en hippe dingen. En over tien jaar is het creatieve vervangen door duur en trendy. We gaan het zien. De wandeling is afgemaakt door helemaal door te lopen naar het pontje bij de Zamenhofstraat. Door een gebied waar ik nog nooit was geweest. Veelal vervallen industrieterreinen en hier en daar wat woningen. Het lijkt me zo dat de toekomstige Noord-Zuidlijn dit gebied weer tot leven kan gaan brengen. Maar ook dat gaan we zien. Van de tussenstand is op deze mooie winterdag is een foto-serietje gemaakt dat te zien is op:
Voor lange wandelingen is in deze tijd van het jaar bijna geen ruimte meer. Het aantal uren met daglicht is minimaal en als er dan de hele dag ook nog een dikke laag wolken hangt, wordt het voor de fotografie toch wel lastig. Toch viel er nog wel wat te zien op deze wandeling van Geldermalsen naar Tiel. Met de fietsen in de trein naar Geldermalsen. Een enorm groot station voor eigenlijk een relatief kleine plaats. Vanaf een viaduct kan je mooi de intercity’s voorbij zien razen en dan zie je pas met welk een geweld die treinen voorbijkomen. In dit seizoen is de natuur dood. Het enige voordeel daarvan is dat je ondanks de toch wel dikke bewolking ver kunt kijken, niet gehinderd door gebladerte aan de bomen. Het is het hart van de Betuwe en ondanks het dode seizoen, zie je de fruitbomen in de knop staan en men is er toch al druk bezig om een en ander te onderhouden. Kennelijk is er toch het hele jaar werk.
We passeren Buren. Dat fraaie plaatsje heeft iets met de Oranjes. Willem van Oranje is er ooit getrouwd met Anna van Buren. En de naam ‘van Buren’ wordt als schuilnaam gebruikt. Want die andere Willem, een van zijn nazaten, heeft ooit – kennelijk nog onopgemerkt – aan de Elfstedentocht deelgenomen onder de naam Willem van Buren. Verderop passeren we de Betuwelijn, ook over een viaduct. Een goederenspoorlijn van het Rotterdamse havengebied naar Duitsland. De aanleg ervan werd hevig bekritiseerd, omdat de lijn niet rendabel zou zijn. En inderdaad, hoe lang we ook op het viaduct over de spoorlijn stonden te wachten… geen trein. Toch schijnen er regelmatig treinen te rijden. Maar zelfs de aanblik van de lijn, zonder trein, was vanaf dat viaduct eigenlijk ook al fotogeniek genoeg. We hadden willen doorlopen naar het station Tiel in het centrum, maar bij het station Passewaaij in een eerdere buitenwijk vonden we het mooi genoeg, ook al omdat het al bijna donker begon te worden en de beentjes ook langzaam begonnen te protesteren. Ondanks het donkere seizoen is er toch nog een fotoserietje gekomen. Kijk maar op: