Als je het in het leven een beetje getroffen hebt, hetgeen in Amerika allerminst zeker is, is Atlanta toch wel een van de betere plaatsen om te wonen. Er is veel ruimte, er is een aangenaam klimaat en het is een groene stad met veel bomen en parken. Bovendien is de openbare ruimte overal uitstekend onderhouden. We bezoeken mid-town, eigenlijk een tweede centrum. Maar in tegenstelling met down-town, waar vooral wordt gewerkt en nauwelijks gewoond, heeft mid-town een aangename mix van werken, wonen en horeca. We nemen ons voor om de volgende dag nog maar eens te gaan eten op een van de gezellige terrasjes in dat stadsdeel. In mid-town ligt ook Piedmont-park, een van de mooiere parken in de stad. We bezoeken dat park, met annex de botanische tuin. Het heeft iets weg van het Central Park in New York met uitzicht op de voorname woonpaleisjes op de belendende straten.
De staat Georgia heeft in het recente verleden twee grote namen voortgebracht: Martin Luther King en Jimmy Carter. Martin Luther King is in Atlanta geboren en werd er dominee. Jimmy Carter was de zoon van een pindaboer in Plains het zuiden van de staat. Martin Luther is niet oud geworden, maar des te beroemder. Hij werd op 39-jarige leeftijd neergeschoten in Memphis (Tennessee). Jimmy Carter leeft – hoewel teruggetrokken – nog steeds en hoopt op 1 oktober a.s. 100 jaar te worden. Hij is na zijn presidentschap actief gebleven en heeft een organisatie opgezet, die zich inzet voor vrede, gerechtigheid en gezondheidszorg. Zijn leven voor, tijdens en na zijn presidentschap is overzichtelijk uitgebeeld in het Carter-center. We ontmoeten daar Christopher, die in die periode voor de ex-president heeft gewerkt en betrokken was bij de opzet van dat centrum en die de persoon Jimmy Carter verder inkleurt met de nodige anekdotes.
Niet ver daarvandaan, naast het geboortehuis en de kerk waar Martin Luther dominee was, is een soortgelijk centrum, waarin het leven van Martin Luther King is uitgebeeld. Heel vaag herinner ik me nog de rassenrellen uit de vroege 60’er jaren, toen er nog sprake was van een officiële apartheid. Beroemd is het incident waar een zwarte vrouw weigerde om een bus bestemd voor blanken te verlaten. De apartheid werd in 1964 weliswaar officieel afgeschaft door president Johnson, maar de tegenstellingen waren niet meteen verdwenen, getuige de moord op Martin Luther in 1968. En op de moeder van Martin Luther, die in 1974 in de kerk waar haar zoon dominee was, werd neergeschoten. Tegenwoordig lijkt van die tegenstellingen nauwelijks sprake meer. Ruim de helft van de bevolking van Atlanta is zwart en beide groepen lijken harmonieus met elkaar om te gaan. Met het voorgenomen etentje op een van de mid-town terrasjes hebben we, met dank aan Mark en Christopher, ons verblijf in Atlanta afgesloten en maken we ons op voor de transcontinentale reis naar het westen. De tweede Atlanta foto-serie staat op:
Onze Amerika-reis is begonnen in Atlanta, de belangrijkste stad van het zuid-oosten. We blijven hier een paar dagen om te acclimatiseren en te wennen aan het tijdverschil, voordat we de lange road-trip naar het westen gaan aanvangen. Geen overbodige luxe, want na zo’n lange vliegreis is het voor je gevoel al bijna bedtijd, terwijl er nog wel de nodige plichtplegingen zijn, zoals bagage en auto ophalen en als allerlaatste krachtsinspanning nog boodschappen doen in de supermarkt. Gelukkig had ik daar mijn ID bij me, want ik moest aan de kassière nog wel bewijzen dat ik ouder dan 21 was, want anders hadden we die paar biertjes niet meegekregen.
Atlanta is een enorme agglomeratie van ruim opgezette buitenwijken, waar ze niet op een paar vierkante meter kijken. We zijn te gast bij Mark, een kennis van ons die in een van die buitenwijken woont en die een paar dagen met ons optrekt om de stad te verkennen. Dat verkennen doe je natuurlijk in down-town, het zakelijke centrum, waar niet zozeer wordt gewoond, maar vooral wordt gewerkt. En ook de belangrijkste toeristische attracties zijn daar allemaal, zelfs op loopafstand, te vinden. Atlanta is – hoewel belangrijk in het zuidoosten – toch het kleinere broertje van de grotere steden in de VS. Maar de stad is wel even de thuisbasis van Coca Cola en tot voor kort ook van CNN, hoewel die inmiddels naar New York is verhuisd.
Ook geniet Atlanta nog na van de organisatie van de Olympische Spelen van 1996. Het centraal gelegen Olympic Park is dan ook nog steeds een attractie en is, evenals de rest van dit stadsdeel, keurig aangeharkt en goed onderhouden. Mede door het prachtige weer ziet het er allemaal extra mooi uit. Ondanks de jet-lag hebben we op vrijdagochtend, ook al om wat in het ritme te komen, toch nog maar een klein rondje hard gelopen. Ging wel wat moeizaam, maar ik ben tenslotte ook geen 21 meer. Vraag maar aan de kassière in die supermarkt. De foto’s van de ouverture in down-town Atlanta staan op:
De Damstraat: niet bepaald de állermooiste straat van Amsterdam. Maar als je toch eens richting Dam moet, kan je er eigenlijk niet omheen. Meestal let je er niet op, maar deze keer wél: het winkelaanbod. Dat aanbod bestaat uit allemaal dingen die je niet dagelijks, sterker nog: nóóit nodig hebt. En dingen die je wel nodig hebt, zijn er niet te krijgen. Er was recent wat aandacht voor obesitas en wat je in winkels eigenlijk kunt kopen aan “schijf-van-vijf”-voedsel. Dat is in een gewone supermarkt al weinig, maar in de Damstraat is er op dat gebied helemaal niks. Wel veel andere culinaire ‘hoogtepunten’, zoete vettigheid, fast-food plus natuurlijk ook nog de nodige toeristen-meuk. De nieuwste trend op dat gebied is de zg ‘duck-store’. Daar kun je kleine eendjes kopen, niet alleen in de Damstraat, maar ik zie die winkels overal in de stad opduiken.
De gemeente probeert van alles te doen om het winkelaanbod in de stad naar een wat hoger niveau te tillen, maar er is, zo te zien, nog een lange weg te gaan. Maar misschien hebben ze eerst de handen nog vol aan het herstel van de kademuren, dat overal in de stad, en dus ook hier, wordt uitgevoerd. Een kostbare en langdurige klus, maar op sommige plaatsen in de stad is het al merkbaar opgeknapt. En dan volgt de upgrade van de straat natuurlijk vanzelf, hopen we dan maar. De Damstraat eindigt dus op de Dam, behalve de locatie van het Nationaal Monument en het Koninklijk Paleis, de uithangplek van toeristen, straatartiesten en de mogelijkheid je mening te uiten over allerlei andere dingen die in de wereld gebeuren. De Damstraat met zijstraten, het winkelaanbod, zijn culinaire hoogtepunten en de Dam zelf zijn samengevat op:
De eerste dag van de lente..! Het zou bovendien de mooiste dag van de week worden, zonnig, al best wel warm, met alleen in het uiterste noorden mogelijk wat lichte motregen. Ver genoeg weg om dáár geen last van te hebben. Je moest dus wel hele goede argumenten verzinnen om – voor het eerst dit jaar – niet weer eens een uitstapje met de fiets buiten Amsterdam te organiseren. Nog niet al te ambitieus, maar met een klein tochtje richting het Twiske zou je toch dat lentegevoel moeten kunnen proeven. Alleen…, de zon kwam niet, het bleef fris en bovendien was er vrijwel de hele weg die lichte motregen, die alleen voor het uiterste noorden was beloofd. Maar ja, als je eenmaal op de fiets zit, ga je ook niet zo snel terug, in de hoop en zelfs optimistische verwachting dat de regen vast wel zou ophouden, wat alleen niet gebeurde.
Maar als je je verlies eenmaal genomen hebt, blijkt er onderweg toch genoeg te zien te zijn, ondanks dat we er in de afgelopen jaren al talloze malen zijn langs gekomen. Al was het maar het telkens weer veranderde stadsbeeld. Want het ligt zo te zien niet aan Amsterdam dat er in Nederland te weinig woningen worden gebouwd. Want in ‘Noord’, dat er eigenlijk nooit écht bij hoorde, is inmiddels een heel nieuwe stad verrezen en ze zijn er bovendien nog lang niet uitgebouwd. En als je eenmaal de Ringweg bent gepasseerd, heb je zelfs de Randstad achter je gelaten en opent zich het vlakke polderland, waar ondanks de afwezige zon het voorjaar toch echt in aantocht is. Zodoende is er toch een fotoserie gekomen, te zien op:
Het doel was de Indonesië-tentoonstelling in de Nieuwe Kerk. Ik heb een zekere affiniteit met dat land, omdat ik er – zowel voor mijn werk, als voor vakantie-rondreizen – verschillende keren ben geweest. Maar de laatste keer was alweer 22 jaar geleden. Reden temeer om de tentoonstelling te bezoeken. Het was een fraaie expositie, waarbij oude emoties en gevoelens uit het onderbewustzijn weer naar boven werden gehaald. Ook werden pijnlijke episodes uit de geschiedenis voorafgaand aan de onafhankelijkheid adequaat belicht, episodes die gedurende lange tijd onder het tapijt waren geveegd. Weliswaar had ik mijn camera bij me, maar de aandacht lag meer op wat daar te zien was, dan dit fotografisch weer vast te leggen. Veel beter dus om zelf maar eens te gaan kijken.
Wel was het die dag bij hoge uitzondering schitterend weer, zodat ik het niet kon laten om op de wandeling naar de Nieuwe Kek nog maar wat foto’s te maken van de stad, foto’s die door mijzelf en vele anderen natuurlijk al duizenden keren zijn gemaakt. Maar twee nieuwe dingen vielen me toch op. Het plein voor het nieuwe hoofkantoor van Booking-com is nu eindelijk af. Nu alleen nog even wachten totdat die kleine boomsprietjes over een jaar of tien echte bomen zijn geworden. Verder leek het me dat de voorgevel van het paleis op de Dam onder handen wordt genomen en was er zelfs een voorproefje te zien hoe fraai dat ooit hopelijk gaat worden. De Indonesië-expositie is nog te zien tot 1 april en de indruk van het wandelingetje staat op:
Eén maart: elk jaar eigenlijk wel een bijzondere dag. Want dan is de (meteorologische) winter voorbij. Niet dat het buiten nou meteen zo heel erg voorjaarsachtig was, maar het moment zelf was eigenlijk al voldoende aanleiding om uit de lange winterslaap te komen en eens te kijken of het in Artis ook al voorjaar zou zijn geworden. Want daar was ik al een hele tijd niet meer geweest, sinds we ons abonnement daar hebben opgezegd. Maar René was zo vriendelijk om met zijn abonnement een bezoekerspasje te regelen en mij zodoende toegang tot het dierenpark te verschaffen.
En er is in die tijd het nodige veranderd. Behalve dat her en der dingen zijn opgeknapt en er duidelijk aandacht is geweest voor een geleidelijke transformatie van Artis in ook een botanische tuin, is het nieuwe leeuwenverblijf eigenlijk wel de grootste verandering. Eindelijk zijn de leeuwen verlost van het eindeloos rondjes draaien in hun veel te kleine ruimte. Nu is de hen toegemeten ruimte flink vergroot en hebben ze bovendien een aangename binnenruimte gekregen, waardoor ze alleen bij etenstijd nog maar naar buiten hoeven te komen. En natuurlijk als ze buiten etenstijd ook zin hebben om zich te laten zien, maar dat hadden ze vandaag bij die toch nog wel koude wind niet echt. Maar ondanks de koude wind en het toch nog kleine glimpje dat ik van een leeuw kon zien, was het toch een mooie ouverture van het nakende voorjaar. Zie ook:
Het wandelen van een lange-afstand wandelpad brengt met zich mee dat je geleidelijk aan de landschappen ziet veranderen. Zoals ook en vooral op dít deel van het Pieterpad. Kon je in het hoge noorden, nog boven de stad Groningen, eindeloos ver over het nagenoeg boomloze polderland kijken en voelde ik me daar enigszins in the middle of nowhere, ten zuiden van Groningen kom je in een heel andere wereld. Eerst moet je wel nog even door de rommelige zuidkant van de stad, maar na Glimmen, onze overnachtingsplaats, kom je op de zandgronden, zijn er hoge oude bomen en wordt het terrein zelfs een tikkeltje geaccidenteerd. Het weer doet de rest. Moesten we de vorige dag het laatste stuk nog in de regen afleggen, nu was het droog, verscheen de zon zelfs af en toe en dat geeft het landschap meteen weer een heel andere aanblik.
We komen nu in Drenthe, en meteen na het overschrijden van de provinciegrens diende het eerste hunebed zich aan, pal tegen de gevel van een oude boerderij. Beter gezegd, de boerderij lag pal tegen het hunebed, want we mogen toch aannemen dat het hunebed er al wat langer had gelegen. Toch vreemd, want wie zet er nou een boerderij neer, nog geen meter van zo’n beeldbepalend stukje erfgoed? Het eindpunt van de dag was Zuidlaren. Veel Drentse dorpen hebben een mooie “brink” een rond stuk grasveld in het centrum, omgeven door hoge bomen en meestal een kerk. Maar in Zuidlaren vonden ze het nodig om de bomen aan twee kanten weg te kappen, een groot deel van het gras te asfalteren, en zodoende is de brink eigenlijk niet meer dan een lelijk parkeerterrein. We blijven er dan ook niet lang, ook al omdat we daar meteen de bus naar Assen konden pakken, waar de trein naar Amsterdam al klaar stond. De foto’s van deze etappe staan op:
Het leuke van het als pensionado lopen van het Pieterpad, is dat je dagen uit kunt kiezen, waarop het mooi weer is. Want tenslotte ben ik een mooi-weer loper. En na weer een paar sombere weken zouden er ineens twee dagen komen met redelijk zonnig en in elk geval droog weer. Hoog tijd dus om het Pieterpad te vervolgen vanaf waar ik in januari was opgehouden. Dus is – ditmaal samen met mede-pensionado René – een B&B geboekt en zijn die twee dagen ingepland voor een vervolg van het Pieterpad vanaf Groningen. Alleen was de zon op de laatste dag voor de geplande wandeling al uit het weerbericht geschrapt en bovendien zou er op het eind van de eerste middag toch een mogelijkheid zijn van lichte regen. Maar we zouden ruim voor de regen aankomen in het geboekte B&B, zo was de inschatting. In de trein naar Groningen was er dan ook nog niks aan de hand, want de buienradar voorzag in de verste verte geen regen.
Maar al op het station van Groningen werden we verwelkomd door een heel lichte vettige motregen, een soort regen die bij nader inzien op de buienradar onzichtbaar bleek, maar waarvan je toch goed nat kunt worden. Maar na koffie en gebak in de fraaiste stationsrestauratie van Nederland werd het droog en konden we alsnog van start. Het eerste stuk van de route was helemaal in overeenstemming met het sombere weer: een rommelig en moerassig gebied. Met boten langs het water, waar al jaren niemand meer leek te zijn geweest.
Maar eenmaal uit de stad werd de route wat meer aangeharkt, met aan de ene kant een bij mooi weer ongetwijfeld fraai uitzicht over het Paterwolderse meer en aan de andere kant de villawijken van Haren, waar het meer gearriveerde deel van Groningen woont. Alles opgeleukt met sneeuwklokjes en krokussen, ten teken dat het voorjaar nu toch echt in aantocht is. Het laatste stuk naar Glimmen moest alleen weer in de regen worden afgelegd, die toch wat vroeger was gekomen dan voorspeld. Maar eenmaal in Glimmen kon, ondanks het wat mindere weer, worden geconcludeerd dat je eigenlijk ook bij minder mooi weer toch een heel leuke middag kunt hebben. De gemaakte fotoserie staat op:
Vandaag, 1 februari, woon ik precies dertig jaar in de Plantagebuurt. Nog nooit heb ik ergens zó lang gewoond. Op die vroege mistige dinsdagochtend 1 februari 1994 kreeg ik onder toeziend oog van de notaris de sleutels en mocht ik het er vanaf dat moment allemaal zelf uitzoeken. Want er was binnen nog wel een hoop werk te verrichten en met een aannemer had ik een strakke planning gemaakt, die niet mocht mislukken, want op 1 maart moest ik mijn toenmalige woning in Delft opleveren. Het was die maand veel van hot naar her rijden en in de eerste week werd ik meteen al pijnlijk geconfronteerd met hoe het in de grote stad werkte. Mijn auto was ergens weggesleept en ik mocht met een taxi naar een ver industrieterrein om tegen een erg onaangenaam bedrag de auto weer terug te krijgen. Maar met vallen en opstaan is de planning gelukt en kon ik op 27 februari de laatste spullen uit Delft weghalen en woonde ik er écht.
Natuurlijk waren er tegenwerpingen tegen het wonen in ‘de grote stad’. De bekende clichés: “niemand kent elkaar, het is er anoniem, het is druk, er loopt een hoop geboefte rond en je wilt er dus eigenlijk nog niet dood worden gevonden”. En op een dorp, waar ik zelf ook aangenaam ben opgegroeid, is er tenminste nog het ‘naoberschap‘, waar mensen naar elkaar omkijken en voor elkaar zorgen. Maar als je ergens lang woont, wordt zelfs in de stad je eigen woonomgeving vanzelf een dorp, met alle voordelen die een dorp ontegenzeggelijk heeft. Ik voel me er na dertig jaar dan ook goed geworteld in een mooie doorleefde buurt, in een prettig gebouw waar mensen ook naar elkaar omkijken. En dichtbij aan de oostelijke kant van, maar nét niet ín het drukke centrum. Natuurlijk moest ik even stilstaan bij de afgelopen dertig jaar en vond een aanleiding om op deze zonnige eerste februari nog maar eens vast te leggen hoe de buurt er nu uitziet en wat er allemaal is te zien binnen pakweg 500 meter van mijn woning. De Plantagebuurt anno nú op:
Museum Voorlinden in Wassenaar: een nog niet zo heel lang bestaand museum voor moderne kunst op een prachtige locatie en dan ook nog eens met een bijzondere expositie. René had er het al verschillende keren over gehad, dus verzin dan nog maar eens een excuus om er niet heen te gaan. Dat excuus was er niet, dus we gingen. Het museum ligt op het landgoed Voorlinden in Wassenaar met een expositie van Anselm Kiefer. Een Duitse kunstenaar, die met onconventionele technieken op grote schaal werkt. Gaat niet zachtzinnig te werk, valt zijn kunstwerken met gereedschap aan, steekt ze in brand, voegt er materialen, zoals verf, stro, bakstenen, metalen en andere zware objecten aan toe. Resulterend in soms driedimensionale werken van vele vierkante meters die een hele wand beslaan.
Voorlinden is daarvoor een heel geschikte locatie en alleen al het transport naar het museum moet de nodige hoofdbrekens hebben gekost. Indrukwekkend en vooral indringend, maar er is een prachtige zaal, waar je met uitzicht over het landgoed bij klassieke muziek samen met de andere 65-plussers rustig kunt bijkomen van dat artistieke geweld. En waar je je – op weg naar de uitgang – kunt voorbereiden op nog andere suggestieve ‘belevingskunstwerken’, die speciaal voor dit zijn museum gemaakt. Een indruk wat er te zien was staat op bijgaande fotoserie. Maar nog beter is zelf te gaan. Kan nog tot en met 25 februari. Anders kijk dan toch maar op: