In tegenstelling tot Los Angeles is San Diego echt een stad waar je een beetje leuk zou kunnen wonen. Hoewel de stad niet voorkomt in het rijtje van zogenaamd leefbare steden in de VS. Dat rijtje is sowieso niet al te groot, maar San Diego mag er wat mij betreft ook op. Het is vanaf Los Angeles een kleine twee uur rijden naar het zuiden, en de stad ligt dicht tegen de Mexicaanse grens. Alleen al de ligging is prachtig: aan de oceaan, deels gebouwd op schiereilanden en schitterende brede stranden. Met een mooie down-town aan de haven en ook daar wordt aangenaam gewoond. Aan de haven historische schepen waaronder het enorme vliegdekschip, eigenlijk een varend vliegveld, dat in 1942 deelnam aan de slag bij Midway tegen Japan. De stad heeft een heerlijk klimaat, maar minpuntje voor strandliefhebbers is hier dat het zeewater zelfs in hartje zomer te koud is om er een beetje prettig te water te gaan. Een ander minpuntje is dat – terwijl we hadden gerekend op redelijk warm weer – het hier voor de tijd van het jaar behoorlijk koud is. Hooguit 12 graden overdag, ondanks de zon, maar met een koude wind van zee.
Maar verder kon ik geen minpuntjes meer bedenken. Vergeleken met Los Angeles is het een veel kleinere en rustigere stad met veel ruimte. Met drie universiteiten, en dat dat zie je eigenlijk meteen aan zo’n stad. Mooie architectuur, overal kleine cafeetjes, eethuisjes en andere dingen die het leven aangenaam maken. Drie dagen uitgebreid door de stad en langs de kust geslenterd. Op de laatste dag nog naar de enorm grote dierentuin, schitterend aangelegd, maar na vier en een half uur was het daar onderhand wel genoeg, hoewel we nog niet eens alles hadden gezien. Er is een uitgebreide fotoserie van de stad gemaakt, wat groter dan gewoonlijk. Maar de stad had dat wel verdiend, vond ik. Even doorbijten dus op:
Slechts een heel klein deel van de oppervlakte in Los Angeles is hoogbouw. Dat is dus wat hier down-town heet. Het is vooral een zakelijk district en er wordt relatief beperkt gewoond. Het is meteen het centrum van het metro-netwerk dat Los Angeles toch blijkt te hebben. Alleen wordt het nauwelijks gebruikt. Want je kan wel een metrolijn aanleggen, maar als dan nog steeds heel weinig mensen op loopafstand van een station wonen, heb je er niet zo veel aan. Bovendien is het imago van openbaar vervoer hier heel anders. Openbaar vervoer is iets voor de minder welgestelden, en als het niet echt nodig is ga je daar dan ook niet in zitten in een land waar je status mede afhangt van wat er in je portemonnee zit. Kortom, de auto is hier de baas. En omdat je de ruimtelijke ordening niet zo snel kunt veranderen, zal dat ook nog wel een tijdje zo blijven.
Op het eerste gezicht en van veraf ziet down-town eruit als een kluitje compacte wolkenkrabbers. Maar als je er eenmaal bent, blijkt er nog veel en zelfs braakliggende ruimte tussen de hoogbouw te zijn. En waaraan is te zien dat het ooit een ouder, en misschien wel meer leefbaar centrum is geweest. Want al met al maakt dit stadsdeel nu een tamelijk rommelige indruk Maar ook kan je zien dat ze er wel wat van proberen te maken. Op de oudere gevels is er dan ook de nodige street-art te zien in een poging om het graffiti-geklieder naar een wat hoger niveau te brengen. Verder blijkt het trouwens niet alleen een zakelijk, maar ook een cultureel centrum te zijn. Hier staat inmiddels een state-of-the-art concerthal en ernaast een fraai museum voor moderne kunst, waar we anderhalf uur doorbrengen. En tenslotte zie je hier en daar nieuwere appartementencomplexen verrijzen, kennelijk in een poging het wonen, werken en culturele leven weer wat samen te brengen. Down-town L.A. staat op:
Terwijl Long Beach bepaald niet meetelt in de top-10 van de mooiste stranden, zou dat zeker wel kunnen gelden voor het strand van Venice, een van de andere stadsdelen van Los Angeles. Venice dankt zelfs zijn reputatie aan zijn strand. Maar minder bekend zijn daar de kanalen, die rechtstreeks geïnspireerd lijken door zijn Italiaanse naamgenoot. Je kan er heel deftig wonen, en de stadsvilla’s zijn onderling verbonden door voetpaden en kleine Rialto-bruggetjes. Voor auto’s is er alleen geen plaats. Een behoorlijk minpuntje, want zonder auto begin je in Los Angeles niks. De bewoners lijken zich daar te verplaatsen ofwel te voet ofwel met kleine bootjes. Allemaal zoals in de Italiaanse naamgenoot.
Maar Venice is met name bekend om Venice Beach. Daar is het vooral “zien en gezien worden”. De fitness cultuur lijkt hier uitgevonden, en de bedoeling is dat je hier niet alleen je lijf goed onderhoudt, maar dat je dat vooral ook aan anderen laat zien. Een bepaalde strook heet zelfs ‘Muscle Beach’. Hier hangt vooral hip volk rond, dat heen en weer jogt, skateboardt, aan fitnessapparaten hangt en elkaar de maat neemt over lijf en outfit. Verder is Venice Beach de thuisbasis van kunstenaars, muzikanten en uitbaters van allerlei alternatieve winkeltjes en marktkraampjes. Alles in een omgeving met bont gekleurde huizen, fraai afstekend tegen de blauwe lucht. De schoonheidscommissie zal hier vermoedelijk wel even de andere kant op hebben gekeken.
We wandelen vanaf de Venetiaanse kanalen heen en weer over de boulevard van Venice naar Santa Monica, zo’n vijf kilometer verderop, met de pier als eindpunt. Onderhand een overbevolkte kermis geworden met alles wat daar aan smakeloosheid bij hoort. Maar goed, over smaak valt niet te twisten en over het gebrek eraan al helemaal niet. In al die drukte zou je bijna een bordje over het hoofd zien dat aangeeft dat Santa Monica wél even het eindpunt is van de legendarische, maar helaas historische, Route-66. De indruk van de dag staat op:
Woensdag was de eerste dag van onze reis door de VS. Vliegen naar Los Angeles, daar een huurauto oppakken en begin april vanaf San Francisco weer terug. De vliegreis naar Los Angeles was (te) lang. Het eerste halfuurtje is nog wel leuk: opstijgen, bij het mooie weer wat aardrijkskunde van Nederland opfrissen, maar dan begint het grote wachten van bijna elf uur. Ook het laatste halfuurtje is nog wel de moeite. Mooi over besneeuwde bergen komen aanvliegen, dan over de onafzienbare bebouwde laagvlakte van Los Angeles met in de verte alleen een klein stukje hoogbouw, dat ze hier down-town noemen. En woensdagavond, bijna middernacht (NL-tijd) geland in Los Angeles. Met negen uur tijdverschil betekende dat dus niet lekker gaan slapen, maar nog bijna een halve dag voor de boeg. Waarin je ook nog eens van alles moet doen. Zoals het hele proces van paspoortcontrole, bagage, shuttle bus naar de autohuur, en drie uur na de landing zit je dan in de auto. Marcel riep dat hij er zich weer helemaal thuis voelde. Dan nog drie kwartier over allerlei freeways naar onze bestemming in Long Beach. De allerlaatste krachtsinspanning was nog het bezoekje aan een supermarkt, maar toen was de zon in Nederland al weer op en konden wij – na nog wel een heerlijk biertje – gaan slapen.
Hier in ons verblijf gaat alles vanzelf en lichamelijke inspanning is niet nodig. Er zit ergens in huis een onzichtbaar digitaal google-wondertje, dat Alexa heet. Je roept tegen Alexa dat bepaalde lampen aan of uit moeten en het gebeurt. En zo ook voor allerlei andere activiteiten in huis zodat je je luie stoel niet meer uit hoeft. Om er een beetje in te komen gaan we toch maar voor wat lichaamsbeweging en bezoeken we – ondanks de forse jet-lag – het ‘Long Beach Aquarium’. Toeristische attracties zijn hier vaak themaparken en zo ook dit aquarium. We kwamen trouwens niet alleen voor het aquarium, maar eigenlijk ook voor een wandelingetje langs de kust.
Naast de uitbundige onderwaterwereld die er is te zien, is er ook de nodige aandacht voor de klimaatverandering. Dat de Verenigde Staten per hoofd van bevolking voor wat betreft de invloed op het klimaat de hoogste foot print heeft wordt hier grif toegegeven. Alles heel inzichtelijk in beeld gebracht en voor iedereen te snappen, lijkt me zo. Ze doen in elk geval aan bewustwording. Daar begint het eigenlijk altijd mee. Nu nog ernaar handelen. Maar zo te zien gaat dat nog wel even duren. Maar ja, zelf zijn we ook hierheen gevlogen. Het wandelingetje langs de kust was niet super-bijzonder. Het liep langs een jachthaven, verderop een autoweg, wat hoogbouw en uiteindelijk een stuk tamelijk troosteloos strand. Daar zul je mij in de zomer dus niet vinden. Maar het was wel een mooi acclimatisatie wandelingetje. Alles in beeld gebracht op:
De ineens prachtige zonnige dag leende zich voor iets wat ik al een tijdje van plan was: een bezoekje aan het Amstelkwartier. Vijf jaar geleden heb ik er ook al eens rondgelopen, maar toen was het nog een woonwijk in wording. Nu zijn delen ervan nog steeds in wording, maar andere delen zijn nu wel zo’n beetje af. Daar kwam bij dat vrienden van me er recent hun intrek hebben genomen. Op de 13e verdieping nog wel, en dat was dan ook een mooie extra aanleiding voor het bezoekje. Want wanneer krijg je nou eenmaal de gelegenheid om de stad te bekijken anders dan vanaf het maaiveld? Van boven ziet de stad er weer heel anders uit en blijken gebouwen ineens heel ergens anders te staan dan waar je dacht dat ze stonden.
Ze zijn er inderdaad nog niet uitgebouwd, want van het naburige toekomstige ‘Bajeskwartier’ ligt er alleen nog maar de bouwput. Met nog wat restanten van de vroegere ‘Bijlmerbajes’, die als erfgoed vast wel een plekje gaan krijgen. Ook de doorgaande weg langs de wijk is nog niet af. De aanlag van zoiets schijnt altijd lang te moeten duren. Maar over drie maanden ligt er dan ook een weg met fraaie beplanting in de middenberm. En ook aan de kant van de Amstel gaat het erg fraai worden. Dat is het eigenlijk nu ook al. Voor fietsers is het de mooiste uitvalsweg naar Ouderkerk. Hier is de Amstel op zijn breedst, en er is inmiddels een mooie boulevard langs de rivier, waar je lekker kunt zitten, wandelen of zelfs kunt rennen. Een indruk van deze wijk vanaf hoogte én vanaf het maaiveld, zie:
Het rondje Oosterdok: zelfs als je maar een half uurtje hebt, kan je vanuit huis dat hele rondje afwandelen. Behalve natuurlijk als je een camera bij je hebt, dan kan het wat langer duren. Want het dok is een leuke mix van water, boten, twee musea met zicht op het Centraal Station en de gevels op de Prins Hendrikkade. En, ook al heb ik het rondje al ontelbare keren gemaakt, er is altijd wel wat te zien. Zelfs dingen die er altijd al waren en die me nog niet eerder waren opgevallen. En natuurlijk ook weer nieuwe dingen. Zoals de glanzende hoofdzetel van Booking.com. Volgens mij is het nu wel zo’n beetje af. Ze hebben er twee jaar langer over gedaan dan ooit de bedoeling was. Vooral de oostgevel is een ingewikkelde constructie geworden, die best wat hoofdbrekens zal hebben gekost.
Al met al is het een glazen kolos geworden waar de meningen, zoals in Amsterdam gebruikelijk, wel weer over zullen verschillen. Maar erger dan vroeger kan het eigenlijk niet. Want ooit stond daar het volstrekt gedateerde en fantasieloze hoofdpostkantoor. Daarna was het jarenlang een groot braakliggend terrein en nu dus dit. Daarmee is nu eigenlijk ook de hele noordkant van het dok af met onder meer het conservatorium, de bibliotheek, wat winkels, een hotel plus nog wat onbetaalbare appartementen. Nu alleen nog de bestrating eromheen en dan kan je – net zoals lang geleden – weer een beetje netjes om het gebouw heen onder het spoor door lopen of fietsen. De impressie van het Oosterdok staat op:
Artis ligt bij ons om de hoek, we hadden er een abonnement en we kwamen er dan ook geregeld. Toch maakte ik elke keer weer de vergelijking met de eindeloze tropische habitat waar veel van die dieren vandaan komen en de beperkte ruimte hier waarin – bijvoorbeeld – de leeuwen hun ontelbare rondjes draaien. En dan heb ik het nog niet eens over het verschil in temperatuur tussen hun oorspronkelijke natuurlijke omgeving en de winterkou hier. Daar staat natuurlijk tegenover dat de leeuwen hier elke dag op vaste tijden hun biefstukken krijgen aangereikt. Kom daar maar eens om in die tropische habitat, waar het elke dag weer een strijd is om te overleven.
Maar we hebben ons abonnement opgezegd en zijn er nu al weer twee jaar niet meer geweest. Niet dat het opzeggen van ons abonnement nou meteen te maken had met dat gebrek aan dierenwelzijn. Het was meer dat we er eigenlijk toch al te weinig kwamen. Maar René is Artis wat meer trouw gebleven en met hem kon ik woensdag meeliften op nog maar eens een wandeling er doorheen. In die twee jaar is er toch wel het een en ander veranderd. Misschien worstelt ook Artis met zijn identiteit en met de vraag wat het over tien jaar wil zijn. Overal wordt gewerkt aan de bouw van grotere dierenverblijven en dus meer vierkante meters leefruimte. Verder is er naar mijn idee een verschuiving op gang van fauna naar flora en gaat het richting stadstuin. Of misschien wel richting speeltuin, want ineens staat er een heuse draaimolen. We zullen zien hoe het verder gaat. Zoals het er nu uitziet staat op:
De bedoeling was een bezoekje aan het Stedelijk Museum. We zouden erheen wandelen, maar dan weet je onderhand precies hoe dat gaat. Onderweg blijven hangen bij datgene wat zich ook voordoet. En dat was deze keer een foto-expositie van Samuel Fosso uit Kameroen in Huis Marseille aan de Keizersgracht. Daarna was het al te laat en bovendien te koud, te donker en te winderig om nog helemaal naar het Museumplein te lopen. Dat museum loopt niet weg, en dat kan dus ook een andere keer. Onderweg terug kwamen we – ook al toevallig – terecht in de nieuwe fietsenstalling voor het Centraal Station, die net een paar dagen open was. En die het publiek al heeft gevonden, zo bleek. Helemaal weggewerkt onder het water, mooi toegankelijk vanaf de stationshal en vanaf de Prins Hendrikkade. Alles is daar digitaal en je komt er binnen met je OV-chipkaart, die precies weet hoe lang je er hebt gestaan. Verder een hele afdeling OV-fietsen voor bezoekers zonder fiets.
Het interieur van de stalling is (nu nog) brandschoon en opgeleukt met verlichte stadsplattegronden aan de wanden. Die zijn – als je goed kijkt – opgebouwd uit piepkleine zwart-wit fotootjes. Al met al een aanwinst voor de stad, lijkt me, en hopelijk komt er nu ook een einde aan de fietsenchaos. En aan die afgrijselijke fietsflat voor het Ibis-hotel. Maar dat weet je pas zeker als hij echt weg is. Want in Amsterdam is er altijd bezwaar als er iets weg moet. Want als het er een tijd heeft gestaan is het zogenaamd erfgoed geworden en mag het – hoe lelijk ook – niet meer weg. Voor de nieuwe stalling en alles wat zich onderweg nog meer voordeed, zie:
Deze week (op 1 februari) is het precies 29 jaar geleden dat ik de sleutel kreeg van de woning waar ik nu nog steeds met plezier woon. Ik ben zeer gehecht aan het stekkie en ben inmiddels helemaal vergroeid met de buurt. Een fraaie, groene en rustige buurt, toch dicht bij het centrum, en veel highlights van de stad liggen op loopafstand. Niet dat ik daar nou dagelijks kom, maar het geeft toch het idee dat je er makkelijk heen kunt als je dat ineens zou willen. Waar ik wél dagelijks kwam, was mijn werkplek. Die lag ook op loopafstand. Ik beschouwde dat als een groot voorrecht, want half Nederland staat dagelijks in lange files of verkleumd op winderige treinstations. Tien jaar lang heb ik zelf ook dagelijks op en neer gependeld naar Den Haag. In de eerste jaren met de auto, later met de trein, met elk zijn voor- en nadelen, waarvan ik vooral de nadelen maar al te goed heb leren kennen. De werkplek was onderdeel van het veel grotere universiteitscomplex. Na mijn pensionering in 2014 is dat complex grondig gerenoveerd en heb ik – wat betreft werk – al vrij snel alles uit mijn handen laten vallen. Sindsdien ben ik er nauwelijks meer geweest. Tot donderdag, toen ik een ommetje door de buurt maakte en me nog maar eens realiseerde wat er allemaal binnen de kilometer van mijn woonstek te zien was. Die vierkante kilometer is samengevat op:
Drie jaar is er aan gewerkt: de nieuwe fietsenstalling aan de voorkant van het Centraal Station. Een hele tijd hebben we daar in een groot diep gat gekeken. Totdat het werd afgedekt met beton en ze het resterende gat hebben laten vollopen met water. Nu zie je er niks meer van, behalve dan de helling waarover je straks met je fiets naar de kelder onder het water kunt om er je fiets te stallen. Een hele vooruitgang, want in Amsterdam was het zo langzamerhand moeilijker om je fiets te parkeren dan je auto. Volgende week gaat de stalling echt open en dan kan eindelijk die lelijke ‘fietsflat’ weg. Hoewel je dat pas zeker weet als dat ding écht weg is. Voor sommigen was die flat inmiddels een icoon geworden, maar voor anderen al jarenlang een doorn in het oog. Hoe dan ook, het Ibis-hotel gaat helemaal zichtbaar worden, hoewel je je kunt afvragen of dát nou een nieuw icoon moet gaat worden.
De fietsenstalling was trouwens niet het hoofddoel van het wandelingetje op die zonnige woensdag. Dat was de Oude Kerk, in het hart van het Red Light District. Een groter contrast is haast niet denkbaar. Een fraaie kerk, met mooie houten plafonds, prachtige gebrandschilderde ramen en de vloer over een grote oppervlakte bedekt met grafplaten. Kunstenaars uit Ghana hadden afgietsels gemaakt van onder meer enkele grafmonumenten. Zoals dat van Saskia van Uylenburg, de vrouw van Rembrandt. En afgietsels van vleermuizen, die bij bosjes aan het plafond waren opgehangen. Voor de fietsenstalling, de Oude Kerk en alles wat we zoal onderweg nog meer aan onverwachte dingen tegenkwamen, zie: