Het Eemland: je komt er ontelbare keren langs als je over de A-1 richting Amersfoort of verder rijdt. Maar je kan ook bij Baarn van de snelweg af en dan linksaf. Je komt dan in een stuk land, dat haast niet platter en vlakker kan. Nagenoeg geen bomen en evenmin boerderijen, laat staan echte huizen. Onafzienbaar weideveld, hier en daar doorsneden door kleine beekjes en door de hoofdvaarweg: de Eem. Het doel van de dag was Spakenburg, van oudsher een vissersdorp, totdat de aanleg van de Afsluitdijk daar alles veranderde.
Toch doen ze er nog altijd aan visverwerking en -handel, maar je kan je afvragen waar die vis vandaan komt. Spakenburg ligt in het hart van de bible-belt. Dat betekent veel kerkbezoek, maar ook een corona-hotspot, en een drank- en drugsprobleem bij de lokale jeugd. Verder is homoseksualiteit nog taboe en zo’n tien jaar geleden was er nog wat gedoe over een viertal ambtenaren die het vanwege hun geloof niet over hun hart konden krijgen om twee mannen in de echt te verbinden. Maar dat alles nam niet weg dat het er alleszins fraai en fotogeniek uitzag. Maar even lekker ergens koffiedrinken, een genoegen uit een ver verleden, was er natuurlijk niet bij. Maar wel een heerlijk broodje makreel, hoewel we door de verkoopster streng werden toegesproken en we het pand onmiddellijk na de bestelling, en natuurlijk ook na de betaling, moesten verlaten. De makreel werd op een tafeltje buiten gedeponeerd en we mochten het, pas nadat ze weer naar binnen was verdwenen, daar oppakken en op gepaste afstand van het pand oppeuzelen. Alles went, zullen we maar zeggen.
De terugweg ging via de overkant, over Zuidelijk Flevoland langs het Randmeer. Een bosrijk gebied met een uitzicht over het water en vooral op de prachtig ondergaande zon, die we vanaf een aldaar aangelegd strand bekeken en probeerden te fotograferen. Dat stuk strand bleek het lokale naaktstrand te zijn, hoewel je daar in december alleen niet zoveel van merkt. Maar wel weer meteen heel wat anders dan Spakenburg dus, vooral in de zomer, zo stelden we ons voor. De fotoserie staat op:
Voor het eerst in máánden weer eens in een trein gezeten. Die heb ik – met beelden in mijn achterhoofd van volgepakte treinen – altijd gemeden. Woensdag was er – buiten de spits en in de eerste klas – niets van dat alles. In mijn eentje in een vrijwel lege coupé. Reisdoel was Emmen, waar mijn iets jongere broer Louis woont. In Barger-Compascuum, om precies te zijn. Behalve dat het altijd leuk is om weer eens de familiebanden aan te halen, beschouw ik zo’n uitje ook altijd als een mini-vakantietripje. En in die regio is iets bijzonders aan de hand. Tenminste in de ogen van een randstedelijke stadsbewoner, die uit de kranten hooguit wat abstracties meekrijgt van stikstofproblematiek, biodiversiteit en al datgene wat eraan gedaan wordt of kan worden. Want dáár, in het Bargerveen, zie je het zich voor je eigen ogen voltrekken.
Het is het gebied van de veenkoloniën. Van oudsher een drassig veenland en de Hondsrug was een barrière die het gebied tegen verdroging beschermde. Totdat, door de aanleg van kanalen, het gebied geleidelijk leegliep en verdroogde. Het was de tijd van het turfsteken en later ook van de kleinschalige landbouw. Voor dat soort landbouw bleef het gebied nog nat genoeg. En ook droog genoeg, zodat de landbouwmachines niet in de grond zakten. Maar de landbouw is – om het hoofd boven water te kunnen houden – steeds grootschaliger geworden met navenant grotere machines die drogere grond nodig hebben om niet in de grond te zakken. Het bracht ook met zich mee dat, mede door het gebruik van allerlei ‘gewasbeschermingsmiddelen’, de biodiversiteit flink is afgenomen. En dat de productie van stikstof is toegenomen is mooi te zien aan de dampende mesthopen, die je her en der langs de weg ziet.
Maar nu keert het tij en probeert men met behulp van Europees geld het hoogveengebied te herstellen door op die stukken het waterpeil met behulp van ‘leemkades’ weer hoog te houden. En in andere gebieden juist wat lager om toch nog wat ruimte te houden voor de landbouw. Dat sommige boomsoorten in het herstelde hoogveen met het wat hogere water het loodje leggen nemen ze dan maar op de koop toe. De herinnering aan vervlogen tijden houden ze er levend door her en der wat erfgoed achter te laten. Je zou het nóg beter met je eigen ogen hebben kunnen zien als het weer een beetje had meegewerkt. Zo’n grijze sombere decemberdag, wanneer het om vier uur al bijna donker is, geeft wel een bijzondere sfeer, maar het nemen van foto’s is dan een wat grotere uitdaging. Het resultaat van die poging staat op:
Ik kan me nog vaag de tijden rond 1960 herinneren dat auto’s nog iets bijzonders waren. En dat mensen die al een auto hadden ook wel eens een stukje gingen ‘uit rijden’. Die tijden zijn beslist voorbij, maar ik heb het gevoel dat ik de laatste tijd wat terugval naar die vroegere gewoonte. De coronatijd heeft me daartoe aangezet. In de stad heb ik niet veel te zoeken, zeker sinds Amsterdam een tijdje geleden voor wat betreft corona een echte hot-spot was. Ook maak ik nog zelden gebruik van het openbaar vervoer, dus dan is de auto eigenlijk wel ideaal. Als je er tenminste even iets verder uit wilt en geen zin hebt om bij dat koude weer ook nog een heel stuk te fietsen.
Een tochtje naar ‘het andere Noord-Holland’ bijvoorbeeld. Want onze provincie heeft twee gezichten: enerzijds het bruisende Amsterdam, dat nu even wat minder bruist, en anderzijds het rustieke middelste deel van de provincie, vanaf de Zaanstreek met zijn fraai industrieel erfgoed via Wormerland naar de oude Schermer- en Beemsterpolder. Amper dertig kilometer van huis en je bent in een andere wereld, waar de tijd stil heeft gestaan. Zou je denken, maar als je goed kijkt, staan hier toch ook wel wat opgeknapte huisjes en boerderijtjes en het zou me niks verbazen als daar de rustzoekende stedelingen ook zijn neergestreken. Maar het moet gezegd: het is er niet bruisend en ze hebben goed hun best gedaan om het te laten lijken op het aanzicht uit de periode dat de tijd nog stil stond. De foto’s staan op:
Ineens werd het prachtig weer, zo langzamerhand een uitzondering rond half november. Daarom dus maar weer eens een fietstochtje met René gemaakt. Want het zou zomaar de laatste gelegenheid van het jaar kunnen zijn, voordat de donkere en grijze dagen beginnen. Deze keer zou het naar Durgerdam en Ilpendam gaan. Maar ook vandaag is dat einddoel weer niet gehaald. Want we gingen niet alleen bij elk kruispunt van de fiets af om er rond te kijken en foto’s te nemen, maar ook elke keer weer namen we een nieuwe beslissing over de te volgen route. En zo waren we ineens in het Flevopark en op de Nescio-fietsbrug over het Amsterdam-Rijnkanaal. En als je daar toch eenmaal bent, wat ligt er dan meer voor de hand om dan ook maar even door te gaan naar IJburg, de nieuwe woonwijk van Amsterdam? Daar waren we al eens eerder, maar die excursie is toen niet helemaal afgemaakt, dus dat zou dan mooi vandaag kunnen.
Na de crisis van 2008 is de bouw daar een tijdje stil komen te liggen, maar inmiddels wordt aan de noordoostkant van IJburg weer een heel nieuw stuk land opgespoten en her en der komen er huizen in alle soorten en maten. Geen grote wooncomplexen, maar zomaar was losse huizen in het zand. Hier en daar zelfs al bewoond, terwijl er nog geen behoorlijke bestrating ligt. Je zult er over een aantal jaren best fraai kunnen wonen, dicht aan het water en het opgespoten strand, maar ik moet nog zien of de binding met Amsterdam daar nog sterk is of ooit sterk gaat worden. Of dat het – zoals het zo vaak gaat – weer de zoveelste slaapstad wordt. Maar voor liefhebbers van woon-architectuur is er weer veel te zien.
Héél erg fraai was nog wel de zonsondergang die we op de Schellingwouderbrug cadeau kregen. In toeristencentra heb je ook zonsondergangen. Die worden daar dan in de folders aangeprezen, maar als je daar dan komt zit je met tientallen andere mensen bij een glaasje witte wijn romantisch te doen. Maar deze wás er ineens, terwijl we – zonder witte wijn – met straffe tegenwind de brug op reden. Die hadden we dus niet gezien als we naar Ilpendam zouden zijn gegaan. Ilpendam doen we dan maar een andere keer. De foto’s van déze excursie staan op:
Ik betrapte me erop dat ik al een hele tijd niet meer in de binnenstad was geweest. Door corona en door het feit dat Amsterdam daarvan een tijdje ook een hot-spot was (en eigenlijk nog steeds is), heb ik de binnenstad gemeden. Wat ik de laatste tijd van de stad zie is ons eigen stadsdeel, buiten het echte centrum, op de middagpauze-wandelingetjes die ik met Marcel maak. Het leven heeft dus wel een heel andere wending gekregen, maar ik begin er toch ook wel aan te wennen. Ik heb ontdekt dat een lege agenda ook zijn voordelen heeft, waardoor je elke dag weer de vrijheid hebt om je eigen tijd in te delen en te doen wat het moment je ingeeft.
Een wandeling door de binnenstad bijvoorbeeld, waar ik dus al een hele tijd niet meer was geweest. De stad ligt er stil bij en is zich eigenlijk opnieuw aan het uitvinden. De winkels hebben nauwelijks klandizie en het personeel zit doelloos voor zich uit te staren of zitten hooguit met hun mobieltje te spelen. De horeca is dicht en men probeert het hoofd boven water te houden door eten en drinken aan te bieden dat je buiten op de stoep tot je kunt nemen. Toeristen zijn er niet en de rondvaartboten liggen dus doelloos aangemeerd bij het Centraal Station.
Helemaal stil is het er toch niet. De markten zijn er nog en ook het werk aan de kademuren, die op instorten staan, gaat stug door. Bij het Centraal Station is ineens een enorme bouwput gekomen, waar in de komende jaren een grote fietsenstalling gaat komen. Dat werd tijd, want soms is het nog moeilijker om in de stad je fiets te parkeren dan je auto. En aan de opgestapelde fietsen bij het Centraal Station te zien, zijn er toch ook nog wel mensen die met de trein gaan, hetzij naar het werk, hetzij naar een ander noodzakelijk geacht doel. De échte doorzetters waren nog wel de zangers die bij het station onvermoeibaar de blijde boodschap verkondigden met de hoop op betere tijden. Het tijdsbeeld is vastgelegd op:
De Lek: eigenlijk een zijrivier van de Rijn, want de grootste watermassa’s worden vanaf de Rijn verder via de Waal richting zee afgevoerd. Op de Waal vind je dan ook de grootste binnenschepen. Maar de Lek is toch breed en diep genoeg om nog een beetje mee te tellen in het Nederlandse rivierenlandschap. In mijn werkzame leven was een van mijn eerste baantjes na de universiteit om me met de binnenscheepvaart in Nederland te bemoeien. Ik wist alles van sluizen, diepgangen, dientengevolge maximale beladingen en tonnages van schepen. Het tochtje langs de Lek op die zonnige novemberdag bracht dan ook herinneringen naar boven uit die tijd. Nu eens in het echt, want alle werkzaamheden destijds deed je natuurlijk vanachter je bureau.
Het tochtje begon in Lexmond, op de zuidoever, vlak onder Utrecht. Maar gaande naar het westen blijft de skyline van Utrecht en de hoge TV-toren bij Lopik voortdurend op de achtergrond zichtbaar. En de schepen, inderdaad wat kleiner dan wat er op de Waal allemaal voorbijkomt. In mijn werkzame tijd was er altijd de notie dat de Nederlandse rivieren sterk vervuild waren, maar nu niets meer van dat alles. Integendeel, helder water en hier en daar kleine zandstrandjes, waar in de zomer ongetwijfeld gerecreëerd wordt. De aanblik van het water zegt natuurlijk nog niks over de kwaliteit ervan, maar het oog wil ook wat.
Dit is ook het gebied waar we in het begin van de 80’er jaren met de fietsclub begonnen. Herinneringen komen dan naar boven van de fietstochten in het vroege, koude, natte en winderige voorjaar door de Zuid-Hollandse delta. Als training voor het echte werk in de Ardennen. Maar nu comfortabel in de auto en met piepkleine dorpjes langs de Lek, zoals Ameide, Tienhoven en Langerak krijgen we gaandeweg het idee in de bible belt te zijn beland. Het tochtje eindigde met uitzicht op de molens van Kinderdijk. Normaal overlopen door toeristenmassa’s, maar nu liggen ze er in de lock-down stil en vredig bij. Het fotoserietje dat is gemaakt staat op:
We hebben als ‘vriend van Artis’ een abonnement en af en toe lopen we er zomaar voor een wandelingetje naar binnen. Nu dus niet, want je moet vooraf online reserveren. En aangeven hoe laat je van plan bent te komen. Eerst dus een digitaal gedoe, want je moet natuurlijk dan eerst weer een account aanmaken. Inmiddels ben ik het overzicht kwijtgeraakt van alle accounts die ik in al die jaren heb aangemaakt, laat staan dat ik de paswoorden ervan nog weet. Hoe dan ook, na het nemen van die digitale hobbel konden we naar binnen. Gratis, dat dan weer wel, want daarvoor ben je tenslotte ‘een vriend’.
Nog nooit had ik het er zo rustig gezien. Geen wonder dus dat Artis het moeilijk heeft. Het aantal bezoekers is dit jaar meer dan gehalveerd. Er worden tientallen banen geschrapt, terwijl ze net van plan waren om de boel grondig te renoveren. Maar de geplande renovatie van het aquarium gaat voorlopig niet door en ook een nieuw verblijf voor de leeuwen is geschrapt. Wel was het een verademing om zo in alle rust een rondje door het park te maken. Want Artis is niet alleen een dierentuin maar profileert zich steeds nadrukkelijker als park. Het oudste van Amsterdam nog wel. De camera ging natuurlijk mee op het rondje en het resultaat staat op:
De Plantagebuurt: ik woon er nu al bijna 27 jaar. Inmiddels ben ik er helemaal mee vergroeid en geen haar op mijn hoofd denkt nog aan vertrekken. Nou zegt dat natuurlijk niks over de buurt, want de meeste Nederlanders vinden eigenlijk dat ze ideaal wonen, uitzonderingen daargelaten natuurlijk. Toch voldoet de buurt aan een aantal – wat mij betreft – belangrijke criteria. Rustig en toch dicht bij ‘de stad’, veel groen, omgeven door veel water, voldoende horeca en met een aantal markante punten, zoals Artis, het Scheepvaartmuseum, het Tropenmuseum, de Hollandse Schouwburg en het Oosterpark. De laatste tijd zie ik, mede door de ‘beperkte lockdown’, weer wat meer van de buurt.
Marcel werkt nu al zeven maanden thuis en is in al die tijd nog maar één keer op kantoor geweest. Hij maakt elke dag een middagpauze-wandeling en vaak ga ik dan mee. De buurt is eigenlijk ook met een pauze bezig. Je ziet weinig mensen op straat. De horeca is dicht en er is geen woon-werkverkeer. De aanblik van het ‘aquarium’ van ICT-gigant Oracle is daarvan een mooie illustratie: veel glas met allemaal onbemande bureau’s daarachter. Het werk aan de kademuren is ook gestaakt. Die staan – net als in de rest van de stad – ook hier op instorten. Ze hebben de boel nog wel gestut, dus je kan er weer veilig met de auto langs, maar verder herstel heeft hier nog geen prioriteit. Hoe de buurt erbij ligt op deze sombere herfstdagen is vastgelegd op:
Het doel was het sluizencomplex van IJmuiden. Daar zijn ze bezig om dat uit te bouwen tot het grootste sluizencomplex van de wereld, dus dat moest wel de moeite van een ritje erheen waard zijn. Vorig jaar waren we er ook al eens, maar toen hadden ze de route over het complex afgesloten, zodat we het ritje van donderdag als een herkansing zagen. Alleen was er nu nóg veel meer afgesloten. Het enige wat je goed kon zien waren de grote buizen, waarmee ze de verschillende waterniveaus een beetje in evenwicht kunnen houden. Verder nog een passerende olietanker met heel in de verte de bouwwerkzaamheden, waarvan ik eigenlijk het idee kreeg dat ze vergeleken met vorig jaar nog niet al te veel waren opgeschoten.
En dan natuurlijk de Hoogovens, tegenwoordig Tata Steel. Het zou me niks verbazen als dat bedrijf er over tien jaar niet meer is. Het kan financieel al niet meer uit, bovendien overtreden ze allerlei milieuregels en strooien regelmatig grafietregens over Wijk aan Zee uit. Maar hopelijk kunnen ze er nog een fraai museum van industrieel erfgoed van maken. Aan de overkant is het bedrijf goed te bezichtigen en heb je uitzicht over ongetwijfeld het allerlelijkste stukje Nederland. Maar in de ogen van een fotograaf kan lelijk ook heel mooi zijn. En dus tegelijkertijd ook een van de meest fotogenieke stukjes Nederland, althans in dat genre.
En wát een contrast met hetgeen je zag als je op datzelfde punt even de andere kant op keek. Tientallen kite-surfers, met hun kleurige zeilen fraai afstekend tegen de blauwe lucht. Die trokken zich niks aan van al dat lelijks. Niet ongevaarlijk, leek me zo, maar het ging allemaal goed. Ik had me nooit zo verdiept in wat daar allemaal bij komt kijken, maar hun uitrusting is bepaald meer dan zomaar een vlieger aan een touwtje oplaten, waarmee ik me in mijn jeugd ooit nog wel eens heb bezig gehouden. Een impressie van dat toch wel veelzijdige middagje IJmond staat op:
Donderdag met René weer eens een fietswandeltochtje gemaakt. Een erg leuk concept: fietsen en tegelijk wandelen dus. Elke honderd meter van de fiets af, omdat er iets bijzonders, interessants of fotogenieks te zien is. Kwestie van goed kijken. Zelfs als je een tijdje gewoon ergens zit, komen die dingen gewoon vanzelf voorbij. Je legt dus geen grote afstanden af. Dát is meer iets voor de fietsclub, waar ik ook lid van ben, en die houdt van doorfietsen. Als je dáár even van de fiets af gaat voor een foto, moet je meteen een groot gat dichtrijden. Het ging donderdag dus langzaam. Zelfs binnen de Ring zijn er in Amsterdam nog wel wat fotogenieke rafelrandjes te vinden. Even op de fiets met de pont naar de Meeuwenlaan en dan over de Nieuwendammerdijk naar Schellingwoude.
Meteen opende zich een wereld waar het stadse leven nog niet erg lijkt doorgedrongen. Het gebied ligt inderdaad nog binnen de Ring, dus je zou daar projectontwikkelaars verwachten die voor een interessant rendement azen op de laatste stukjes grond. Daar niets van dat alles. Wel braakliggend terrein met rommelige scheepswerfjes met voetveren om je van het ene naar het andere terrein te begeven. Dan de Ring onderdoor en je bent ineens niet alleen buiten de stad, maar zelfs buiten de Randstad na amper drie kilometer fietsen. Waterland, een laaggelegen poldergebied, drassig door de vele regen van de laatste tijd, wijde uitzichten, ophaalbruggetjes en fraai boerenland met de stedelijke hoogbouw als achtergrond. Ransdorp was het verste punt, piepklein dorpje met beschermd dorpsgezicht, een grote stompe kerktoren en met lichte houten huizen. Dat omdat zwaardere stenen huizen sneller in de slappe veengrond zouden zakken. Het foto-verslagje staat op: