Op zondagochtend toch nog even Ulm bekeken. Een echte Beierse stad met vakwerkhuizen, die je eigenlijk ook zou moeten zien vanaf de toren van de kathedraal en meteen de allerhoogste kerktoren ter wereld. Er was geen lift, dus het duurde dan ook even voordat we besloten hadden om die klim van 163 meter dan toch maar aan te vangen. Niks voor mensen met hoogtevrees, want op het laatst (en dus ook het hoogst) was er – met een vrij uitzicht naar buiten – nog een klein wenteltrapje, waar je elkaar nauwelijks kon passeren. Boven het uitzicht op de compacte binnenstad met rode daken en de Donau, die dwars door de stad loopt. Weer beneden was er op een pleintje een zondagochtendconcert. Eigenlijk was vooral de ambiance mooi. De muzikanten in Beierse kledij en zelfs het stemmig geklede keurige publiek tegen de achtergrond van klassiek beschilderde gevels. En dat bij het meest aangename weer dat je je kunt voorstellen.
In de middag via de Autobahn naar Cochem gereden, een paar honderd kilometer verder aan de Moezel. Cochem is de favoriete uithangplek van Nederlandse 70-plussers. We raken in gesprek met een Nederlandse man, die daags tevoren is aangekomen voor een veertiendaagse vakantie. Hier raken toch wel verschillende belevingswerelden elkaar, want ik kan me nog niet goed voorstellen hoe ik hier in ‘s- hemelsnaam twee weken zou kunnen doorbrengen. Maar één nachtje hier met een zomers biertje, lekker gutbürgerlich avondeten en een goed ontbijt is helemaal goed. Dinsdag dan de laatste etappe naar huis. Een bloedhete dag, met een voorspelling van 35 graden. Het eerste stuk meanderend langs de Moezel, met een koffiestop op een terrasje aan de rivier. De bedienende dame raakt helemaal ontregeld als we ons tafeltje een klein metertje verschuiven om niet in de brandende zon te hoeven zitten. Maar ja, dit is Duitsland. In Italië gaat dat heel anders. De lunch-tussenstop doen we in Bernkastel-Kues. Nog zo’n uithangplek voor pensionado’s, die in de hitte door de smalle straatjes met vooral souvenirwinkels sjokken. Ik ga toch nog maar eens nadenken wat mijn voorland eigenlijk moet zijn. In de middag via België en Maastricht naar huis. Mooie tiendaagse reis door het hart van het oude Europa en een prachtig toetje na de grote wereldreis. De foto’s van het laatste Duitse stuk staan op:
La Spezia was het meest zuidelijke puntje van de reis en vanaf nu gaat het terug naar het noorden, dwars door de Apennijnen, die daar op z’n smalst zijn. De ochtendkoffie doen we in Pontremoli, een klein maar fijn stadje. En met een ontzettend gezellig plein, en als ze er dan ook nog van die lekkere cappuccino hebben kan het niet meer stuk. Beetje sterk en veel suiker die je na afloop met nog flink wat schuim zo uit het kopje schept. Zo krijg je het eigenlijk alleen maar in Italië. Bij Parma kom je dan in de Povlakte, waar we willen doorsteken naar Mantova. Op een of andere manier trekt de Povlakte mij erg aan. De meesten reizen er zonder te stoppen dwars doorheen op weg naar verder. De Povlakte lijkt erg op Nederland, maar toch is de sfeer er heel anders, al kan ik niet goed definiëren waarom. Misschien komt het door de architectuur van de huizen, met hun terracotta daken. De film Novecento is voor een groot deel hier opgenomen en ik vond dat prachtige beelden. Misschien is toen de klik tussen de Povlakte en mij ontstaan.
Mantova is wat mij betreft ook nog een van de mooiere steden in de Povlakte met zijn prachtige Piazza Sordello en zijn kathedraal. En dus zie je hier ook maar weer dat in Italië een eenvoudige – en relatief onbekende – provinciestad in een streek waar iedereen doorheen sjeest, de prachtigste monumenten kan herbergen. Overnacht in een soort jeugdherberg met stapelbedden in Rovereto, een wat groter stadje net iets ten noordoosten van het Gardameer. Met de bedoeling om na 45 jaar weer eens terug te keren naar Volano, dat daar niet ver vandaan ligt. Daar heb ik in 1972 een maand voor de ‘Bouworde’ gewerkt. Als beloning voor dat werk kreeg je toen de reis, kost en inwoning. En natuurlijk ook de Italië-ervaring…! Want daarvoor deed ik het eigenlijk. Maar je moest er wel een maand rondsjouwen met kruiwagens vol beton, heen en weer van de betonmolen tot de stortplaats. Op de laatste dag heb ik toen mijn versleten werkschoenen in een muurtje bij de ingang laten inmetselen. Het muurtje stond er na 45 jaar nog en dus moesten de schoenen er ook nog zijn. Ik kon me nog net inhouden om die schoenen er niet uit te bikken.
We logeren in Rovereto vlak bij het station, waar ik destijds zo vaak ben in- en uitgestapt. Nu een halteplaats voor de hogesnelheidstreinen tussen Bolzano en Zuid-Italië, en dan is het altijd leuk om de trein uit Bolzano te zien aankomen en te zien wie er allemaal instapt richting Rome. Ten noorden van Rovereto begint het er een beetje als Oostenrijk uit te zien. Het heet daar niet voor niks Süd-Tirol. Linksaf langs Merano en de Resia-pas. Daar ligt een nieuw stuwmeer dat ze rond 1950 hebben laten vollopen, met als aandenken nog een kerktorentje van een van de verzonken dorpjes, dat deels nog boven het water uitsteekt. In Oostenrijk liep ik meteen tegen een bekeuring aan. Het is daar prijsschieten op een weg waar je met gemak 160 kunt en maar 80 mag. Verderop om de hoek werden we tot staan gebracht en er was meteen een pin-apparaat, waarmee ik 35 euro mocht afrekenen. Kennismaking met de Oostenrijkse zakelijkheid, maar wel met een glimlach. Verderop vreselijk urenlang in de file gestaan op de Oostenrijkse Fern-pas, ongelukkigerwijs ook nog op een van de drukste weekenden van het jaar, maar aan het eind gastvrij met pizza’s ontvangen door mijn zus Hedwig, die in Sulzberg, in de buurt van het Duitse Kempten woont. Het laatste stuk na het eten naar Ulm was dan nog maar een uurtje. Voor de fotoserie van dit alles zie:
Vanaf Aosta zijn we afgedaald naar de Povlakte en door een gebied gereden dat ik eigenlijk niet zo goed ken: Piemonte. En we zien dus ook steden waar ik nog niet eerder was geweest, maar die wel de moeite waard waren, vond ik: Ivrea bijvoorbeeld, vlak bij Turijn, waar we een koffiestop hebben en een wandelingetje door de stad maken. Het is een typische industriestad, maar door de ligging aan de rivier wel een mooi centrum bij de Ponte Vecchio. Er komen – althans vandaag – weinig toeristen en als je dan wat twijfelachtig staat te doen met een kaart in de hand, komen ze meteen naar je toe om te helpen en lopen zelfs een stuk met je mee om enkele bezienswaardigheden aan te prijzen. Want ze zijn maar wát trots op hun stad en ze laten ook blijken dat ze het op prijs stellen dat je hún stad komt bezoeken. We moeten dus uitkijken dat we hier niet de hele dag blijven hangen.
Een andere stad, die we verderop in de middag bezoeken is Asti. Een kleine provinciestad, maar met een prachtige bakstenen Dom. Het kostte wel moeite om hem te vinden, we vragen wat, we rijden wat cirkeltjes, maar ineens rijden we er tegenaan. Het is niet alleen een mooi bakstenen gebouw, maar heeft met uitbundige muurschilderingen een nóg mooier interieur. Ook nu zien we weer dat je in Italië maar in een willekeurige plaats een kerk hoeft binnen te lopen en de grandeur valt over je heen. Een wandeling door de stad doen we daar maar niet omdat het zachtjes begint te regenen. We rijden het laatste stuk door wijnheuvels en belanden in Sassello, waar we op een rustig pleintje in de regen onder een parasol lekker gaan zitten eten. De volgende dag langs de bloemen-Riviera, mooi bezongen, maar ik hoef er toch niet op vakantie. De piepkleine stranden zijn smerig, helemaal in beslag genomen door hotels en volgepakt met stoelen en parasols.
Het is er erg druk en kunnen met moeite een parkeerplaats vinden in een buitenwijk van Genua om een koffiestop te maken. Genua zelf hebben we alleen kunnen bekijken vanaf viaducten, die hoog boven de stad liggen. Prachtige stad, zo te zien, dus een andere keer maar eens terugkomen om de stad écht te bekijken. Dan maar door naar Portofino, een van de mooiste stadjes hier, om dát dan maar wat beter te bekijken. Maar daar konden we al helemáál geen parkeerplaats vinden, zodat we het stadje alleen rijdend hebben kunnen zien. Wel hebben we een indruk gekregen, prachtig langs de kust gereden, maar ook geconcludeerd dat het er toch te druk is met te weinig bewegingsruimte. René is aan het begin van de 60’er jaren hier ooit op vakantie geweest met zijn ouders. In Cavi di Lavagna om precies te zijn, en hij weet nog moeiteloos precies het huis terug te vinden waar ze ooit hebben gelogeerd. We belanden uiteindelijk in een bed-and-breakfast in de buurt van La Spezia. Voor de fotoserie zie:
De Aiguille du Midi is een van de hoogste punten die je een beetje comfortabel kunt bereiken in het Mont-Blanc massief. Comfortabel betekent dus met de kabelbaan. Het is wel tegen alle regels van het bereiken van grote hoogten: in amper 20 minuten van 1700 naar bijna 4000 meter is eigenlijk vragen om problemen. Bergwandelaars of -beklimmers doen daar in de regel enkele dagen over om te wennen aan het hoogteverschil. Wat het effect van een snelle hoogtewinst is, heb ik 13 jaar geleden gemerkt toen ik hier ook met de kabelbaan meteen in één keer naar boven ben gegaan. Ik voelde me op die hoogte zó beroerd, dat ik vrijwel meteen weer naar beneden ben gegaan. Deze keer hebben we halverwege een tussenstop ingelast en zijn daar een halfuurtje gebleven. Of het daaraan lag weet ik niet, maar deze keer verliep het verblijf op 4000 meter zonder problemen en hebben we uitvoerig kunnen genieten van het verblijf en het uitzicht. Alles lag – ondanks medio juni – nog vol in de sneeuw en hier en daar zag je niet alleen bergwandelaars over de sneeuw lopen, maar ook iemand aan touwen aan een steile bergwand hangen. Ook schiet – op iets lagere hoogte – een straaljager voorbij. Al met al was het er een feest voor de camera.
We reizen verder via een klein stukje Zwitserland. Een adembenemende afdaling vanaf de Col du Forclaz naar Martigny en mogen daar 28 euro afrekenen voor twee koppen koffie en twee gebakjes. We hebben het gevoel dat de wisselkoers daar wel héél erg in het voordeel van de uitbater wordt bepaald. Maar ja, dit is nou eenmaal Zwitserland en we zijn hier hooguit maar een uurtje. Vandaar weer naar boven via de Col du Grand St. Bernard Italië in. Ik had deze pas nog nooit gereden, maar het is een schitterende weg. Boven op bijna 2500 meter een bergmeer en dan de grens, aangegeven met een steen langs de weg. ’s Avonds op het plein in Aosta zijn we dan helemaal in Italië en is het dan weer alsof je een film binnenloopt. Vanaf een terras geamuseerd toegekeken hoe mensen in hun eentje, maar toch druk gebarend, al ijsberend over een plein in een telefoon lopen te schreeuwen. De foto’s van het bergspektakel staan op:
Vanaf La Roche rijden we op de rustige zondagochtend Frankrijk binnen met een tussenstop in Pont-à-Mousson, aan de Moezel, halverwege Metz en Nancy. De zon schijnt uitbundig en opvallend vond ik de grote hoeveelheid zonnepanelen die je her en der ziet. Duitsland heeft een reputatie op dat gebied, maar kennelijk zijn ze er in Frankrijk ook behoorlijk mee bezig. Deze zondag beschouwen we maar als een echte autorij-dag, ook al omdat dit deel van Frankrijk tot Dijon niet zo heel veel te bieden heeft. Dus eerst een flink stuk over de autobaan en na Dijon lekker over kleine landweggetjes door Bourgondische dorpjes tuffen. Op deze lome en warme zomerzondag lijkt het leven er stil te staan. Uiteindelijk aangeland in Bourg-en-Bresse. Ik was daar ruim dertig jaar geleden ook al eens, toen het nog een meer levendig stadje was.
Maar het is teleurstellend om te zien hoe het stadje er nu bij ligt, een goed voorbeeld van de leegloop van het Franse platteland. Veel winkels met rolluiken, opgebroken straten en de meeste restaurants dicht. We hebben met moeite nog een plek kunnen vinden om iets te eten, en dat nota bene in Frankrijk, de culinaire hotspot van Europa, zo niet van de hele wereld. Het hotel, of wat daarvoor doorgaat, was al niet veel beter. Via een vaag telefoonnummer krijgen we een sleutel en kunnen met een code naar binnen. Alle voorzieningen waren verder wel in orde, maar het is toch wel vreemd als je verder helemaal niemand ziet.
Maandag rijden we dan verder naar het oosten met een tussenstop in Nantua. Een fraai gelegen plaatsje aan de voet van de Alpen, dat zich aan het opmaken is voor de start van de etappe van 9 juli a.s. in de Tour de France. We willen verder naar Bellegarde, maar er blijken twee plaatsen te zijn in de buurt met dezelfde naam, zodat we – na het verkeerde Bellegarde in de GPS te hebben ingetoetst en tientallen kilometers omrijden – twee uur later opnieuw in Nantua uitkwamen. Niet verkeerd, want het is een prachtige streek, maar wel druk, vooral later langs het Meer van Annecy. Geen wonder, het is bijna hoogseizoen in een van de meest populaire streken van Frankrijk. Uiteindelijk komen we uit in het mondaine Chamonix met dito hotel, duidelijk gericht op de wintersport. En vanaf het terras met een adembenemend uitzicht op de top van de Mont Blanc. Die avond kijken we op dat terras ook uit op de top van de Aiguille du Midi, vlak naast de Mont Blanc, en vatten tijdens het eten en een glas wijn het lumineuze idee op om de volgende ochtend per kabelbaan naar boven te gaan. De foto’s van deze twee dagen staan op:
Nog een kleine nabrander van de grote wereldreis die nu net twee weken achter de rug is. We hebben weer nieuwe continenten gezien, maar één continent ontbrak op die reis nadrukkelijk: Europa zelf. Terwijl tijdens die reis toch duidelijk is geworden dat Europa met afstand het favoriete continent is van de meeste mensen die we in de afgelopen maanden in die verre oorden hebben ontmoet. Geen wonder eigenlijk, want hebben vrijwel alle bewoners van Australië, Nieuw-Zeeland en Amerika eigenlijk hun verre voorvaderen niet in Europa? Dat Europa op onze reis ontbrak, was natuurlijk ook de hele opzet. Het was niet voor niks een ‘wereldreis’. Toch bestond er nog een vaag plan om na afloop van de wereldreis met René, door wiens toedoen mijn fotohobby flink uit de hand is gelopen, in een soort van lang weekend een foto-reisje richting Ardennen of hooguit Noord-Frankrijk te maken.
Maar na een pizza en twee glazen wijn op het terras van de pizzeria op de hoek werd dat plan ineens een stuk ambitieuzer. Dat lange weekend werd ruim een week en ook de te rijden route werd ineens een stuk omvangrijker. Het woord ‘Italië’ werd in de mond genomen en dan hoef ik niet meer lang na te denken. En zo werd dat vage plan ineens een hele tour door het oude Europa en eigenlijk ook een volwaardig onderdeel en sluitstuk van de hele wereldreis. Vertrek op zaterdag en de route liep via Maastricht (inderdaad) via de Ardennen, waar we een tussenstop in Luik maken. We waren daar niet lang, maar vonden de stad leuk genoeg om die op de bucket list te zetten met het plan om daar ooit nog eens wat langer terug te komen. Via de toeristenfuik Durbuy, overnachten we in het minstens zo mooie, maar minder drukke La Roche. De kleine fotoserie van de eerste Europese dag staat op:
Zaterdag zijn we naar Tampa in Florida gereisd. Het liefst had ik het hele stuk gereden om de romantiek van een Amerikaanse ‘road-movie’ zelf te ervaren, maar dat zat er deze keer niet in. Dus zijn we met een overstap in Atlanta naar Tampa gevlógen. Het nadeel van vliegen is verder dat je onderweg niks ziet. Behalve dan in het zuidwesten van de USA, waar je vaak – zoals ook nu – strakblauwe en heldere luchten hebt en het besneeuwde (de naam zegt het al) Nevada en de canyons in Utah prachtig onder je vandaan ziet glijden. We logeren ook in Tampa bij vrienden. Vreemd genoeg is dit de eerste keer in onze hele reis van vier maanden, dat het echt warm is. En in Amerika betekent dat altijd uitkijken als je bijvoorbeeld een restaurant bezoekt. Zo gingen we lunchen bij een buitentemperatuur van 94 graden Fahrenheit (omgerekend 34 Celsius). Maar we waren erop voorbereid: de uit voorzorg meegebrachte truien moesten aan omdat die airconditioners veel te koud staan afgesteld en onaangenaam in je nek staan te blazen.
Maar in Florida wordt prettig en vooral ook erg rustig gewoond. We lopen even door de woonwijk, maar je kan er een kanon afschieten. Grote huizen met mooie tuinen, veel ruimte en de huizen kan je hier voor een appel en een ei kopen. Florida is ook het bejaardenhuis van Amerika. Mensen uit het noorden verhuizen na hun pensioen doodgewoon naar Florida, soms duizenden kilometers verderop, ook heel vaak zonder enige sociale binding in hun nieuwe woonomgeving. Zoiets als na je 65e uit Amsterdam naar de Costa del Sol verhuizen, waar je niemand kent. Zou bij ons – althans voor mij – ondenkbaar zijn! We rijden een middagje naar ‘down-town’, het eigenlijke centrum. Nou ja, centrum…., de agglomeratie Tampa heeft ruim 2 miljoen inwoners en is in Amerika een middelgrote stad. Maar het is tientallen kilometers rijden door onafzienbare woonwijken met laagbouw, met veel groen ertussen. Dus een echt intiem centrum is daarin moeilijk te ontdekken.
In sommige delen, vooral langs de baai wordt vorstelijk gewoond, maar zelfs in de minder bedeelde wijken is er nog steeds veel ruimte, hoewel met een bedroevende kwaliteit van de openbare ruimte. Ik werd in die wijken vooral gefascineerd door de omvangrijke ’advocaten-industrie’ hier, met veel grote borden langs de weg met van die gluiperig kijkende advocaten. Die zijn niet te beroerd om, zelfs als er eigenlijk helemaal geen probleem is, een probleem voor je te verzinnen en vervolgens een financieel gevecht voor je aan te gaan, van welke aard dan ook. Tampa ligt aan de Golf van Mexico, dus dat strand is ook nog even bezocht. Op de kaart zag het eruit als een klein eindje, maar al met al was het toch nog een uur rijden. Wat een contrast met de westkust met dat koude water! Hier is de zee niet alleen veel rustiger, maar is het ook net of je in een warm bad stapt.
Na afloop nog even aan de kust bij de in de zee zakkende zon lekker ‘seafood creole’ gegeten. Meteen afgerekend met het vooroordeel dat je in Amerika niet lekker zou kunnen eten. Mijn reis zit er nu na vier maanden op. Donderdag rijdt gastheer Rick ons naar Miami. Marcel heeft daar zijn zwemtoernooi en zal nog een klein maandje in het oosten van de USA rondreizen. Ik zal in Miami worden afgezet op de luchthaven voor de reis naar huis. British Airways zal me vrijdagochtend met een overstap in Londen op Schiphol afleveren. Dit is dan ook het laatste reisverslag van onze grote wereldreis. Ik heb met veel plezier de verslagen geschreven en de bijbehorende foto’s bewerkt. Het schrijven is een manier om alle indrukken te verwerken en dat verwerken zal in de komende maanden nog wel even doorgaan, denk ik zo. Het is een geweldige ervaring geweest, maar nu is het mooi geweest en heb ik zin om weer naar huis te gaan en weer normaal te doen. Zo te zien barst ook thuis de zomer nu los. Voor de foto’s van het verblijf in Florida, zie:
Onze gastheer Jay had voor een dag een auto gehuurd waarmee we een toertje naar het noorden hebben gemaakt, onder meer naar Napa Valley, de beroemde wijnstreek. Even ten noorden van de Golden Gate brug kijken we nog maar eens vanaf het noorden over de brug en stad. Iets verderop ligt het Muir Woods National Monument, een zg. ‘oerbos’ met veel sequoia bomen. Het dorp Napa is zo’n beetje het centrum van de wijnstreek daar. Ik vond het contrast met San Francisco erg groot, ondanks dat het hooguit een uurtje rijden is. San Francisco heeft een liberaal karakter bij uitstek, in sommige opzichten zelfs liberaler dan Amsterdam. Daarentegen waan ik me in Napa in de Bible Belt, zoveel uitingen van godsdienstigheid zie je hier. Wel lekker geluncht, maar de wijn wordt hier erg duur verkocht. We verkennen ook nog even de westkust, ten zuiden van Golden Gate. Hier op het eerste gezicht prachtige stranden, maar je ziet vrijwel niemand in zee, zo koud is het water. De allerlaatste dag besteden we aan het bezichtigen van de street art, die hier weelderige vormen aanneemt. Hele gebouwen zijn hier gedecoreerd. Ongetwijfeld niet ieders smaak, maar ik vond het mooi en mijn camera helemaal. Het verblijf van een weekje in San Francisco zit er nu op. Morgen, zaterdag, reizen we verder oostwaarts. De laatste foto’s van San Francisco staan op:
San Francisco wordt beschouwd als de meest Europese stad van de USA. Nu we uit het westen zijn aangevlogen, krijg ik eigenlijk helemaal niet het idee dat ik in de USA ben. Natuurlijk heb je hier zoals in alle Amerikaanse steden de gebruikelijke ‘down-town’ hoogbouw, het eigenlijke zogenaamde centrum, waar bijna niemand woont. Maar in de woonwijken verderop rond Market Street heb je prachtige architectuur van veelal houten huizen langs soms wel heel steile straten. Wel vond ik de tegenstellingen hier opvallend, zelfs choquerend. Natuurlijk, zoals overal in Amerika, veel rijkdom en mensen die hun rijkdom openlijk etaleren. Maar ook erg veel zg. ‘drop-outs’, mensen die het niet hebben gemaakt, verslaafd en/of verward en vaak verdwaasd over straat rondlopen.
’s Avonds zie je ze overal, zelfs in de betere buurten, in de kou op de trottoirs slapen. Soms met hun boeltje bij elkaar gepakt in vervuilde slaapzakken, en de gelukkigen onder hen hebben op bepaalde plaatsen tentjes opgeslagen. Als toerist kom je eigenlijk altijd in die betere buurten, maar het ritje met bus 22 was in dat verband erg leerzaam en liet ons de – wat mij betreft indrukwekkende – andere kant van Amerika zien. Zo zouden er in San Francisco 7000 mensen op straat slapen. Sommige schrijnende gevallen kregen van ons iets toegestopt, maar tegelijkertijd weet je ook dat het water naar de zee dragen is. De contrasterende fotoserie staat op:
Zaterdag hebben we de oversteek gemaakt over de Stille Oceaan naar San Francisco. Een bijzondere ervaring, omdat je op zaterdagmiddag uit Sydney vertrekt en na bijna 14 uur vliegen op zaterdagochtend in San Francisco aankomt. Zodoende hadden we twee zaterdagen achter elkaar. San Francisco ligt in Californië met zijn zonnige klimaat. Inderdaad is het weer prachtig, maar het is hier vooral in de zomer relatief koud. Aan alle kanten omgeven door het water van de oceaan, dus je hebt hier bijna nooit echt warme dagen. En de avonden dat je eens lekker buiten kunt gaan zitten eten en drinken, zijn hier heel zeldzaam. Dat oceaanwater is zo koud dat je er zelfs in hartje zomer niet in kunt zwemmen. We logeren niet in een hotel of B&B, maar bij vrienden die we hier kennen. We zijn hier nu voor de derde keer en dan krijg je het gevoel dat je hier inmiddels een beetje woont. De Lonely Planet laten we dus voor wat het is en de meeste ‘belangrijke’ dingen hebben we trouwens bij eerdere gelegenheden al gezien. Het leuke is om gewoon door de stad te lopen en dan dienen de leuke dingen zich meestal vanzelf en onverwacht aan.
Naarmate het einde van de reis nadert zijn we trouwens sowieso al minder de nadruk gaan leggen op het zien van dingen, maar meer op het beleven van de stad of gewoon maar ‘ergens te zijn’ en de dingen vanzelf op je af te laten komen. Zondag slenteren we bijvoorbeeld door het Golden Gate Park, groter, minder bekend, maar minstens zo leuk als het New Yorkse Central Park. Daar heb je het ’de Young’ museum, waar een expositie liep over de ‘Summer of Love‘, verwijzend naar de Flower Power beweging vanaf 1967, nu dus vijftig jaar geleden. San Francisco was zo’n beetje het epicentrum van die beweging en er stonden dus lange rijen bij de entrée. Mooie foto’s, affiches uit die tijd en natuurlijk overal de muziek uit die jaren. Lekker op de grond zitten (eigenlijk half liggen) op van die zitzakken tegen de muur en genieten van de vloeistofprojecties op de muur met psychedelische muziek. Heerlijk jeugdsentiment, omdat ik in het begin van mijn studententijd er veel van heb meegekregen. De Summer of Love werd trouwens in het park en verder overal op straat nog eens dunnetjes overgedaan en ik kreeg daar eigenlijk de indruk dat die beweging hier nooit is weggeweest. Zie ook: