Vanaf Penn Valley was het nog maar drie uurtjes rijden tot de eindbestemming van onze road trip: San Francisco. Die laatste autoreis verliep andermaal in de stromende regen. Het Californische laagland, de laatste jaren geplaagd door droogte en watergebrek, zag er nu ineens uit als het zompige Noord-Hollandse polderland in december. Maar in San Francisco droogde het op, de blauwe lucht kwam tevoorschijn en zelfs de voorspellingen waren goed. Heerlijk om zo de laatste dagen van de vakantie door te brengen in niet de minste stad van de VS. De ligging aan de oceaan, de baai, het geaccidenteerde terrein en vooral de architectuur maken de stad de moeite waard om er een paar dagen door te brengen. Heel kenmerkend zijn de houten huizen in de binnenstad met hun mooie ronde gevels. In sommige gevallen zelfs kleine paleisjes. Er zullen vast wel regels zijn als je daar een huis wilt (laten) bouwen. Maar als het er eenmaal staat, mag je er elke kleur op smeren die je maar wilt. Wat leidt tot een bonte mengeling van tinten, prachtig afstekend tegen de blauwe lucht.
We maken een wandeling in het ‘Mission District’. Hier zien we dat de stad een groot probleem heeft met daklozen en drugsverslaafden. En dat is kennelijk niet alleen in San Francisco het geval, maar eigenlijk ook in veel andere delen van de VS. Het is al lang niet meer ‘de inmiddels gewone’ marihuana of zelfs cocaïne, maar nu eerder de meer gevaarlijke crystal meth en fentanyl, goedkoop te krijgen maar vele malen meer verslavend en uiteindelijk dodelijk. Her en der zie je op de trottoirs kleine tentjes waarin deze mensen hun erbarmelijke leven leiden. Ik vond het best heftig en heb er taferelen gezien die ik niet meer van mijn netvlies krijg. Tegelijkertijd vraag ik me dan af wat er in hun levens is misgegaan, want iedereen van hen zal vast wel een eigen levensverhaal hebben. Desondanks veroorzaakt de groep veel overlast. De stad biedt dan ook hulpprogramma’s, maar de geboden hulp wordt vaak niet aangenomen, want dan komen ze in een circuit waarin ze niet meer kunnen gebruiken. Maar in het besef dat je zelf ook maar weinig aan hun levens kunt veranderen, richten we ons toch maar op al dat moois in de stad. De enigszins selectieve fotoserie daarvan is te zien op:
Reno is de tweede stad van Nevada. Daar waren we donderdag, toen we duizend kilometer moesten rijden, wel héél snel langs gereden. Toch vonden we het nog wel de moeite waard om er nog eens wat uitgebreider te gaan kijken en zondag hebben we vanuit Penn Valley er maar eens een dagtochtje van gemaakt. In Reno schijnt de zon 300 dagen per jaar en alleen dát al leek ons een aantrekkelijke gedachte na al die regen en sneeuw van de voorbije dagen. Wel moesten we nog een keer over die hoge Donner-pas, waar we eerder wegens de eventuele sneeuw aldaar zo tegenop zagen. Maar de weg bleek toen sneeuwvrij, we hadden nu alle tijd, en de pas werd dus onderdeel van het uitstapje. In Reno mag de zon dan wel veel schijnen, maar daar is dan ook alles mee gezegd, want Reno is een hooggelegen koud oord. Maar niettemin een alleraardigste stad, mooi gelegen en met duidelijk twee gezichten.
Enerzijds een mooie woonbuurt aan de Truckee-river, met ruime houten villa’s. Verder veel aandacht voor kunstwerken in de openbare ruimte en ook hier de nodige street art. En omdat je hier wel in Nevada bent, is het natuurlijk ook een gok-stad. Reno komt op dat gebied alleen niet in de búúrt van Las Vegas, want het gok-Reno is eerder vergane glorie. Parkeren is hier gratis, ook al parkeren we in een kolossale parkeergarage. We lopen een casino binnen, en hoewel we na de wandeling langs de rivier er lekker konden opwarmen, domineerde er de treurigheid en hing overal de geur van verschaald bier en sigarettenrook. Want roken en drinken doe je natuurlijk ook als je achter zo’n fruitautomaat gaat zitten. Het was niettemin een ontspannen dagje, met eindelijk wat beter weer, en de gemaakte foto’s staan op:
Donderdag was het een echte autorij-dag. Vanuit Salt Lake City in Utah door Noord-Nevada naar het westen met Penn Valley (iets ten noordoosten van Sacramento) in Californië als eindpunt. Google had uitgerekend dat het precies 1000 kilometer is. Maar met vroeg vertrekken en onderweg afwisselen zou het moeten lukken. En omdat de klok in Nevada een uurtje terug gaat hebben we nog wat extra tijd. Bovendien is het grootste deel van de route heel dun bevolkt, je kunt eindeloos ver kijken, er is weinig verkeer en iedereen rijdt er 130. Bij het ochtendgloren zien we nog een stuk van het grote Salt Lake. Een beter zicht dan gisteren, want vandaag is het zowaar redelijk weer.
Onderweg hetzelfde beeld als in Noord-Arizona: veel caravans, hooguit houten huizen, lukraak in het landschap neergezet zonder dat er sprake is van een clustering in dorpjes, laat staan steden. Er wordt hier blijkbaar individueel gewoond. Nevada is een gok-staat en bij elk pompstation is er wel een casino-voorziening. Zelfs bij de McDonalds, waar ze verrassenderwijs lekkere koffie hebben, was er nog een flink stuk casino aangebouwd. Het moeilijke stuk met de hoge pas, waarvoor we daags tevoren waren gewaarschuwd, kwam op het laatst. Maar er werd voortdurend sneeuw geruimd en uiteindelijk viel dat allemaal erg mee. Ik merk dat hier vaker. Ze waarschuwen je voor van alles, maar uiteindelijk valt het dan wel weer mee. Maar bij de afdaling naar Penn Valley gaat de sneeuw over in regen en zien we zowaar een teken van het nakende voorjaar, dat er toch ooit wel zal komen, mogen we toch hopen. Foto’s zijn er onderweg ook gemaakt, de meeste vanuit de auto. Kijk maar op:
We hadden een volle dag ingepland voor Salt Lake City. Maar wat doe je als het de hele dag regent en sneeuwt? Sowieso moesten we de reis voor de volgende dag enigszins voorbereiden. Want op de I-80 bij de grensovergang tussen Nevada en Californië zouden sneeuwkettingen verplicht zijn. Tenminste voor auto’s zonder winterbanden en tweewiel aandrijving. Eerst dus maar even uitzoeken wat voor auto we eigenlijk hadden. En verder hoe je aan sneeuwkettingen komt en hoe je die erop moet zetten. Want voor autotechniek en zelfredzaamheid op dat gebied hadden we niet doorgeleerd. In het dashboardkastje lag een boekje van Mazda, dus het lag voor de hand dat we een Mazda hadden. Een Mazda-dealer was snel gevonden. Die vertelde ons dat we all-weather banden hadden en een all-wheel-drive auto (AWD). Dat laatste stond trouwens gewoon achter op de auto. Een AWD is eigenlijk nog beter dan een four-wheel-drive (4WD). Sneeuwkettingen dus niet nodig..! Weer wat geleerd, en met een gerust hart zouden we de volgende dag op pad kunnen.
Dan – ondanks het slechte weer – toch maar het oorspronkelijke plan uitvoeren en zien wat zich voordoet. Om te beginnen het grote Salt Lake. Het ziet eruit als een gewoon meer, eigenlijk zee. Het doel was Antelope Island, een schiereiland in het meer, dat je rond kon rijden met een mooi uitzicht over het meer. Dat uitzicht viel natuurlijk tegen, maar wat meeviel waren de daar rondlopende bizons. Die moest je wel met enige omzichtigheid benaderen, maar als je in de auto zou blijven was er niks aan de hand. Het werd een fraaie mini-safari, de bizons voelden zich kennelijk helemaal thuis bij dit slechte weer lieten zich dan ook gewillig fotograferen. Op de kwaliteit van de foto’s is het nodige af te dingen, maar dit is nou eenmaal hoe het er bij slecht weer uitziet.
De middag zou besteed worden aan down-town Salt Lake City. Dat wordt vrijwel helemaal gedomineerd door een kolossale mormonen-tempel. Je kon er gewoon naar binnen lopen, maar binnen werden we opgewacht door twee lieftallige en decent geklede meisjes, met een bijbel en het ‘Book of Mormons’ in de hand, en die wel een rondleiding wilden geven. En bereid waren ons een uitrijkaart voor de parkeergarage te verschaffen. Dan weet je eigenlijk al genoeg: dat wordt godsdienstles. En dat werd het ook, want anderhalf uur lang werden we onderwezen over hoe het leven eigenlijk in elkaar zou moeten zitten. Desondanks kreeg je een mooie indruk van het enorme gebouw. Binnen was er het grootste indoor-auditorium ter wereld met 21.000 zitplaatsen. Aan de wanden schilderijen met taferelen die je ook wel ziet in die wachttoren-boekjes van de Jehova’s. En in de grote ruimtes heen en weer benende mannen, allemaal in pak met een stropdas. En verder portrettengalerijen van mannen die het blijkbaar verder hadden geschopt en zich tot apostel hadden laten promoveren. Voor vrouwen bleek zo’n status niet mogelijk te zijn. Al met al een bijzonder middagje, en met de verstrekte uitrijkaart van de garage konden we gelukkig toch weer terug naar het echte en gewone leven met een lekker biertje in onze favoriete restaurantketen. Het toch wel bijzondere dagje is samengevat op:
Afscheid van Arizona. We zijn ietsje langer in Phoenix blijven hangen dan gepland, ook al omdat het in Phoenix na een paar frisse dagen best lekker weer was. En bovendien was er op de wegen richting het noorden in de afgelopen weken nog veel sneeuw gevallen. Maar ja, je moet toch een kéér door en maandag zijn we dan eindelijk vertrokken naar het noorden. Bij bijna zomerse temperaturen in Phoenix en nog geen twee uur later sneeuwbuien onderweg bij Flagstaff. Daar begint ook het andere Amerika. Nu geen aangeharkte stad meer en buitenwijken met zwembaden, maar hier caravans, vervallen motels en andere houten bouwsels met autowrakken voor de deur. Maar wel uitbundige landschappen. Het sombere weer maakt het plaatje compleet.
Flagstaff is de uitvalsbasis voor de Grand Canyon, maar die laten we nu links liggen. Wel krijgen we onderweg een soortgelijk landschap mee, met de voor de canyon typische rode rotsen. Zelfs krijgen we in Page de Colorado Rivier te zien bij de “Horseshoe Bend”, een punt waar de rivier een fraaie wending maakt. Maar niet alleen het landschap is uitbundig, ook de luchten zijn dat. Altijd gedacht dat je bij fotografie mooi weer moet hebben, maar de zware dreigende luchten geven het landschap toch weer een heel ander cachet.
Het rijden is alleen een wat grotere uitdaging. We overnachten in Kanab, maar moesten door de sneeuwval daar uiteindelijk een omweg maken om de snelweg te nemen waarvan we dachten dat die sneeuwvrij zou zijn. Dat was ook zo, alleen misten we daardoor de wat meer scenic route naar Salt Lake City, onze volgende bestemming. Al met al toch twee mooie autorij-dagen gehad van in totaal 1100 kilometer door noordelijk Arizona en zuidelijk Utah. Hoe dat eruit zag staat op:
Van een afstand ziet Phoenix eruit als één grote laagbouw-vlakte met in het midden down-town, een klein kluitje dicht op elkaar gepakte wolkenkrabbers. Eigenlijk een fantasieloos zakendistrict. Maar op de laatste dag van ons bezoek zijn we er toch maar eens gaan kijken. Eerst parkeren in een kolossale parkeergarage en dan maar wat rondlopen. En dan blijkt dat het bij nader inzien best een fraai gebied is. En bovendien dat de hoogte van die gebouwen eigenlijk wel meevalt en ze ook veel verder uit elkaar staan dan het van een afstand lijkt. De architectuur is gevarieerd, er is aandacht besteed aan kwaliteit en kleur en her en der zie je kunstwerken en vooral street-art. Verder blijkt het niet alleen een zakendistrict te zijn maar wordt er zelfs gewoond.
Hoewel het er heel aangeharkt uitziet, zie je hier en daar toch ook wel wat rafelrandjes. Net een echte stad dus. Wel is het er vrij stil op straat, maar dat kan aan de zondag liggen. Er is zelfs een bovengrondse metrolijn, ondanks dat ook in het centrum de auto het voor het zeggen heeft. We raken bij een metrohalte in gesprek met een bewoner van het gebied. Hij woont en werkt er en heeft geen auto, een uitzondering zo gaf hij toe. Fietsen doen ze hier niet en hij heeft zelf dan ook geen fiets. Als het kan gaat hij met de metro en anders met ‘Uber’. Die taxidienst heeft het gewone taxiverkeer ook bijna uit de markt gedrukt, want een taxi zo maar op straat aanhouden gaat hier niet.
Dat waren we eigenlijk wel van plan, want we waren onderhand wel erg ver van onze parkeerplaats weg gewandeld en de ‘Uber-app’, die iedereen hier heeft, hadden wij – als niet bepaald early adopters – ook niet. Maar gelukkig was er de automaat bij de metrohalte, waaruit we na enige voorstudie twee kaartjes tevoorschijn konden halen waarmee we terug naar de parkeergarage konden reizen. Down-town Phoenix is samengevat op:
Phoenix was de standplaats van ons verblijf in Arizona. Wat betreft oppervlakte een enorme stad, ongeveer 60 bij 100 kilometer. We zijn te gast bij Jeff in het uiterste noorden van de stad en alleen al de rit naar het centrum is ongeveer 35 kilometer. Eindeloze laagbouw, afwisselend woningen en bedrijven, en ze kijken hier dan ook niet op een vierkante meter. Er worden her en der met het grootste gemak nog hele Vinex-wijken aangelegd. En alleen al in zo’n wijk zou zo maar het halve centrum van Amsterdam kunnen passen. Allemaal vrijstaande grote huizen. Alles met één verdieping en veel tussenruimte tussen de huizen. En overal autowegen, van minstens 2 x 3 breed. Alleen in het centrum, down-town, is er dan wat hoogbouw met kantoren en ook wat gestapelde appartementencomplexen.
Phoenix ligt midden in de woestijn en is in de zomer ondraaglijk heet. En dat is te zien aan de vegetatie die in deze Vinex-wijken is aangeplant: veel cactussen en andere flora die het een tijdje zonder water kan uithouden. Alleen is deze tijd van het jaar het seizoen van de wild-flowers, afhankelijk van de hoeveelheid regen in de winter, overal in de woestijn opbloeiend groen en kleine in het wild opkomende bloemetjes. Dat is in maart zelfs een toeristische attractie, en meteen associeer je dat dan met onze bollenvelden in april, hoewel die er toch wel wat anders uit zien. Maar dit jaar zijn de wild-flowers extra uitbundig, omdat er in februari (en ook nog tijdens ons verblijf) veel regen is gevallen. En het bovendien voor de tijd van het jaar ook nu nog tamelijk fris is. Voor veel mensen aanleiding om eens rond te gaan kijken en op een berghelling waar veel bloemetjes te zien zouden zijn stonden we meteen in een file. Net als bij onze bollenvelden. Hoe je in Arizona rondrijdt en woont, en ook hoe het bloemenseizoen eruit ziet, staat op:
Inmiddels zijn we in Arizona beland. We blijven daar een klein weekje, en hoewel Phoenix tijdens ons verblijf in die staat de standplaats is, mocht een bezoekje aan Tucson niet ontbreken. Twee uur rijden ten zuiden van Phoenix en wat mij betreft de mooiste stad van Arizona. On-Amerikaans knus, klein maar fijn, en de stad heeft ‘slechts’ 500 duizend inwoners en heeft daardoor dus meteen een overzichtelijk centrum, waar we een middagje rondlopen. Ondanks de ligging van Tucson in het warmste deel van de VS , heeft de stad door zijn wat hogere ligging toch een aangenaam klimaat. Door de hoogte en de droge lucht tekent de lucht bijna donkerblauw.
Ooit was de stad onderdeel van Mexico, maar rond 1850 hebben de VS het gebied – in een kennelijk vreedzame overdracht – van Mexico ‘gekocht’. Dat de stad ooit Mexicaans was en er ook nu nog veel Mexicaanse immigranten wonen en nog komen, is dan ook duidelijk te zien en te horen. De stad is half spaans-talig, en ook in de architectuur zie je de Latijns-Amerikaanse invloed. De kleine huizen zijn beschilderd met bonte kleuren die prachtig afsteken tegen de blauwe lucht. Maar zelfs in de nieuwere ‘Amerikaanse’ architectuur hebben ze ook hun best gedaan om kleuren te gebruiken, waardoor de stad een aangename kwaliteit heeft voor wat betreft de openbare ruimte. De street art die je hier ook veelvuldig ziet completeert het beeld en een indruk van de stad staat op:
Vrijdag hebben we de kust (voorlopig) verlaten en zijn we noord-oostwaarts gereden. Naar Palm Springs, wat je een oase in de woestijn zou kunnen noemen. Een kunstmatige oase, dat wel, want ooit moet hier een dorre vlakte hebben gelegen. Dat het uiteindelijk toch een aantrekkelijk woongebied is geworden, komt omdat het hier ook in de winter lekker weer is. Dat het in de zomer ondraaglijk heet wordt nemen ze maar op de koop toe, want tenslotte is er dan natuurlijk altijd nog de airconditioning. Maar met het weer was er in de afgelopen maand wel iets bijzonders aan de hand. Al jaren is het in Zuid-Californië veel te droog. Er zou zelfs sprake zijn van een droogtecrisis. Ik vraag me sowieso af hoe ze in staat zijn om in dit kurkdroge klimaat deze hele agglomeratie van water te voorzien en bovendien de talrijke gazons en golfbanen mooi groen te houden.
Maar toen kwam er in februari ineens veel regen, en dat is nu te zien. Men raakt er hier zelfs niet over uitgepraat. In de woestijn zijn er plotseling paarse bloemen en op de hellingen rond Palm Springs groeit er ineens weer vers groen gras. En in de rivier die jarenlang droog heeft gestaan, stroomt nu weer water. Maar nu schijnt de zon weer en kunnen we, na de ‘kou’ aan de kust, genieten van een ‘groene woestijn’ én zomerse temperaturen. Maar al dat water betekende wel dat we niet alle plannetjes die we hadden konden uitvoeren. We hadden immers een wandeling in een canyon in de buurt willen maken, maar die was dicht wegens te heftig stomend water. Want veiligheid gaat hier boven alles.
Dan maar een hike naar een bergtop in de buurt met een mooi uitzicht over de stad en omgeving. Wel zo mooi eigenlijk, vond ik, want zo kon je Palm Springs goed van boven bekijken. Hier uitsluitend laagbouw, witte daken tegen de zon, mooie golfbanen en veel zwembaden tussen de ruim bemeten bungalows. Maar ook grote windmolenparken, want Californië loopt, vergeleken met de rest van de VS, bepaald voorop in de energietransitie. Hoe de oase met groene woestijn eruit zag staat op:
In tegenstelling tot Los Angeles is San Diego echt een stad waar je een beetje leuk zou kunnen wonen. Hoewel de stad niet voorkomt in het rijtje van zogenaamd leefbare steden in de VS. Dat rijtje is sowieso niet al te groot, maar San Diego mag er wat mij betreft ook op. Het is vanaf Los Angeles een kleine twee uur rijden naar het zuiden, en de stad ligt dicht tegen de Mexicaanse grens. Alleen al de ligging is prachtig: aan de oceaan, deels gebouwd op schiereilanden en schitterende brede stranden. Met een mooie down-town aan de haven en ook daar wordt aangenaam gewoond. Aan de haven historische schepen waaronder het enorme vliegdekschip, eigenlijk een varend vliegveld, dat in 1942 deelnam aan de slag bij Midway tegen Japan. De stad heeft een heerlijk klimaat, maar minpuntje voor strandliefhebbers is hier dat het zeewater zelfs in hartje zomer te koud is om er een beetje prettig te water te gaan. Een ander minpuntje is dat – terwijl we hadden gerekend op redelijk warm weer – het hier voor de tijd van het jaar behoorlijk koud is. Hooguit 12 graden overdag, ondanks de zon, maar met een koude wind van zee.
Maar verder kon ik geen minpuntjes meer bedenken. Vergeleken met Los Angeles is het een veel kleinere en rustigere stad met veel ruimte. Met drie universiteiten, en dat dat zie je eigenlijk meteen aan zo’n stad. Mooie architectuur, overal kleine cafeetjes, eethuisjes en andere dingen die het leven aangenaam maken. Drie dagen uitgebreid door de stad en langs de kust geslenterd. Op de laatste dag nog naar de enorm grote dierentuin, schitterend aangelegd, maar na vier en een half uur was het daar onderhand wel genoeg, hoewel we nog niet eens alles hadden gezien. Er is een uitgebreide fotoserie van de stad gemaakt, wat groter dan gewoonlijk. Maar de stad had dat wel verdiend, vond ik. Even doorbijten dus op: