Christchurch, de stad die in 2011 door een aardbeving is getroffen. Ik kan me de beelden van toen nog herinneren van de kerktoren die instortte, en dan blijft hangen dat dat zo’n beetje de hele schade was. Maar het blijkt nu dat het halve centrum van de stad onherstelbaar is beschadigd. We maken in een bus een zg. ‘rebuild-tour’, waarin we krijgen uiteengezet op welke wijze de stad zich herstelt van de beving. Opvallend is de dynamiek en de voortvarendheid waarmee alles wordt aangepakt. De hele stad is één grote bouwput. Alles moet aardbeving-proof worden. In de funderingen wordt een soort gelei aangebracht, waardoor het als het ware elastisch wordt, zodat het gebouw eigenlijk een beetje drijft. Ook worden in de constructies niet alleen verticale en horizontale balken aangebracht, maar ook diagonale balken, die voor extra stevigheid moeten zorgen. Ik heb niet voor ingenieur doorgeleerd, maar hoop dat ik het hier toch een beetje goed heb opgeschreven.
Veel is er toch ook bewaard gebleven, en waar mogelijk worden de gevels behouden. De stad blijft dan ook een oer-Engelse uitstraling behouden. Maar ook zijn er grote braakliggende stukken ontstaan. Blinde muren worden, zoals we elders ook zagen, voorzien van allerlei ornamenten. Hier en daar verschijnen glanzende kantoorkolossen, maar op nog andere plaatsen staan er nog de ruïnes van ingestorte panden. Ook verschijnen er nieuwe hippe zaakjes. In dat verband is de ‘restart-mall’, in het container-winkelcentrum indrukwekkend. Meteen na de beving werden er in containers tijdelijke voorzieningen gemaakt voor winkels. Maar die hebben inmiddels zo’n iconische waarde gekregen, dat het de vraag is of ze ooit zullen verdwijnen. Verder heeft het hier drie dagen lang onafgebroken geregend. Inderdaad blijkt het Zuidereiland onzeker voor wat betreft het weer. De eerste twee weken zijn we er heel goed mee weggekomen, maar in Christchurch leek de regen niet meer op te houden.
Totdat we de stad verlieten. Toen klaarde het op, de zon kwam terug en de route over de Arthurs-pas dwars over het eiland naar de westkust was gelukkig weer prachtig en bovendien spectaculair om te rijden. We zijn dinsdagavond in Greymouth aan de westkust aangekomen. We zitten in een eenvoudig motel, zonder mogelijkheid om daar te eten. We vinden een paar kilometer verderop iets te eten en daar zien we weer wat we in Nieuw-Zeeland al vaker zagen: het restaurant wordt gerund door Europese, meestal Engelse of Duitse jongeren. Ze staan in de keuken of lopen in de bediening, hebben in Europa hun studie afgemaakt en komen dan voor een jaar hier en geven dus geen vervolg aan wat ze in hun studie hebben geleerd. Ondanks de regen toch een foto-serie gemaakt in Christchurch:
Via de kustweg in ‘the Catlins’ heel langzaam naar het oosten gekacheld. Onderweg passeren we nog even het meest zuidelijke puntje van Nieuw-Zeeland, waarbij je over de zuidelijke oceaan richting Antarctica kunt kijken. Maar dat ligt nog steeds 4800 kilometer ver weg. De kustweg is prachtig met mooie zonnige vergezichten over de oceaan, maar we reden wel voortdurend over gravel-wegen, en dat vond ik minder geslaagd. Het wegenstelsel is hier überhaupt heel bescheiden. Vierbaanswegen heb ik nog niet gezien en over veel bruggen (vooraf aangekondigd als ‘one-lane-bridges’) kan je niet met tegenliggers heen. Weliswaar goed genoeg voor het kleine aantal inwoners hier, maar het toerisme groeit snel (met name uit China) en men schijnt zich zorgen te maken of het wegenstelsel en ook de hotelcapaciteit daarop wel is voorbereid. De streek lijkt niet alleen op Schotland, de streek ís zelfs Schotland.
We zijn donderdag aangekomen in Dunedin aan de zuidoostkust. Schotse immigranten zijn een kleine 200 jaar geleden met name hier neergestreken. De streek en het ruige klimaat maakte dat ze zich meteen thuis voelden en van de stad een regelrechte kopie van een middelgrote Engelse stad hebben gemaakt. Met name het treinstation is een mooi voorbeeld van de architectuur die je in Engeland tegenkomt. We krijgen een rondleiding door de historische villa Olveston, en krijgen een idee hoe de Engelse aristocratie zich door het leven moest ploeteren. Dunedin is een van de mooiere steden in Nieuw-Zeeland. Opvallend is de kwaliteit van de openbare ruimte en veelal zijn blinde muren beschilderd met allerlei motieven. Je kan over de smaak ervan twisten, maar het staat in elk geval beter dan de kliederige graffiti die je bij ons helaas te vaak aantreft.
Zaterdag doorgereden via de oostkust en komen bij de Moeraki Boulders. Grote stukken rots, maar door geleidelijke erosie van water en zand zijn het prachtige bollen geworden, die her en der op het strand liggen. Dan linksaf het binnenland in naar de voet van Mount Cook. Daar hadden we gehoopt die beroemde berg te zien en er eventueel een wandeling te maken. Maar het weer is omgeslagen, het regent en de berg is niet te zien, dus van die wandeling is dan ook niks terecht gekomen. Wel hier een mooie expositie gezien rondom de beroemde Nieuw-Zeelander Edmund Hillary, die Mount Cook uit zijn hoofd kent en bovendien in 1953 samen met de sherpa Tensing de eerste was die de Mount Everest heeft beklommen. Voor de foto’s zie:
Er zijn plekken, waar een fotocamera niet kan vastleggen wat het menselijk oog in staat is te zien. De Milford Sound is een van die plekken aan de fjordenkust in het zuidwesten. Daar hebben we een boottocht gemaakt met aan weerskanten bergen tot meer dan 1500 meter hoog. Het bijzondere daarvan is dat het er vrijwel altijd regent, en het is met meer dan 9 meter regen per jaar een van de natste plekken op aarde. Het spectaculaire is dat het water dan in enorme watervallen uit de bergen komt gutsen. Maar wij hadden pech, zo werd ons verzekerd, omdat het toevallig niet regende. Sterker nog, de lucht was strakblauw. De watervallen waren er wel, zij het minder heftig, maar de strakblauwe lucht maakte het wel fotogenieker. De weg naar Milford was trouwens minstens zo mooi. Ook daar rijden we in diepe kloven met 1500 meter verticale bergwanden om ons heen. En niet alleen de camera, maar ook de Nederlandse taal schiet dan te kort om vast te leggen welke indrukken daar zijn opgedaan.
Woensdag verder naar het zuiden. We rijden langs de ‘Southern Scenic Route’, die onder meer langs de zuidkust voert. Het gebied wordt qua landschap en klimaat wel eens vergeleken met Schotland: ruig landschap, fris, veel wind en regen. Maar ook vandaag geen regen en weer een strakblauwe lucht. Prachtige stranden aan de zuidkust, maar wel het gevoel aan het einde van de wereld te zijn beland. Als je over de zee kijkt is de volgende halte Antarctica. We komen in Invercargill, de meest zuidelijke stad van Nieuw-Zeeland. Een troosteloze stad, zo schrijven de boekjes, maar bij dit mooie weer ziet het er toch niet onaardig uit. Het uitzicht vanaf het nog iets meer zuidelijk gelegen Bluff hadden we in elk geval niet willen missen. Voor de foto’s zie:
“Nieuw-Zeeland….? Je kan eigenlijk net zo goed naar Zwitserland of Oostenrijk gaan…!”. Dat hadden we verschillende keren gehoord voordat we hierheen afreisden. Ik had eigenlijk nooit een goed weerwoord, maar sinds deze week wel. Het hooggebergte is inderdaad een overeenkomst, maar Nieuw-Zeeland is veel dunner bevolkt en ook meer ongerept. In de Alpen zie je nog overal huizen, maar hier kun je nog leeg hoog berglandschap zien. Het land is qua omvang en (met enige fantasie) ook qua vorm ongeveer gelijk aan Italië, alleen wonen er in Italië ruim tien keer zoveel mensen. En het merendeel woont nog in het relatief kleine Noordereiland. Het Zuidereiland is dus nog dunbevolkter. De lucht is er bovendien fris, het water is overal helder en schoon en de mensen zijn erg milieubewust.
We zijn na een overnachting in Wanaka aangeland in Queenstown, in het zuidelijk deel van het Zuidereiland. Zeer toeristisch en het centrum van de zg. ‘adventures’. Je kan hier van alles: bungy-jumpen, paragliden, skydiven, raften en meer van dat soort heftige dingen. Wij hebben ons onthouden van dat alles, temeer daar we afgelopen donderdag onze bijdrage aan die heftigheid wel hebben geleverd, dachten we zo, met die sprong uit dat vliegtuig, waarvan ik achteraf ook niet meer snap dat ik dat ooit heb gedurfd. Je hebt hier ook prachtige uitgezette bergwandelingen, en daar hebben we ons – naast wat rondrijden en met de kabelbaan naar boven – met name mee bezig gehouden. Zondag een mooie trekking in het naburige Arrowtown gemaakt, vroeger bekend van de gold-rush, tegenwoordig het Giethoorn van Nieuw-Zeeland. Busladingen vol Chinezen, die hoofdzakelijk achter een vlaggetje aanlopen. Maar het was prachtig weer, ook voor de foto’s:
We zitten hier in een dorpje bij Fox Glacier. Hier komt de laagstgelegen gletsjer ter wereld naar beneden en op slechts 300 meter boven zeeniveau kun je de ijsmassa’s bijna aanraken. Wel zijn overal foto’s te zien van de omvang van de gletsjer in 2008 en 2016 en in die korte tijd is hij toch wel erg veel kleiner geworden. We bekijken verder wat we in dit bescheiden oord zouden kunnen doen. Het is erg modieus om een soort ‘bucket-list’ te hebben, een lijst met dingen die je ooit nog wil doen. Ik heb ook wel zo’n lijstje, hoewel dat de laatste jaren wel kleiner begint te worden. Maar een parachutesprong stond daar nog niet op. Totdat we op woensdagmiddag ineens op het parkeerterrein stonden van de lokale sky-dive club in Fox Glacier. Na lange aarzeling en diep nadenken is de sprong heel voorzichtig op die lijst gekomen. Lang heeft hij daar niet op gestaan, want donderdag heeft die sprong inderdaad plaatsgevonden. Hoewel het tot op het laatste moment onzeker was, omdat er niet te veel bewolking mag zijn. Een enorm spannende ervaring was het. Eerst met een klein vliegtuigje naar 5000 meter hoogte. Op die hoogte kun je de besneeuwde toppen van het land goed zien. Maar echt ontspannen ervan genieten was er niet bij, omdat de sprong nu wel heel dichtbij kwam en het landschap onder ons steeds dieper wegzakte. We hoefden gelukkig niet zelf te springen, want we zaten vast gegord aan een begeleider. Anders had ik het vermoedelijk nooit gedurfd en was ik gewoon blijven zitten.
Maar nu werden we er gewoon uitgeduwd. Eerst Marcel, die ik al snel als een klein stipje in de diepte zag verdwijnen. Toen werd ik er zelf uitgeduwd. Eerst een vrije val van ongeveer 4000 meter. Daarbij is het de bedoeling dat je van het prachtige uitzicht geniet, maar ik heb me in die ene minuut hoofdzakelijk beziggehouden met de gedachte of die parachute wel zou opengaan. En met de pijn in je oren door de snelle daling. Na 80 seconden vrije val gaat de parachute open en heb je het gevoel dat je ineens stil hangt. Diep onder me zag ik ineens weer Marcel aan een parachute hangen. Een paar minuten later een tamelijk vlekkeloze landing, hoewel ik nog een tiental meters over het gras werd meegesleurd. Ik heb nog even roerloos in het gras gelegen om bij te komen van de emotie, toen uiteindelijk iemand me kwam oprapen. De rest van de dag werd besteed aan een wandeling richting een van de gletsjers. Mijn hoofd stond er niet echt naar, want ik was vooral nog bezig met de ervaring van die ochtend. Vrijdag dan verder naar het zuiden en dat was een echte regendag. Eigenlijk de eerste die we hier meemaken. Maar in de middag klaart het op en we rijden langs prachtige bergmeren om tegen de avond in Wanaka te belanden. Er zijn ook nog foto’s, zelfs van de sprong. De camera mocht natuurlijk niet mee tijdens de sprong, maar de begeleider was zo handig om enkele foto’s te maken. Kijk voor dit alles maar op:
Met enige weemoed hebben we Collingwood verlaten. Het was een heel relaxed oord met relaxte mensen. Aan de oceaan gelegen, mooie stranden, heerlijk gegeten en ontbeten in inmiddels onze vaste tent met lekkere behangmuziek uit de 60’er en 70’er jaren, zoals daar zijn de Beach Boys en Dire Straits. Hier zou je me zo een week of twee kunnen opbergen, maar dan wel met iets betere accommodatie. Maar op die manier zie je niks van de rest van het land, dus moesten we door naar Westport. Ook heerlijk gelegen aan de oceaan, aan de westkust, maar een heel ander soort stadje. Amerikaans van opzet met rechthoekig stratenpatroon en veel te veel ruimte tussen de huizen, zodat elke intimiteit weg is. Wel een stuk betere accommodatie. Een motel, ook een Amerikaanse uitvinding, maar ideaal voor de auto-vakantieganger, omdat je de auto op een meter van je voordeur parkeert. Westport heeft zo mogelijk nog mooiere stranden dan Collingwood. Daar zijn we dan ook twee nachten gebleven en in de ochtend een van de ‘walk-ways’ gedaan, over een verlaten spoorlijn van een verlaten mijnbouwgebied. Interessant door het industrieel erfgoed dat daar is te zien: wegroestende werktuigen, die daar plompverloren zijn achtergelaten, maar na een uurtje wandelen door een bos hadden we het wel een beetje gezien en zijn we omgekeerd.
Veel interessanter was de middagwandeling langs Cape Foulwind, met prachtig uitzicht over de kust. Aan het eind daarvan een uur lang genoten van de beukende golven die te pletter staan op de rotsen en ons verbaasd hoe een kolonie zeehonden in dat watergeweld kunnen overleven. En passant nog even de zon in de zee zien zakken. Dinsdag opnieuw een dag met prachtig weer. Daar kwam bij dat we langs een van de mooiste kustwegen (zeiden ze) van de wereld reden. Met het prachtige weer erbij was dat inderdaad een prachtige ervaring. Onderweg gestopt bij de ‘Pancake Rocks’ en de bijgeleverde foto’s maken duidelijk waarom die zo heten. Het bijzondere daarvan is dat de golven niet alleen met donderend geweld op die rotsen beuken, maar ook dat er allerlei grotten en gangen in die rotsen zitten, waardoor dit een bijzonder (en ook tamelijk heftig) natuurspektakel is. Uiteindelijk aangeland in Hokitika, met een bed-and-breakfast een beetje buiten het dorp, maar wel erg ruim en ook een hartelijke ontvangst. Foto’s op:
Vrijdag hebben we de oversteek gemaakt vanuit Wellington naar het Zuidereiland, toch nog zo’n drie uur varen. Het kan in die Straat van Cook flink waaien, maar de oversteek was rustig onder een strakblauwe lucht. Heel aangenaam om dan op het bovendek te vertoeven. We hebben aan de overkant de huurauto opgehaald en zijn uiteindelijk via de noordkust na bijna 300 kilometer in Collingwood terecht gekomen, aan de uiterste noordpunt van het Zuidereiland. De accommodatie daar was verrassend. We dachten een kamer in een motel te hebben geboekt, maar kwamen terecht in een houten hok van de aanpalende camping met allerlei motorhomes om ons heen. Geen plaats voor de bagage, dus die bleef in de auto. Gewoon douchen en naar de WC gaan in de gemeenschappelijke ruimtes, ook als je er onverhoopt ’s nachts uit moet. Inderdaad even een verrassing, maar de locatie vergoedt veel. Collingwood, maar vooral het nabijgelegen Takaka, is een soort hippie-hangout. Ik dacht dat het verschijnsel niet meer bestond, maar het bleek springlevend. Helemaal terug naar 1970 of daaromtrent. De bedoeling is daar dat je je omgordt met een sarong of ander soort doek en je je op blote voeten of desnoods op teenslippers over straat begeeft. In elk geval beslist geen schoenen. Vanzelfsprekend is de haardracht daarmee in overeenstemming.
Zaterdagmiddag zouden we verder gaan naar Farewell Spit, een landtong op de uiterste noordpunt en daar een uitgezette trekking maken. Het begon met een onschuldig zaterdagmiddag-wandelingetje aan de zuidzijde van de landtong, maar eindigde in een toch wel wat angstige ervaring. Na de oversteek door de duinen kwamen we aan de noordkant op het strand in een zandstorm terecht. Door het slechte zicht konden we de goede doorsteek door de duinen niet meer vinden en zijn uiteindelijk op het strand en in de duinen verdwaald. We waren helemaal alleen, maar troffen uiteindelijk twee Zwitsers, die ook op zoek waren naar de uitgang. Na ruim een uur dwalen door de struiken in de duinen kwamen we uiteindelijk op het goede pad terecht en konden we met het eindpunt in zicht de wandeling rustig en vooral opgelucht afmaken. Ondertussen tijd genoeg voor een babbeltje met die Zwitsers. Wij dachten dat we hele pieten waren met onze wereldreis van vier maanden, maar die twee waren twee jaar onderweg en hadden er nu negen maanden opzitten. De foto’s van de oversteek en het duinenavontuur staan op:
De volgende bestemming is meteen Wellington in Nieuw-Zeeland, een van de meest afgelegen grotere landen ter wereld. Australië is al heel ver en daarna is het nóg eens drie uur vliegen. De reis vanaf Dubai begon al met enige stress. Het leermomentje was dat je alles nog eens een keer moet dubbel-checken. We hadden het natuurlijk nog wel gevraagd: kunnen we een taxi krijgen naar de luchthaven? Ja, welke maatschappij? Qantas?, Oh, dat is dan terminal 1. Daar aangekomen bleek het toch terminal 3 te zijn. Niet erg voor een klein vliegveldje (hoewel ze daar niet eens een terminal 3 zouden hebben), maar wel erg op een van de grootste luchthavens ter wereld. Ander leermomentje: neem dus altijd minimaal een halfuurtje extra voor dat soort dingen. Maar gelukkig hadden we dát dan wel weer gedaan, dus dat kwam achteraf prima uit, want die tijd bleken we ook wel nodig te hebben.
Veertien uur non-stop vliegen naar Sydney, daar drie uur wachten en dan nog eens drie uur vliegen naar Wellington, op de zuidpunt van het Noordereiland. Douane in Nieuw-Zeeland: obsessieve controle dat er geen enkele vreemde voedingswaar of ander besmet spul het land binnenkomt. Uitgebreide controle van onze schoenen, want we hadden eerlijk verteld dat we in de laatste 30 dagen in Tanzania waren geweest. We worden in Wellington afgehaald door Chris, die ons ook heeft vergezeld in Tanzania en van wie we daar elf dagen geleden afscheid hebben genomen. We zijn enkele dagen bij hem te gast om uit te rusten van de reis en te wennen aan het tijdsverschil van twaalf uur met Nederland. En natuurlijk ook om een eerste indruk te krijgen van Nieuw-Zeeland en zijn hoofdstad Wellington. Nieuw-Zeeland bestaat nog voor zo’n 20% uit Maori’s, de oorspronkelijke bewoners ook met hun eigen taal, vooral op het Noordereiland. In het nationale museum (‘Te Papa’) zien we elementen van hun cultuur, hoewel die expositie veel weerstand oproept, juist bij die oorspronkelijke bewoners. Want dingen die je in een museum tentoonstelt laten eigenlijk iets van een verleden zien dat niet meer zou bestaan, terwijl die oorspronkelijke bewoners juist erg opkomen voor hun bestaansrecht.
We zijn dus aangeland in Wellington: ‘the coolest little capital of the world‘, zoals ze hier zeggen. Met ‘cool’ bedoelen ze ‘trendy’. Het is geen grote stad, maar wel de hoofdstad van Nieuw-Zeeland, met zo’n 400 duizend inwoners. Auckland, verderop op het Noordereiland is verreweg de grootste stad met zo’n 1,5 miljoen inwoners. Aan de houten huizen en de ligging aan zee te zien, zou het zo Noorwegen kunnen zijn. Schitterend gelegen aan een gevarieerde kust onderaan het Noordereiland. Maar eigenlijk zou de stad ook zo weggelopen kunnen zijn uit Engeland en het ís natuurlijk ook nog een beetje Engeland met koningin Elizabeth als staatshoofd. Aan de gedenkplaten te zien is ze verschillende keren hier geweest om eerste stenen te leggen, gebouwen te openen of anderszins linten door te knippen. Ook het klimaat is ‘cool’. In de zomer wordt het zelden meer dan 25 graden, maar ook vriest het er vrijwel nooit. Nu hebben we geluk en is het prachtig weer, met inderdaad ongeveer 25 graden. Al met al is het een aangename stad en we hadden een aangenaam verblijf daar. Maar donderdag (23 februari) was (voorlopig) alweer de laatste dag in Wellington. Vrijdagochtend gaan we eerst de oversteek maken naar het Zuidereiland en daar de huurauto ophalen. Dan begint de drieweekse tour over dat Zuidereiland. We zijn benieuwd. De foto’s van de eerste indruk van Nieuw-Zeeland staan op:
Donderdagavond 16 februari gaan we dan écht, voor een aantal maanden zelfs. Zeven jaar lang hebben we hier al over gesproken en het plan is in al die jaren nog vaak veranderd, zowel voor wat betreft wanneer, hoe lang en waarheen. Maar nu is het dan zo ver. Dick brengt ons naar Schiphol en na alle formaliteiten zitten we in de vertreklounge te wachten, oog in oog met het vlaggeschip van de luchtvaart: de A380 van Emirates, die ons naar Dubai zal vliegen. Lekker veel ruimte om te zitten en zeven uur later op de vroege vrijdagochtend staan we dan in Dubai. Dubai ligt aan de Perzische Golf, in de woestijn en het regent er vrijwel nooit. Behalve dan nu wij er zijn. Met name op de vrijdag was dat met motregen en ook nog eens mist een echte spelbreker, want we zouden die dag de Burj Khalifah op gaan, met 800 meter de hoogste toren ter wereld en op een hoogte van bijna 600 meter van het prachtige uitzicht genieten.
Je kon alleen nauwelijks de grond zien, laat staan het spectaculaire uitzicht over de stad, op Sharjah en bij helder weer zelfs de overkant van de Perzische Golf. Ik had me er ook fotografisch veel van voorgesteld, maar met dat uitzicht is de kwaliteit van de daar gemaakte foto’s dus navenant, hoewel na enig gepruts met Photoshop kon ik nog wel wat contrast aanbrengen, hoewel het eindresultaat nog steeds onder de maat was. Dubai leek me een stad met weinig ruimtegebrek. Er wordt hier niet op een vierkante meter gekeken, dus valt niet goed in te zien waarom ze daar dan zo’n hoog ding hebben neergezet. Maar bij de rondleiding daar kwam er een uiteenzetting, die ging over trots, vooruitgang en prestatie. Het is een van de meest bizarre steden die ik ooit heb gezien. Enorme shopping malls, waar het consumentisme hoogtij viert met niet bepaald de goedkoopste spullen. Zelfs hier en daar decadent, voor wat betreft spullen die je kunt kopen, maar ook voor wat betreft de schaatsbaan en skipiste.
Negentig procent van de inwoners is niet oorspronkelijk. Veelal Pakistanen en Indiërs, die tegen dubieuze arbeidsvoorwaarden werken in de onafzienbare bouwputten die er ook nog zijn. Maar ook expats die in eindeloze luxe woonkazernes en op het bizarre nieuwe palm-eiland wonen. Allemaal veel groter dan ik me had voorgesteld. Met de monorail kon je helemaal naar het einde van het palm-eiland, met onderweg lange straten met meer dan gemiddelde optrekjes. Je kan er best mooi wonen, maar het lijkt me dat je uiteindelijk toch de gezelligheid gaat missen. Dubai bestaat uit een relatief klein ouder deel rond ‘the Creek’, dat nog wel iets heeft van wat je sfeer zou kunnen noemen. Verder een oneindig veel groter nieuwer deel dat in de laatste twintig jaar uit de grond is gestampt. Onze hotel-locatie lag in het kleine en oude Dubai. Ideaal gelegen rond ‘the Creek’ en we staken meerdere keren in kleine bootjes het water over, bijvoorbeeld om ’s avonds te eten in de lokale eethuisjes in de oudste wijk Bastakia. Dubai is leuk om te bezoeken als je er – zoals wij – toch langskomt op doorreis. Maar na twee dagen is het wel genoeg. Dus een weekje vakantie, dat ook vaak wordt aangeboden is toch wel wat veel. De bestemming valt dus in de categorie: ‘leuk om gezien te hebben, maar een tweede keer hoeft niet’. De doorreis gaat zondag dan ook verder naar ‘down-under’. De foto’s van Dubai staan op:
De Ngorongoro-krater was het laatste onderdeel van de safari. Een krater, kilometers breed en honderden meters dieper dan de rest van het land. Alleen te bereiken met een steile afdaling. Er moet dus hier een soort van mini biologisch evenwicht heersen, want ik kan me nauwelijks voorstellen dat de grotere dieren de krater verlaten of andere grotere dieren de krater binnenkomen. Aan de andere kant waren alle diersoorten die we in de afgelopen week hebben gezien, ook hier weer te zien. We zien plotseling, heel ver weg, twee rinocerossen. Het dier wordt met uitsterven bedreigd, ook al om dat hun hoorns erg gewild zijn bij stropers. Ik raak gefascineerd door dat mini biologische evenwicht hier. Zoals overal heb je ook hier herbi- en carnivoren. Maar alles eet hier alles op, en aan het eind van de voedselketen zijn er altijd nog de gieren die een dode zebra in ontbinding nog lekker vinden en de hyena’s die de laatste botten van een karkas nog oppeuzelen. Olifanten maken korte metten met hele boomtakken. Giraffen, met een tong als beton, draaien hun hand niet om voor een acacia met vlijmscherpe doornen.
Maar ik vond het er in het algemeen toch heel vredig toegaan, in schrille tegenstelling met het beeld dat je in de BBC-documentaires krijgt voorgeschoteld. Daaruit krijg je de indruk dat het vleesetende wild de hele dag bezig is om ander wild om zeep te helpen. Indrukwekkend vond ik vooral een groep nijlpaarden die allemaal bij elkaar in een ondiepe stinkende poel erg comfortabel lagen te zijn. Aan het eind van de safari nemen we de steile helling naar boven naar de laatste lodge van de reis. Om op donderdag 9 februari nog een paar uurtjes verder te reizen naar een restaurant vlak bij het vliegveld, waar een afscheidslunch klaar stond. Afscheid van David, die ons met een engelengeduld de hele week begeleid heeft. En zonder wiens scherpe oog we niet hadden kunnen zien wat we hebben gezien. Het was nog een middagje wachten, maar halverwege de avond konden we met de KLM terugvliegen naar Amsterdam. Einde van een reis die me nog lang zal heugen. Tanzania was alleen nog maar de proloog van onze grote wereldreis. Eerst nog weer een paar dagen in Amsterdam, maar op donderdag 16 februari vertrekken we écht en ook voor langere tijd. De laatste Ngorongoro foto’s staan op: