Na vier dagen in de grote stad, wordt het nu tijd voor wat meer landelijks. We gaan naar het noordoosten en zijn een paar dagen in Penn Valley, ten noordoosten van Sacramento. Een heel landelijk en bosrijk gebied. Bekend geworden door de bosbranden, die er vorig jaar hebben gewoed en zelfs een heel dorp (Paradise) in de as hebben gelegd. Aan de kurkdroge grond en aan de hoge (en kennelijk heel brandbare) bomen te zien kan je je een voorstelling maken hoe het vuur daar, aangewakkerd door een sterke wind, heeft huisgehouden. Nu niets van dat alles. Een heerlijk gebied, zonnig met frisse ochtenden, waar we de jet-lag (waarvan ik deze keer toch wel veel last heb gehad) helemaal achter ons kunnen laten. Behalve dat we hier een beetje aanlummelen, is er ook weer wat ruimte voor enige lichaamsbeweging. Marcel heeft er een zwembad en sportschool kunnen vinden en ik draaf in de ochtend een halfuurtje over wat heuvelachtig terrein. We bezoeken de kleine plaatsjes in het gebied, waardoor we enige indruk krijgen hoe het leven op het Amerikaanse platteland er zo’n beetje uitziet.
Maar de grootste bezienswaardigheid in de regio is toch wel Sacramento. De stad is veelbezongen in de Amerikaanse popmuziek uit de jaren ’60 en ’70. Daardoor heeft die stad in mijn onderbewustzijn na zoveel jaren inmiddels mythische proporties aangenomen. Ik weet niet meer waar de teksten uit die muziek over gingen, maar het kan in elk geval niet zijn gegaan over de uitstraling die de stad nu heeft: hypermodern en in de laatste tien jaar grondig gerenoveerd. Heel fraai stadsmeubilair, in felle kleuren die mooi afsteken tegen de strakblauwe lucht. En prachtig onderhouden parken. Toch ook nog een piepklein stukje ‘oud-Sacramento’, mooi gelegen aan de rivier met houten huizen en balkon-galerijtjes. Daar zal dan die muziek wel over zijn gegaan. Sacramento is ook de hoofdstad van Californië. We nemen een kijkje in het Capitool, van waaruit de staat wordt bestuurd. Een tamelijk somber gebouw, maar met een ereplaats voor Ronald Reagan, die er ooit gouverneur was. De camera was er altijd bij en een indruk van Sacramento en deze landelijke ‘aanlummel’-dagen staat op:
San Francisco heeft eigenlijk drie verschillende stadsdelen, die allemaal bezienswaardig zijn. Zo is er de kuststrook ten oosten van de Golden Gate brug. Een kilometers lange strook vanaf de ferry terminal bij de Oakland Bay Bridge, richting het westen via de Fisherman’s Wharf. Die laatste plek moest tegen elke prijs worden vermeden, omdat die met afstand de grootste tourist trap van de stad zou zijn, misschien zelfs wel van de hele VS. Dan verder naar het westen, met mooi uitzicht over Alcatraz en in de verte DE brug. Van een groot stuk van die kust had ik al in het vorige blog verslag gedaan (zie San Francisco, 4 maart ‘22). Een prachtige kust, maar zelfs midden in de zomer is het water veel te koud om er in te zwemmen. Maar wel een ideaal gebied om op die brede kuststrook allerlei sporten te beoefenen, zo blijkt. En dan natuurlijk de brug zelf, een belangrijk icoon van de stad.
Verder is, zoals elke stad die een beetje meetelt in de VS, hier ook een down-town. De naam suggereert dat dit het centrum is waar wordt gewoond en gezellig wordt gedaan. Maar het tegendeel is het geval. Er wonen weinig mensen, maar er is des temeer kantoorruimte in hoge wolkenkrabbers waar de wind omheen giert. Maar hier hebben ze duidelijk geprobeerd om de kwaliteit van de openbare ruimte hoog te houden, mede door een gewaagde architectuur en kleurig stadsmeubilair. Dus ook de wolkenkrabbers zijn, voor de liefhebbers, vanuit architectonisch oogpunt toch wel de moeite waard om te zien. En tenslotte zijn er in dat gebied een aantal musea, zoals onder meer het Museum of Modern Art dat we zondag bezochten. Dus ook is, wat mij betreft, de down-town van San Francisco zeker de moeite waard.
Maar wat San Francisco écht onderscheidt van andere Amerikaanse steden is wel het deel waar wordt gewoond: het gebied ten zuidwesten van down-town. Je hebt er natuurlijk, zoals overal, appartementencomplexen. Maar heel bijzonder zijn wel de victoriaanse huizen, paleisjes zelfs. Veelal opgetrokken uit hout, maar voorzien van soms extravagante kleuren. En omgeven door ruime tuinen met mediterrane flora. Nou weet ik ook wel dat je hier niet een representatief beeld hebt van de stad. Want er zijn genoeg mensen die zich een verblijf in die paleisjes niet kunnen veroorloven. Die wonen dus in wijken waar wij zelf ook niet geweest zijn. En aan de kaart te zien zijn dat nog flink grote gebieden. Daar zal het er allemaal wel wat minder fraai uitzien, met alle problemen van dien.
Maar zelfs de mooie woonbuurten ontsnappen niet aan lastige problemen. Want ook in die buurten is er flink wat drugsoverlast. Het drugsprobleem in San Francisco is namelijk enorm. Elke ochtend zien we hier daklozen op straat liggen, verwaarloosd en in vervuilde slaapzakken of in tentjes die op de trottoirs staan. Ze krijgen wel hulp en onderdak aangeboden, maar dat weigeren ze vaak, omdat ze dan ook niet meer kunnen gebruiken. Ze krijgen voedselbonnen, maar die verkopen ze weer voor drugs. Het gebruik financieren ze verder met diefstal. De bewoners voeren al jarenlang een strijd met de gemeente om iets aan dit probleem te doen, maar tevergeefs, zo blijkt. Desondanks is deze stad in vergelijking met andere steden in de VS toch wel een pareltje en de fotoserie van deze twee laatste dagen in San Francisco staat op:
De kop is eraf…! Na een dagvlucht van 11 uur aangekomen in San Francisco. De vlucht zelf was niet alleen erg lang, maar eigenlijk toch ook wel heel fraai. Want, behalve wat gelezen en een film bekeken, ook ontdekt, of eigenlijk nog maar eens bevestigd gezien, dat een groot deel van de aarde onbewoond is. Twee uur vliegen boven Groenland en daar alleen maar sneeuw en dikke pakken ijs. Dan de “provincie” Nunavut in noordoost-Canada, een gebied zo groot als vier keer Frankrijk en slechts 31 duizend inwoners. Urenlang vliegen over dat gebied en – behalve daar ook sneeuw en ijs – dus helemaal niets. Naarmate de vlucht verder vorderde, geleidelijk wat meer bewoning en minder sneeuw en ijs. En aan het eind van de oversteek van de VS was het in San Francisco al bijna zomer. Daar ineens korte broeken en t-shirts op straat. We werden van het metrostation afgehaald door onze gastheren, bij wie we een paar dagen gaan verblijven.
We gaan hier wat acclimatiseren, want een tijdverschil van negen uur is toch wel veel, zo merkten we al snel. Dat betekent om 8 uur ’s avonds niet meer uit je ogen kunnen kijken van slaperigheid, dus vroeg naar bed en dan om 2 uur ’s nachts klaarwakker en dan niet meer kunnen slapen. We laten het maar over ons heen komen en gaan beslist niet ons programma helemaal volproppen, maar gewoon zien wat zich aandient en waar we op dat moment zin in hebben. Een van de eerste gespreksonderwerpen was Oekraïne, en ook hier gaat het eigenlijk bijna nergens anders meer over. Het acclimatiseren ging dan ook voor een deel op aan veel CNN kijken. Elke keer als je denkt dat het daar nu toch echt niet meer erger kan, blijkt het de volgende dag toch weer erger te zijn. Het onderwerp hangt dan ook als een zware deken over onze eerste dagen. Toch was er wel het nodige initiatief, al was het maar om even dat onderwerp naar de achtergrond te duwen. Zoals twee slenterwandelingen door down-town en langs de kust. En natuurlijk het hardloopje over DE brug. Een indruk van de acclimatisatiedagen staat op:
In afwachting van de lange vliegreis van volgende week en de verplichte (hopelijk negatieve) coronatest maximaal 24 uur voor vertrek, zitten we nu in een soort vrijwillige quarantaine. Want omikron heb je zo..! Dat betekent veel binnen zitten en proberen je thuis te vermaken. Het theatertje, dat zich dinsdag voor ons keukenraam afspeelde was dan ook een onverwacht kadootje: het opbouwen van een bouwkraan een stukje verderop. Die kraan zal worden gebruikt bij de bouw van 34 studentenwoningen aan de Prins Hendrikkade. Een bouwkraan is op zich niks bijzonders, want ze staan bij bosjes in de stad. Soms staat zo’n ding er ineens en dan vraag je je af hoe die er is gekomen. Want nog nooit had ik het opbouwen ervan gezien.
Tot vandaag, toen het hele tafereel zich voor ons keukenraam ontrolde. Met een hoogwerker werden de onderdelen aangebracht: eerst een horizontaal deel, later de katrol en het tweede horizontale stuk. Tenslotte de contragewichten. Boven geholpen door drie man, ongetwijfeld zonder hoogtevrees en ongetwijfeld ook goed gezekerd. Ik kreeg vooral groot ontzag toen op het laatst nog iemand helemaal naar het uiteinde kroop om nog even een kabel over een katrol heen te leggen. Lesje bouwkraan opbouwen, weer eens wat anders. Kon het dus niet laten om er een fotoserie van te maken. De kwaliteit is niet wat ik graag zou willen, maar vanuit het keukenraam sterk inzoomen bij donker en grijs weer is nou eenmaal geen ideale combinatie. Vergeet dus even de kwaliteit, maar kijk naar de circus-acts op:
Het tochtje naar de Maasvlakte van vrijdag leverde nóg een fraaie bijvangst op. Gingen we eigenlijk voor het boottochtje en het zicht op de containers, de reis erheen en weer terug was zeker zo interessant. Zoals trouwens meestal met reizen het geval is: niet alleen de bestemming telt, maar ook de weg er naartoe. Al vanaf de Beneluxtunnel kom je in een bizarre wereld van olietanks, raffinaderijen, pijpleidingen en allerlei andere industriële installaties. En dat tientallen kilometers lang. We associëren dat gebied met ‘de Rotterdamse haven’, maar het is allemaal veel meer dan alleen maar een haven. Niet echt onbekend natuurlijk, maar als fotograaf ga je daar toch weer anders naar kijken. In het algemeen wordt dat lelijk gevonden. Er bestaat immers een zekere consensus over wat mooi is en daar hoort dit zeker niet bij. Maar ‘heel lelijk’ kan in de fotografie juist ook weer ‘heel mooi’ worden. Zoals vandaag dus.
Een andere bijvangst was dat we die dag het geluk hadden dat we in de Maasvlakte oog in oog kwamen te staan met het grootste schip ter wereld: de “Pioneering Spirit”. Beter maar even googelen, want het voert te ver om te beschrijven wat dat ding allemaal kan. Maar wat zulke grote schepen alleen niét kunnen is zelfstandig varen binnen dat kleine postzegeltje van een Maasvlakte, want er moeten allemaal sleepboten met grote stootkussens aan te pas komen, die met duwen en trekken het gevaarte op zijn plaats zetten. Op dat moment was er net een oefening aan de gang met de reddingssloepen van het schip.
Tenslotte blijkt de Maasvlakte – en dat was voor ons wél onbekend – de locatie te zijn waar de jachten in het wat hogere segment worden afgebouwd. Nederland is sowieso groot in de bouw van dit soort jachten, maar dat gebeurt alleen niet hier. Hier vindt de finishing touch plaats, het ‘inregelen’, testen en beschilderen met een fraai logo. Zoiets als ‘rijklaar maken’. Want je wilt als oliesjeik toch wel een beetje voor de dag kunnen komen met zo’n ding. Wat er allemaal als bijvangst te zien was staat op:
De Maasvlakte: een groot stuk opgespoten stuk land ter hoogte van Hoek van Holland, zo’n 40 kilometer ten westen van Rotterdam. Normaal gesproken heb je er niks te zoeken maar een bezoekje is toch buitengewoon de moeite waard. Je kan er een boottocht maken en van dichtbij bekijken wat er allemaal te zien is. Tezamen met een klein handjevol andere mensen, een illustratie van het feit dat veel mensen inderdaad geen idee hebben dat je daar ook nog naar toe kan. Hier meren de allergrootste containerschepen aan en worden de containers er in- en uitgeladen. In mijn allereerste werkzame jaren mocht ik me als jongste bediende met het goederenvervoer in Europa bemoeien. En toen werd me al verzekerd dat containervervoer, dat destijds nog in de kinderschoenen stond, een grote toekomst zou hebben.
Die voorspelling is uitgekomen, lijkt me zo, want hier komen schepen van honderden meters lengte met zo’n 23.000 hoog opgestapelde containers. Ik kan me niet aan de gedachte onttrekken dat die containers vol zitten met Chinese meuk (om over cocaïne nog maar te zwijgen), en dat het hele containerconcept met die grote toekomst zijn grenzen onderhand wel heeft bereikt. En dan zie je vrachtwagens af en aan rijden met zegge en schrijve één container aan boord met bestemming ergens in het Europese achterland. Maar gelukkig hebben we nog onze rivieren, met schepen die ook nog de nodige containers kunnen afvoeren. En dán nog de Betuwelijn, zodat er niet meteen 23.000 vrachtwagens hoeven klaar te staan als er weer eens een schip aankomt.
Een andere bezienswaardigheid is de assemblage van windmolens. Die hebben ook een grote toekomst, maar dat realiseren we ons pas in de laatste tien jaar. Het begin was nog aarzelend, maar nu gaan ze helemaal los en worden er op de Noordzee enorme windmolenparken aangelegd. Veel van die molens worden hier gebouwd. Of eigenlijk niet echt de molens, maar juist de hoge pilaren waar de wieken aan worden bevestigd. Kleinere stukken daarvan worden in Limburg gefabriceerd en hier aan elkaar gelast en van een geavanceerde coating-laag voorzien. Want tientallen jaren in het water van de Noordzee overleef je niet met een potje verf van de bouwmarkt. Her en der liggen die pilaren opgestapeld, je kon er redelijk dichtbij komen, maar we werden als argeloze toeschouwers door allerlei camera’s en bewakingspersoneel toch op veilige afstand gehouden. Maar een fotoserie is er toch gekomen, van de windmolens én de containers. Zie daarvoor:
Elk jaar in februari begint het te kriebelen. Zouden we al voorzichtige tekenen van het nakende voorjaar kunnen zien? Zouden……, want na al die grijze dagen, was dát misschien nog iets te optimistisch. Maar maandag was er ineens wat zon. Die bestáát dus nog…! Alleen nog niet zo heel uitbundig en bovendien met een koude wind, maar het Vondelpark leek me een mooie plek om eens te bekijken of het voorjaar er inderdaad aan zit te komen. Bovendien had mijn camera ook een soort winterslaap gehad, dus die mocht ook wel eens wakker worden. En ja hoor, het begint eraan te komen, dat voorjaar. Nog wel wat schoorvoetend, maar het begin is er. Nu nog een paar dagen met iets meer zon en een wat minder koude wind en dan zul je nog eens wat zien..! Het was maandag in elk geval genoeg om er een foto-serietje aan te wijden. Een mini-serietje, dat wel. Want zo héél uitbundig was het voorjaar nou ook weer niet. Dat serietje staat op:
De nieuwe zeesluis in IJmuiden is deze week door de koning geopend en in gebruik gesteld. Tijdens de bouw zijn we er verschillende keren geweest, in de hoop dat je vanuit IJmuiden over de sluizen richting het Tata Steel complex kon lopen. Ooit heeft dat gekund, maar de bouwput heeft de toegang jarenlang geblokkeerd. Maar nu schijnt het weer te kunnen en moesten we er dus maar eens gaan kijken. Niet alleen naar de nieuwe sluis, maar ook om de route over de sluizen in (her)gebruik te nemen. De nieuwe sluis schijnt de grootste ter wereld te zijn. Maar de ‘fotogeniekheid’ viel tegen. Tijdens de bouw had je tenminste nog het woud aan bouwkranen, waardoor je de indruk kreeg dat hier wel iets heel spectaculairs zou komen. Maar nu de kranen weg zijn resteert alleen nog maar een grote bak met water.
Wel kon je over een van de sluisdeuren lopen en kreeg je een indruk hoe zo’n enorme deur open en dicht kon schuiven. Maar schepen waren er niet. Tenminste niet in die grote sluis. Want de schepen die er wel waren gebruikten nog gewoon de andere kleinere sluizen, zoals ze dat altijd al deden. De grote sluis is voorbehouden aan de allergrootste schepen, die hier natuurlijk ook niet elke dag komen. Maar de doorgang naar Tata Steel was er wél weer. Hoewel we het einde daarvan niet hebben gehaald, want door de kou kon ik op het laatst met mijn verkleumde vingers de camera bijna niet meer bedienen. Eigenlijk de twee camera’s, want ik had mijn nieuwe tele-compactje ook maar weer eens meegenomen. Dat leverde fraaie vergezichten op want die viezigheid van Tata Steel is toch een stuk fotogenieker dan die grote bak met water.
Nu het fabriekscomplex er nog staat tenminste, want het zou zo maar kunnen dat Tata Steel er over tien jaar niet meer is. Want ‘s-lands grootste vervuiler ligt wat dat betreft toch wel onder vuur. En dan zou er over tien jaar alleen nog maar die grote bak met water te zien zijn. Nou ja, misschien nog wel een fraai aangeharkt park van industrieel erfgoed, omgebouwd tot museum. De bedoeling was een serie over de sluis, maar het is eigenlijk toch meer een Tata-serie geworden, te vinden op:
Bouwen, bouwen, bouwen…! Dat is het mantra dat we zowat dagelijks horen. Eén miljoen woningen moeten er nog tot 2030 komen. Nou, aan Amsterdam zal het niet liggen. Hier worden al jaren complete woonwijken neergezet. Het nieuwste voorbeeld is Overhoeks, op de noordelijke IJ-oever, net achter EYE. Niet zomaar huisjes met tuintjes, maar echte woontorens. Vijfentwintig verdiepingen, iets wat in Rotterdam al jaren heel gewoon is, is nu ook hier niks bijzonders meer. Je ziet de wijk de laatste jaren langzaam groeien vanaf het Centraal Station of als je de pont neemt naar Noord. Maar nog nooit had ik de moeite genomen om er eens een kijkje te nemen. Tot vorige week, toen het ineens een paar dagen niet regende. Twee torens zijn al bewoond, maar twee andere zijn nog niet op hoogte. Behalve die torens is er nog de nodige ‘laagbouw’, maar ook van pakweg tien verdiepingen. Allemaal voor ‘het hogere segment’, zo te zien.
Dat hogere segment zit nu nog tussen opgestapelde bouwmaterialen, maar over een paar jaar zal het er best mooi zijn. En ook zal er nog wel wat groen gaan komen, vermoed ik. Alleen is, als je tenminste niet met de auto wilt, de boot nu nog de enige verbinding met de binnenstad, want de metrohalte is net weer te ver. Dat Overhoeks is niet de enige bouwput. Want ook aan de voorkant van het Centraal Station zijn ze nog lang niet uitgebouwd. Daar wordt al jaren gewerkt aan een enorme fietsenstalling. Dat werd ook wel tijd, want nu de auto goeddeels uit de binnenstad is verdwenen en het fietsen in de stad werd aangemoedigd, is er een groot tekort aan fietsparkeerplaatsen. En is zelfs het parkeren van je fiets een uitdaging geworden. Hoe de skyline en de omgeving van het Centraal Station er vandaag uitziet staat op:
Elk jaar wordt in de donkere dagen in Amsterdam het Amsterdam Light Festival georganiseerd. Een verzameling fraai verlichte ‘licht-objecten’ die zich het beste laten zien vanaf het water. Eerlijk gezegd vond ik het ook dit jaar weer een beetje tegenvallen. Maar het zit de organisatie dan ook niet mee. Er is blijkbaar geldgebrek, maar misschien ook wel een gebrek aan inspiratie bij de licht-kunstenaars. Want sommige objecten hadden we in eerdere jaren ook al eens gezien, alleen liggen ze nu op andere plaatsten. Maar het minste wat je als organisatie toch kan doen is het licht aanzetten van die ‘licht-objecten’. Want sommige objecten in mijn buurt blijven ook in de avond aardedonker. Daardoor komt dit ‘festival’ eerlijk gezegd niet in de búúrt van wat Eindhoven elk jaar in november met zijn Glow neerzet. Maar ik kon het toch niet laten om er weer een serietje van te maken. Gelukkig waren er ook objecten te zien die het hele jaar door in de schijnwerpers staan, zodat de stad er in deze donkere lock-down dagen toch nog wel een beetje leuk uitziet. Kijk maar op: