Eén juno…! Een bijzondere dag waar heel Nederland naar uitkeek. Niet omdat het tweede Pinksterdag was, want dat is het elk jaar wel een keer. Ook niet omdat het prachtig weer was, want dat was het de laatste tijd ook (bijna) altijd. Het was het min of meer officiële einde van de lock-down. Ik begon daar overigens aardig aan te wennen. De agenda was leeg, er hoefde helemaal niks en de dagen gleden moeiteloos voorbij. En bijna elke dag waren er wel maatschappelijke vergezichten te lezen van allerlei orakels, die ons een heel wat betere wereld beloofden, waar ik me – als eeuwige optimist – dan maar aan vasthield. Dat de afgelopen periode me zo meeviel was natuurlijk ook te danken aan het prachtige weer, waardoor ik rondjes kon hardlopen en fietsen, dan wel anderszins daarvan genieten.
Maar ook ik ben natuurlijk blij dat er weer van alles mag uit het oude normaal, omdat de digitale en dus wat onpersoonlijke anderhalve-meter-samenleving mij ook geen ideaal maatschappijbeeld lijkt. Hoe dan ook, je kan deze memorabele en prachtige dag niet beter vieren dan een fietstocht te maken met Marcel door de Zaanstreek. Je moet alleen nog even met mondkapjes op met de boot naar de overkant van het IJ, maar verder is alles oud-normaal. Eenmaal aan de overkant moet je dan ook nog even door Amsterdam-Noord, maar dan houdt de Randstad ineens op en sta je midden in het strak vlakke polderland. De Zaan loopt dwars door de Zaanstreek en heeft twee kanten. Aan de aangeharkte oostkant de frisgroene Zaanse huisjes met de Zaanse Schans, nu nog zonder Chinezen. Aan de rommelige westkant het industriële erfgoed uit de tijd dat Zaandam het welvarende centrum was van de voedingsmiddelenindustrie. Het werd een heerlijke fietsdag, de camera mocht ook mee en heeft er de volgende serie van gemaakt:
De uitzonderlijk zonnige lente maakte het mogelijk om na de lange winter weer eens Zandvoort aan te doen. Niet zozeer voor een uitwaai-wandeling, want daar heb je dat mooie weer helemaal niet voor nodig. Maar we waren er om eindelijk weer eens lekker in de zon te liggen en om ons zelfs in zee te wagen. Alleen was het water nog te koud om dat lang vol te houden. Het Zandvoort-bezoekje moest sowieso nog even wennen met die intelligente lock-down. Zo had onze favoriete strandtent Fosfor wel koffie, maar je mocht er niet op de stoelen zitten. Die stonden nog ergens in een verlaten hoekje opgestapeld en wij mochten met een kartonnen bekertje ergens in het zand gaan zitten. Niettemin viel er veel te zien: flora, fauna en vergezichten. De flora moet je in de duinen vinden. Op het eerste gezicht een desolaat uitgedroogd en verdord landschap, maar de fauna kan er goed terecht. Kleine rupsjes, vlinders en in de avonduren zijn er de vele herten, die daar kennelijk genoeg te eten kunnen vinden. Daarvan zijn er zelfs te veel en af en toe worden ze dan ook afgeschoten. René had zelfs een vos gezien en ook gefotografeerd, maar helaas liet die zich niet meer zien toen ik mijn camera in de aanslag probeerde te brengen.
Op het strand ook genoeg fauna: krabben, kwallen en vogels. En in de zee af en toe zeehonden, hoewel niet deze keer. En dan de vergezichten. Als je op het duin staat kun je bijna de hele kust afkijken tot ver ten noorden van IJmuiden. In het zuiden lijkt Noordwijk binnen handbereik, en is zelfs Den Haag goed zichtbaar. Tenslotte heel ver de grote tankers en de windmolenparken. Daarover was er in Zandvoort veel gedoe. Ze mochten er niet komen, omdat het horizonvervuiling zou zijn en zelfs de dood voor het toerisme zou betekenen. Maar de gemiddelde toerist keurt die molens geen blik waardig en zíet ze waarschijnlijk niet eens. Al met al twee heerlijke stranddagen en een mooie ouverture van een hopelijk mooie zomer. Vastgelegd op:
De bedoeling was een bezoekje (met fotoserie) aan Medemblik. Weliswaar ooit daar geweest, maar erg lang geleden en dus wat weggezakt in de herinnering. Dat bezoekje vandaag is dan uiteindelijk wel gelukt, maar Medemblik kwam er toch weer wat bekaaid vanaf. Dat kwam omdat onderweg – zoals wel vaker gebeurt – weer veel te zien was. Edam bijvoorbeeld, katholiek bolwerk met een veel te grote kerk voor dat kleine dorp. Helaas gesloten en dus niet te bezichtigen. Wel een fraai kerkhof, gedrapeerd rond de kerk. Ik kan op dat soort plekken lang ronddwalen, terwijl ik kijk naar de lange of soms ook korte levens die deze mensen hebben gehad. En probeer me daarbij met behulp van hun leeftijden en aangebrachte foto’s een voorstelling te maken van de familieverhalen erachter. Het dorp is wereldberoemd om zijn kaas, maar staat wat betreft toeristen toch wel wat in de schaduw van Volendam.
Maar – behalve wij uit Amsterdam – waren er nu helemaal geen toeristen en dan krijg je een indruk hoe het stadje er ooit bij lag vóór het tijdperk van het massatoerisme. Verderop langs de IJsselmeerkust, tussen Edam en Hoorn, met de skyline van Almere als achtergrond, wordt een enorm project uitgevoerd, dat eigenlijk nauwelijks bekend is. Althans niet bij mij, maar het kan zijn dat ik iets heb gemist. Er wordt tientallen meters verderop in het water een tweede dijk aangelegd, die kennelijk een extra bescherming van het land moet opleveren. Het stuk ertussen wordt opgespoten en ter hoogte van Hoorn komt er daardoor een brede extra strandstrook. Dan uiteindelijk alweer aan het eind van de middag was er Medemblik. Ooit was daar een stoomtrein naar Enkhuizen, die in betere tijden in de zomer nog als toeristentreintje in leven werd gehouden. Nu ligt het er verlaten bij, evenals de rest van Medemblik. De helft van het pittoreske stadje wordt gedomineerd door drie uit de kluiten gewassen jachthavens, die allemaal samenkomen op één punt. Op datzelfde punt is ook de horeca samengeklonterd, die nu met dichte deuren en opgestapelde stoelen voor de deur een uitgestorven indruk maakt. Maar het fotoserietje is er toch gekomen en staat op:
De ‘intelligente lock-down’ duurt nu acht weken, maar geleidelijk aan wordt mijn actieradius groter. Ik heb ontdekt dat het ‘Waterland’, zoals het polderlandschap boven Amsterdam wordt aangeduid, zich goed leent voor fietstochtjes. Niet alleen landschappelijk, want dat wist ik al, maar ook – en vooral – voor wat betreft drukte. Ik ben nog steeds voorzichtig en de laatste tijd kijk ik ook naar de cijfers die het RIVM elke dag naar buiten brengt. Dan blijkt dat het aantal besmettingen in mijn leeftijdscategorie minder stijgt dan dat aantal voor jongeren. Dat zou dus kunnen kloppen, want ik doe niet mee aan die samenscholingen in allerlei parken en heb al helemaal geen voorkeur voor bouwmarkten, winkelcentra of meubelboulevards, want anders was ik weer in mensenmassa’s terecht gekomen met dito risico’s. Mensenmassa’s die in dat polderland goed te ontwijken zijn.
Op mijn tochtjes passeer ik eerst altijd de bouwput waar nu een knots van een hoofdkantoor van Booking.com wordt neergezet. Nu onderwerp van nationale hoon, maar wel heel fotogeniek met zijn zes felrode bouwkranen, die elegant combineren met de kleur van het steigerdoek en bovendien erg mooi afsteken tegen de streeploze blauwe lucht. Ondanks de hoon gaat de bouw gewoon door en halverwege 2021 staat hier het glanzende kantoor van een van de boegbeelden van de platformeconomie. Hoewel je nog maar moet afwachten wanneer men echt weer zin krijgt om hotels te gaan boeken. En zonder die strepen in de lucht heeft het boegbeeld ook niet veel te doen.
Op die tochtjes moet ik ook altijd de veerpont over het IJ gebruiken. Ik mijd de drukke pont naar de Buiksloterweg. In plaats daarvan neem ik de meer rustige pont naar het IJplein, en iedereen is zich daar goed bewust van de afstand die men in acht moet nemen. Ondanks dat ik die pont regelmatig neem, heb ik daar nog steeds elke keer het gevoel van een heel kort vakantietripje zodra de boot afmeert. En bij het aanmeren is het mini-vakantietje alweer voorbij. En daar houdt ook de Randstad plotseling op en ontvouwt zich ineens de wereld van het vlakke polderland, met vogels, koolzaad en boterbloemen. In dit jaargetijde op zijn mooist. Er mag dan van alles aan de hand zijn in de wereld, op de natuur kan je blijven rekenen. Het fraaie weer doet de rest en het gebied laat zich mooi zien op:
Eindelijk, ondanks de lock-down, weer eens een wat langere fietstocht gemaakt. Het was op een vrijdag, buiten de stad, dus het tochtje leek ons – wat betreft drukte – verantwoord, ondanks het prachtige en bijna zomerse weer. Want mooi weer is een recept voor onverantwoorde drukte, zo is in de afgelopen weken meermaals gebleken. De tocht van vandaag ging langs de kleine riviertjes Waver en Gein. Met het eerste stuk langs de Amstel. Daar wordt vooral voornaam gewoond in statige villa’s met erg steriele tuinen, strak geverfde voorgevels en idyllische, ouderwets gespelde namen van de panden in sierlijke letters op de voordeur gepenseeld. Maar gelukkig ook veel authentieker en wilder groen, eigenlijk meer geel, want het uitbundige gele koolzaad sprong overal bovenuit.
De Amsterdamse skyline blijft overal zichtbaar, ook bij de vogelobservatiepost aan het ‘Landje Van Geijsel’. Een wat lager gelegen en drassig stukje weiland, dus een ideale habitat voor vogels die hier neerstrijken. Verder over de A-2 richting Abcoude. Daar leek de lock-down al helemaal voorbij, want het verkeer raasde ouderwets bijna in een file heen en weer tussen Amsterdam en Utrecht. Ook de spoortunnel in Abcoude gaf een soortgelijke ervaring. Het reizen per trein wordt ontraden, maar elke paar minuten komt daar wel een trein langs, dus die treinen moeten wel bijna leeg zijn. Bij die tunnel heb je ook een fraai en tamelijk ongewoon perspectief op de spoorbaan en de passerende treinen. Verder langs het Gein naar het Amsterdam-Rijnkanaal. Ook daar gaat het leven gewoon door. Grote schepen en op elk schip is er een eigen wereldje: groot vrachtruim, maar ook overal een woning, terrasje met zitje en zelfs een parkeerplaats voor een of meer auto’s. Al met al is goed te zien dat Nederland er dus een ‘intelligente lock-down’ op na houdt, want ondanks alles probeert het land toch de boel een beetje intelligent aan de gang te houden. Hoe dat er uit zag, staat op:
Het Naardermeer geeft zijn geheimen niet graag prijs. Om te beginnen kan je er moeilijk komen, ondanks de ligging onder de rook van Amsterdam en Utrecht. Wel kom je er met de trein nota bene dwars doorheen, als je van Amsterdam naar Amersfoort reist. Maar dan nóg heb je hooguit een paar minuten om het meer vanuit het treinraampje te bekijken. Maar je kan ook een rondje om het Naardermeer wandelen, zo ontdekten we afgelopen zondag toen we een folder met uitgezette wandelingen nog eens bekeken. Negentien kilometer nog wel, een flinke uitdaging, maar bij prachtig weer ook een mooie gelegenheid om met Marcel even aan de al wekenlange lock-down te ontsnappen. Wel hadden we van tevoren afgesproken om, als het te druk zou zijn, meteen rechtsomkeert naar huis terug te gaan. Maar dat viel erg mee. En het Naardermeer viel tegen. Want zelfs dán is het meer nauwelijks te zien.
Wel kan je op enkele punten een omweg maken om een glimp van het meer op te vangen. Voor de rest loop je door bospaden, weilanden en over verharde wegen. En af en toe moet je langs die hooglanders, waarvan je maar beter enige afstand kunt houden. Maar wel een prachtige natuur, veel uitbundig bloeiend koolzaad en een onwaarschijnlijk blauwe lucht helemaal zonder vliegtuigstrepen. De camera zag die strepen ook niet, maar wel het koolzaad, de hooglanders en andere flora en fauna. Én het geheime meer. Zie:
De wereld is er een stuk kleiner op geworden sinds de terugkeer uit Australië. De reden daarvan is genoegzaam bekend. Maar gelukkig hebben we te maken met een intelligénte lock-down, en dankzij die intelligentie zijn we toch in staat een leven te leiden dat nog wel énigszins op een normaal leven lijkt. Zo kunnen we dus gewoon naar buiten. Maar behalve de supermarkten en wat ‘essentiële’ winkels is zo’n beetje alles gesloten. De stad ligt er dus rustig bij en toeristen zijn er niet. Ik ga ook nergens op bezoek en mijn sociale contacten doe ik hoofdzakelijk digitaal, per video. Ik vind dat een prachtige uitvinding, het is beter dan niks natuurlijk, maar heb toch liever ‘the real thing’. Maar het ís wat het ís, en ik houd me braaf aan wat er wordt gevraagd. Desondanks kwam ik – na toch wel even wennen – eigenlijk ook in een niet onaangenaam nieuw ritme. Ik doe hardloop- en fietsrondjes op plaatsen waarvan ik denk dat het rustig is. Ik maak wandelingen met Marcel door onze rustige buurt in zijn werkpauzes en weekends. Ook wandelingen gemaakt met René door de buurt en het Vliegenbos, waar hij een tuin heeft in het volkstuincomplex aldaar. Maar in het centrum komen we niet.
Dat is het wel zo’n beetje in die kleinere wereld. De actieradius is dus beperkt. Op de genoemde uitzonderingen na ben ik in drie weken niet meer dan een kilometer van huis geweest. En voor de rest: veel thuis: lezen, balkon doen, koken, fotobewerking, films en praatprogramma’s op TV. Erg overzichtelijk en zelfs prettig, dus er zijn niet alléén maar nadelen. Verder merk ik dat er – overigens niet alleen bij mezelf – een soort bewustzijn opkomt over de manier waarop we onze samenleving hebben ingericht. Je ziet het in de buurt, het is rustig en schoon, ik ervaar meer saamhorigheid en je merkt dat men dat prettig vindt. Ook op mondiaal niveau ontstaat er een bewustzijn, dat bepaalde dingen niet helemaal goed gaan. Dit is natuurlijk niet de plaats om hierop in te gaan. En al helemaal niet om aan te geven hoe dat dan allemaal verder moet, vooropgesteld dat ik dat al zou weten. Maar je hoeft alleen maar wat (goede) kranten van deze weken open te slaan en er komen vast wel een paar van die dingetjes en ideetjes op. Ondanks die positieve dingen hoop ik natuurlijk wel dat we ooit weer naar die oude situatie terug kunnen. En dat er tóch, al is het maar een beetje, iets van dat bewustzijn doordringt naar een nieuw normaal. Dus vanuit deze lock-down bij voorkeur wél een beetje naar een intelligénte open-up. Maar één ding ging ondanks alles gewoon door, verandert nooit en kon ik blijven doen: fotograferen. Want zelfs in een kleine wereld is veel te zien. Die kleine wereld in mijn eigen omgeving staat op:
Nog even een nabrander van onze reis uit down under: de terugreis. Tot op het laatste moment van het inchecken op de luchthaven van Cairns hadden we het gevoel dat er alsnog een kink in de kabel zou kunnen komen. Maar toen we eenmaal alle instapkaarten van Emirates tot Amsterdam in onze handen hadden, waren we gerustgesteld. Behalve dat er alsnog een piepkleine kans was dat we in Dubai zouden stranden. En je wilt óveral ter wereld nog wel eventueel vastzitten, maar dáár beslist niet. Maar ook dat ging gelukkig goed. In het vliegtuig was het volle bak met ruim 300 passagiers. Dat voelde niet prettig. Veel mondkapjes. Wij hadden die niet, maar ik zag Chinezen, die de hele bovenste helft van het lichaam in plastic hadden verpakt. Achteraf blijkt dat we – wat betreft de terugreis – door het oog van de naald zijn gekropen. Want vlak na thuiskomst hebben de meeste luchtvaartmaatschappijen, waaronder ook Emirates, al hun vliegtuigen uit de lucht genomen. In dat geval zouden we vastgezeten hebben en afhankelijk zijn geworden van de bereidwilligheid van Buitenlandse Zaken om je tegen flink wat extra kosten naar Nederland te vervoeren. We hadden ons voor alle zekerheid wel bij BuZa aangemeld, maar tegelijkertijd ook ons hoofd al gebroken waar in Australië we eventueel zouden moeten gaan verblijven. Dat tropische resort lijkt natuurlijk leuk, maar wij waren op het laatst zo’n beetje de enige gasten.
Dus héél erg blij om nu thuis te zijn, ondanks de enorme cultuurschok. Van een heerlijk tropisch resort, waar corona nog ‘ver-van-het-bed’ was, naar een min of meer zelf opgelegde, en later zelfs verplichte, quarantaine. Die overgang gaf me de eerste dagen wel een mentaal dipje. Want het nieuws werd door de exponentieel oplopende grafieken niet alleen elke dag slechter, maar ook moest ik me instellen op een periode van gelimiteerde vrijheid die ik nog nooit eerder had meegemaakt, en waarvan bovendien onduidelijk was hoe lang die zou gaan duren. Maar na enkele – wat mij betreft therapeutische – telefoongesprekjes met René en Theo, die al een volle week langer met dat bijltje aan het hakken waren, kwam ik na een paar dagen toch in een ritme en begon ik te wennen aan de nieuwe situatie, mij ook realiserend dat er een hoop Nederlanders zijn die heel wat grotere uitdagingen hebben. Om nog maar te zwijgen over Italië en nu ook ineens India. Dus beter maar even braaf zijn en doen wat er wordt gevraagd.
Marcel werkt nu voor onbepaalde tijd vijf dagen per week thuis. Ook dat is wennen, maar het beperkte territorium in huis wordt verstandig ingevuld. Ik hoor veel van de uitvoerige calls (want zo noemen ze daar telefoongesprekken) met zijn collega’s en het is leuk om te merken hoe de grote organisatie, waar hij werkt, zich in korte tijd hele nieuwe werkprocessen eigen maakt. Toch kan ik moeilijk wennen aan de stortvloed van slecht nieuws, die elke dag over ons heen wordt gegooid. Ik betrap me erop dat ik me niet al te veel wil verbinden met al dat slechte nieuws met die alsmaar oplopende grafieken. De pagina’s met gedetailleerde beschrijvingen van de taferelen op de Brabantse IC’s of die van Bergamo, sla ik al helemaal over. Eerder probeer ik lichtpuntjes aan het eind van de tunnel te ontdekken. Waaronder de nieuwe wereldorde van meer saamhorigheid, die ons na deze crisis mogelijk te wachten staat. Zou mooi zijn, want daar mankeerde de laatste jaren wel wat aan, vond ik.
Ondanks het thuisblijven maak ik regelmatig een wandelingetje met Marcel door de buurt en een aantal keren per week doe ik mijn hardlooprondjes in een recreatiegebied met veel ruimte ten noorden van de stad. Mijn andere vrienden en familie zie ik voorlopig niet. Ook dat is wennen. Maar ik onderhoud nu mijn sociale contacten per telefoon en heb me – als niet bepaald een early adopter – zelfs het video-bellen met Whatsapp aangewend. Marcel zwemt normaal zo’n drie keer per week. Maar nu zijn de zwembaden gesloten en hij heeft zich een wet-suit aangemeten zodat hij nu buiten kan zwemmen. Dat ging hij zondag in alle vroegte uitproberen in de Sloterplas, bij temperaturen amper boven het vriespunt. Nou ja, ieder zijn ding…! Deze keer een blogje met een wat ander karakter dan normaal dus. Maar het zijn deze keer ook tijden met bepaald een ander karakter, en die kunnen in het dagboek dan ook niet ontbreken. Zelfs foto’s ontbreken niet. Deze keer dichterbij en ook van een stuk kleinere actieradius: onze eigen lege Amsterdamse buurt. Zie:
Bezoek uit het buitenland: en wat is er dan beter dan een rondje IJsselmeer met de auto? Succes verzekerd..! Vooral als de buitenlandse bezoeker al vaker in Nederland was en onderhand de grachtengordel, de musea en de aangeboden tripjes naar Volendam wel heeft gezien. Terwijl Volendam zelfs in het laagseizoen wordt overlopen door Aziatische toeristen, was er op óns tochtje niets van dat alles. Het begon in Zaandam, niet echt aan het IJsselmeer nog, maar toch de moeite waard vanwege de Zaanse architectuur die zich rond het station heeft ontwikkeld. Je kan het kitsch noemen, maar het is hoe dan ook bezienswaardig en sowieso fotogeniek.
Verder naar het noorden, vanaf Edam niet over de hoofdweg, maar strak langs de kust van het IJsselmeer, door kleine dorpjes als Warder, Etersheim en Schardam. Hier lijkt de tijd stil te staan, maar het zou me toch niet verbazen als hier – mooi gecamoufleerd in de oorspronkelijke architectuur – heel wat tweede optrekjes van rustzoekende stedelingen staan. Beslist wél met de tijd mee gaan de windmolenparken, die je nu overal aan de horizon ziet. Sommigen vinden dat horizonvervuiling, maar hier tillen ze daar blijkbaar wat minder zwaar aan. En in de rest van Nederland inmiddels ook, lijkt me zo.
Dan naar de Afsluitdijk. Die vind ik eigenlijk altijd bezienswaardig. Alleen al het monument met uitkijktoren en het kleine uitspanninkje beneden, waar je door kleine ramen over het water uitkijkt en je het gevoel krijgt in een boot te zitten. En elke keer komt dan het gevoel bij me op dat ik had toen ik er rond 1965 voor de allereerste keer kwam. Niets anders gewend dan de zandgronden en dan ineens dit..! Die sensatie herhaalt zich elke keer weer als ik hier kom. Aan de overkant ligt Friesland en verder gaat het strak langs de kust naar beneden. In het algemeen in dit seizoen slaperige dorpjes, maar in de zomer wordt hier veel gezeild, vooral door Duitsers.
Maar Makkum is eigenlijk een categorie apart. Altijd al vanwege het aardewerk in het wat hogere marktsegment. Maar nu worden hier protserige jachten gebouwd in het helemaal onbereikbare marktsegment, voor de groten der aarde. Niet echt om in te varen natuurlijk, maar wel om te laten zien dat je wat te besteden hebt. En hoe anders kun je zo’n dag beter afsluiten dan vis te eten in Urk? Misschien wel geen vis uit het IJsselmeer, maar dan toch wel gevangen door Urker vissers verderop in de Noordzee. Rondje IJsselmeer met buitenlands bezoek: succes verzekerd….! Helemaal als je dan ook nog een terugkoppeling krijgt: “Thank you for such a great day today. I saw more of Holland in one day than in the many years of flying here”. De camera heeft de dag vastgelegd op:
Utrecht: de fotoclub stuurde me erheen met als opdracht om in anderhalf uur een fotoserie van de binnenstad te produceren. We zijn er onlangs ook nog eens geweest, maar toen kwamen we niet verder dan de omgeving van het station. Daar is ook een serie van gemaakt, dus dat vult elkaar dan mooi aan. Een van de markante bezienswaardigheden zou de Domtoren zijn geweest, maar die zal zich in de komende jaren niet laten zien wegens erg groot onderhoud. De toren is al 700 jaar bestand tegen wind, regen, vrieskou en zonnestralen en nu worden de natuurstenen, het voeg- en ijzerwerk gerepareerd. De laatste reparatie was bijna 50 jaar geleden, maar toen was er geen geld om het helemaal goed te doen.
De Oude Gracht wordt trouwens ook onder handen genomen. Net als in Amsterdam, worden ook hier ook de kademuren hersteld. En als je dan toch bezig bent kan je net zo goed het afval eruit halen dat er in de loop van de tijd is ingekieperd. De gracht blijkt ook hier heel geschikt om van je oude fietsen af te komen. Ik probeerde deze keer nu eens niet de echte binnenstad ‘onder handen’ te nemen. In Alkmaar viel het me op dat die mooie binnenstad helemaal is overgenomen door de bekende winkelketens, dus dat wilde ik eigenlijk vermijden. Maar in Utrecht valt dat wel mee en zijn er nog voldoende kleinschalige zaakjes met een eigen identiteit. De binnenstad doen we dan maar eens een volgende keer. Ik heb me deze keer gericht op het deel net ten noorden van de oude binnenstad (de Breedstraatbuurt en Wijk C, zoals die op Google Maps heten). De fotoserie staat op: