46 uur in de trein, twee nachten en twee dagen. Ik zag er een beetje tegenop, maar het is erg meegevallen. Het landschap trekt als een film voorbij. Het is bij tijden eentonig, maar je komt in een soort ontspannen modus: af en toe wat kijken, lezen, kletsen, eten, drinken en uitstappen op de wat langere stops. Er is ook geen wifi, dus de telefoon kon in de koffer en dat is wel zo ontspannen. Misschien kwam het door die ontspannen modus dat ik beide nachten heerlijk heb geslapen. En als er dan in dat eentonige landschap toch ineens een huis voorbijkomt, is dat meteen bezienswaardig. Toch komen er ook af en toe grote steden: In volgorde: Omsk, Novosibirsk en Krasnojarsk. Ik had me die steden vrij grauw voorgesteld, maar ze zijn compact, hebben vrij veel voorzieningen en behalve het koude klimaat in de winter, lijkt het me een alleszins redelijk woonklimaat.
De afstanden zijn hier wel enorm. De weinige grote steden liggen meteen 500 tot 1000 kilometer uit elkaar, dus je bent dan wel erg op je eigen stad en zijn voorzieningen aangewezen. Er is wel veel goederenvervoer per trein. Om de tien minuten is er weer zo’n lange trein, soms wel een kilometer lang. Olie, gas, kolen, maar ook Chinese containers zie je hier. Heel afwisselend allemaal, maar wel jammer als er weer zo’n lange trein voorbij komt als je net bezig was iets leuks te fotograferen. Het is hiér al erg afgelegen, maar dan zijn we nog in het relatief dicht bevolkte zuiden van Siberië, vlak langs de grens met Kazachstan. Pak je de kaart erbij, dan ligt er nog een veel groter gebied in het nog veel dunner bevolkte noorden en ten oosten daarvan, tot aan de grens met Alaska, waaruit duidelijk wordt wat voor een onvoorstelbaar groot land Rusland eigenlijk is.
De tijdzones zijn hier een raadsel. In de trein en op de stations hanteren ze Moskou-tijd, maar onderweg ontdekten we dat het steeds vroeger licht en donker werd. Ongemerkt doen ze er elke keer een uurtje bij en nu blijkt dat het tijdverschil met Nederland onderhand is opgelopen tot zes uur. De meeste foto’s moest ik uit een bewegende trein nemen. Niet ideaal en bovendien was het raam iets getint. Ik probeer dat in de nabewerking er wel wat uit te krijgen, maar al met al is de kwaliteit wat minder. Maar ze zijn wel bijzonder, want hier kom je niet elke dag. Kijk maar op:
We zijn de grote treinreis begonnen. En Moskou is inderdaad geen Rusland, zo blijkt al snel. Want al na 50 kilometer is het helemaal anders. Gucci en Valentino zijn nu van die andere wereld en hier begint het grote niets. Naarmate je verder buiten de stad komt wordt het dunner bevolkt. Eindeloze berkenbossen en hier en daar een groepje kleine houten huizen. Vaak onverharde wegen. De sneeuw is aan het smelten en dan zie je overal modderpoelen. Het regenachtige weer accentueert nog eens de sfeer. Landbouw is er niet, want er ligt hier zeven maanden sneeuw. Ook nu nog hier en daar veel sneeuw en de bomen zijn nog helemaal kaal. De korte zomer begint eind mei/begin juni. Het leven is dus nogal zwart-wit en je begint je af te vragen wat mensen hier – vooral in de winter – anders kunnen doen dan in leven te blijven of naar de fles te grijpen. Maar wij bekijken dat natuurlijk vanuit ons perspectief, dat wellicht ook maar is gevormd door de indrukken die we dagelijks opdoen.
De trein is wat meer ‘basic‘ dan de nachttrein naar Moskou. Het is een enorm lange trein, met wagons en een gangpad, met aan het eind een toilet zonder water uit het wasbakje, maar dat gelukkig wel doorspoelt. Indrukwekkend vond ik het bord in het station van Moskou, met bestemmingen ver in Siberië. Onze trein, nummer 70, heeft als eindpunt Chita, 6000 kilometer en zeven nachten verder. Wij gaan uitstappen in Jekaterinenburg in de Oeral, slechts één nacht verder. Want je drukt hier de afstanden uit in dagen en nachten, niet in kilometers. Er zijn afzonderlijke coupés, maar omdat het zo lang reizen is ontstaat er een soort van familiale sfeer met reisgenoten. Naast ons zitten twee Nederlandse meisjes, die Irkutsk als eindpunt hebben, vier nachten verder.
Na een nacht (met redelijk goede slaap), plus nog een hele dag, komen we eindelijk aan in Jekaterinenburg, onderhand verlangend naar een douche. Een compacte stad met veel hoogbouw, altijd raar in een land met zoveel ruimte. Hier is de laatste tsaar, Nicolaas II, met zijn hele familie na de revolutie van 1917 omgebracht. Verder tamelijk modern, met een nog dichtgevroren rivier, en de stad maakt zich op voor het WK-voetbal dat ook hier wordt gespeeld. We zijn erg blij dat we de reis hier hebben onderbroken. Even de benen strekken, douchen en wat sightseeing. Vanavond stappen we in voor de volgende 46 uur (twee nachten) treinen. Er is onderweg ook nog gefotografeerd, maar fotograferen bij somber weer uit een rijdende trein is niet echt ideaal. Maar de foto’s geven daardoor toch wel een sfeerbeeld hoe dit land er vandaag bij ligt. Ze staan op:
Maandagavond dan de nachttrein naar Moskou. Ik kon me er vooraf weinig van voorstellen, maar de trein was schoon, ruim en aangenaam. Keurig op tijd vetrokken en keurig op tijd in Moskou. En nog heerlijk geslapen ook. Als dat in Siberië ook zo gaat, teken ik meteen. Moskou lijkt in de verste verte niet meer op de stad die ik in 1973 bezocht. Toen een armzalige stad met vervallen woonkazernes, nu is er vooral goud wat er blinkt. Ik vond St. Petersburg al tamelijk chique, vooral rond de Nevski Prospekt, maar wat je hier ziet overtreft dat nog. Hippe tentjes, dure auto’s, warenhuizen die je bij ons niet ziet. Als je niet beter zou weten zou je zo gaan denken dat heel Rusland er zo uitziet.
Maar ‘Moscow is not Russia‘ zo maakte onze gids meteen al duidelijk, en de wederopbouw van de stad in de laatste dertig jaar is vooral te danken aan de ‘bijdrage’ van alle andere regio’s in Rusland. Maar diezelfde regio’s zien weinig terug van al dat Moskouse goud. Wat ook opvalt is dat het hier brandschoon is. Je ziet er geen papiertje of peuk op straat en de parken zijn keurig aangeharkt. Alle gevels zitten strak in de verf en het zou zo maar kunnen dat de steden zich van hun beste kant willen laten zien bij het komende WK voetbal. Het Kremlin ligt midden in de stad en is een driehoek met paleizen en een aantal piepkleine kathedraaltjes. Zelfs de Basilius-kathedraal op het Rode Plein is van binnen niet meer dan een stelsel van kleine gangetjes.
In de middag een stuk van de voormalige Kalinnina-prospect afgewandeld, met aan het eind daarvan de plek waar in 1991 de Sovjet-Unie ten einde kwam met de brand in het Witte Huis en Jeltsin met de Russische vlag op een tank. Vervoer doe je hier met de metro en die is meteen een van de mooiste ter wereld, althans voor de liefhebbers van het genre. Het bezoek aan Moskou, eigenlijk één dag te kort, werd in stijl afgesloten met een operavoorstelling in het Bolsjoj-theater. Donderdagmiddag beginnen we ons echte Siberië-avontuur met een treinreis van 32 uur naar Jekaterinenburg. Kijken of dat een beetje op Moskou lijkt. Het foto-verslag van Moskou staat op:
De kop van onze Siberië-trip is er af en inmiddels zijn we alweer ruim twee dagen in St. Petersburg. Een flinke temperatuurschok. Van zomer (28 graden) in Amsterdam naar winter (enkele graden boven nul) hier. Dat was dus even wennen en we moesten diep de koffer in om ons warm aan te kleden. We zitten in hotel Oktjabrskaja, waar ik in 1973, tijdens een studiereis naar het socialistische paradijs, ook al eens zat. Een enorme Sovjet-stijl slaapfabriek met van die lange gangen. Beneden mooi gerenoveerd, maar boven nog steeds een beetje basic. Zoals overal in Rusland wordt er goed warm gestookt en áls je al in staat bent om de verwarming uit te zetten, moet het raam nog steeds af en toe open om de temperatuur een beetje aangenaam te houden. Wel erg centraal gelegen aan de Nevsky Prospect en op loopafstand van het Moskovsky treinstation, waar we maandagavond ons treinavontuur gaan beginnen.
Zaterdagochtend een enigszins spartaanse stadswandeling met gids Anna, die in de stromende regen, met veel wind en een temperatuur amper boven het vriespunt, de moed er goed in hield. Bijzonder was ook de ‘Kerk van de Verlossing’, letterlijk een verlossing omdat we daar even konden opwarmen. Maar vooral bezienswaardig om de prachtige mozaïeken, 7000 vierkante meter in totaal. Geëindigd in de Hermitage. Wel nog even een uur buiten in de rij, maar eenmaal warm binnen val je van de ene verbazing in de andere. Een van de grootste musea ter wereld, en niet alleen is daar een grote variëteit van niet de minste kunst uit de hele wereld, maar ook zijn de zalen van een indrukwekkende uitbundigheid. Zondag ging het naar het met goud belegde paleis van tsarina Catharina, die een representatief optrekje zocht, dat uiteindelijk bijna even groot is uitgevallen als de Hermitage. Nog wel even twee uur in de bittere kou wachten, maar toen kregen we ook wat.
Maandag werd het ineens mooi weer, en dat maakte een boottochtje mogelijk over de kanalen en de Neva. Nooit geweten dat de stad zoveel kanalen had en ze noemen de stad dan ook het ‘Venetië van het Noorden’. Maar wij weten natuurlijk wel beter. De Isaacs-kathedraal stond ook nog op de lijst, gebouwd in opdracht van Peter de Grote, en ook hier bleek dat niets goed genoeg was voor de tsaren. Wel leuk dat we het dak op konden om de stad van bovenaf te bekijken. Toen we in de namiddag nog eens de door Fabergé gemaakte eieren hadden bekeken, die als leuke hebbedingetjes voor de tsaren en al degenen die hen omringden dienden, was ons onderhand wel duidelijk hoe ze toen in het leven stonden. We gingen voor de derde keer eten in het Kwartirka, een klein restaurant, helemaal in de Sovjet-stijl van de 50’er en 60’er jaren. Sovjet of niet, het eten was er erg lekker. De foto’s staan op:
De fotoclub had deze keer een foto-shoot in Enkhuizen bedacht. Ook al zo’n stadje waar ik hooguit één keer eerder in mijn leven ben geweest, en dan nog erg lang geleden. En dat, terwijl je er met de trein vanaf Amsterdam in een uurtje rechtstreeks naar toe rijdt. Dankzij de fotoclub kom je dus nog eens ergens. Alleen al de treinreis was de moeite, want als je ergens ziet hoe plat Nederland is dan is het wel in West-Friesland. Het was ineens prachtig weer en dat is altijd leuk voor de camera. Enkhuizen was ooit een welvarend en ook heel belangrijk stadje, dat leefde van de (haring)visserij. Maar de Afsluitdijk heeft alles veranderd. De visserij bestaat vrijwel niet meer, maar nu leeft het stadje vooral van watersport-toerisme. Prachtige jachthaven met dure jachten. Verder mooi gerestaureerde huisjes in Zaanse stijl, maar wel een tikkeltje popperig stadje met scheepjes van weleer, die er esthetisch verantwoord in het binnenhaventje bij liggen, maar wellicht nooit meer zullen uitvaren. Verder de visnetten van toen, mooi gedrapeerd over die scheepjes, klaar voor de toeristencamera’s en die van mij natuurlijk ook. Dat alles met een prachtig uitzicht over het eindeloze IJsselmeer als achtergrond. Kortom, een prachtig openluchtmuseum. Kijk maar op:
Nijmegen was deze keer het doel van het foto-reisje. Ik ben er in de buurt geboren, maar er op mijn achtste jaar al vertrokken. Toch heb ik hele vage herinneringen dat ik rond 1955 achterop de Solex met mijn vader naar die grote stad mocht. In diezelfde vage herinnering vond ik het een prachtige stad, met mooie winkels die je in mijn geboortedorp niet had. Maar ik had toen blijkbaar niet gezien, althans ik herinner het me niet, dat delen van de stad die door de geallieerde bombardementen van zo’n tien jaar daarvoor zwaar waren beschadigd, zich daarvan nog allerminst hadden hersteld. Zo bleek uit een foto-expositie in de Stevenskerk, dat die kerk er in 1954, amper een jaar voor het Solex-reisje, nog flink gehavend bij lag. De toren is daarna helemaal hersteld en de multifunctionele kerk ligt er nu ook prachtig bij. Het wijkje tussen het centrum en de Waal is ook niet ongeschonden de oorlog doorgekomen en je ziet daar nu tamelijk fantasieloze bouw uit de 70’er en 80’er jaren, de periode van de grote architectonische armoede in Nederland.
Nog een mooier voorbeeld van die armoede is het plein met het prachtige Waag-gebouw en de aller-lelijkste Hema die ik ooit heb gezien. De Waal geeft ook zo zijn problemen in de stad. Herhaaldelijk loopt de kade door de nauwe bedding daar onder. Een aantal jaren geleden is er een nevengeul aangelegd die het water meer ruimte geeft, en bovendien is er daardoor een mooi ‘rivierpark’ en een stadseiland ontstaan met een nieuwe brug met nu wél een mooie architectuur. Tikkeltje steriel nog wel, maar dat zal over tien jaar wel anders zijn als het allemaal wat meer doorleefd is. Een stad aan de rivier heeft altijd wat extra’s. Vooral als die rivier een belangrijke waterweg is, waar enorme containerschepen en duwbakken met bulkgoederen volgeladen richting Ruhrgebied varen en leeg weer terug naar Europoort. De Ooijpolder is een andere attractie van Nijmegen. Er is een piepklein bruggetje dat de Waalkade met de Ooijpolder verbindt. Die polder is alleen te groot om als wandelaar helemaal te zien, dus dat kan beter met de fiets. De volgende keer dan maar. De foto’s van het uitstapje staan op:
Op nog geen tien minuten trein-afstand ligt Zaandam. Dat was het doel van het wekelijkse foto-uitstapje dat we vrijdag maakten. Het station zelf zou ook al iets bijzonders zijn, maar dat viel toch tegen. De architectuur was met die rode buizen niet slecht, maar als je het niet onderhoudt, wordt het een grauwe bende, met ramen waar je niet meer doorheen kunt kijken en de rode buizen die in bezit zijn genomen door duiven met alles wat die daar achterlaten. Bouwen is dus één, maar onderhouden is twee. Maar even rechtsaf en daar staat dan ineens een prachtig hotel met op elkaar gestapelde Zaanse huisjes met dito kleuren. Plus het stadhuis en het winkelstraatje dat daar begint. Tikkeltje popperig (misschien zelfs kitscherig), maar toeristen zijn er sowieso dol op. Kwestie van smaak natuurlijk, maar het is wel uniek en dus ook fotogeniek.
Zaandam is van oudsher de producent van levensmiddelen en herbergt zelfs het oudste industrielandschap van Europa. Albert Heyn had hier ooit zijn eerste winkeltje, maar het meeste wat je nu bij AH kunt kopen, wordt hier al lang niet meer geproduceerd. Verkade bakt er nog wel zijn koekjes, maar de meeste fabrieken zijn, voor zover ze nog functioneren, nu onderdeel van grote internationale conglomeraten. Veelal staat hier dus industrieel erfgoed en dat is nu zelfs onderdeel van een fietsroute. De oostzijde, met gelijknamige straat, is een mengeling van dat erfgoed, soms nog in gebruik, soms ook vervallen. Tussendoor kleine huisjes, ook Vinex-achtige nieuwbouw die hier toch wel erg detoneert, maar ertussenin wel weer een prachtig café. Al met al een mooie fotogenieke mix. De Zaanse Schans was het verste punt waarheen we hebben gelopen. Een enorm parkeerterrein met bussen en het leukste vond ik daar nog niet eens de molens, maar de toeristen, druk in de weer met hun selfies. De foto’s staan op:
We hadden buitenlands bezoek, dus dan maak je een uitstapje. De grachtengordel kennen zowat alle buitenlanders, dus dan verzin je wat anders. Rotterdam bijvoorbeeld, voor veel buitenlanders weer iets heel nieuws. Een eigenlijk ook voor mij, want zo vaak kom ik er niet. Vorig jaar op een ijskoude winterdag ben ik er nog eens geweest. Het was toen weliswaar prachtig weer, maar zó koud met zó’n straffe wind, dat we het niet hebben aangedurfd om het laatste stuk met die draaiende gondel van de Euromast omhoog te gaan. Dinsdag was het andermaal prachtig weer, maar wel een stuk aangenamer. Dus nu wel de draaiende gondel omhoog, met een prachtig uitzicht, maar nu helaas achter glas, dus voor foto’s minder geschikt. En eigenlijk is er nou ook weer niet zo’n heel groot verschil met het uitzicht dat je hebt op het wat lagere platform, toch nog zo’n 100 meter. Verder gezellig door de stad gekuierd, vooral langs de oude haven in de binnenstad, een stadsdeel dat de oorlog min of meer ongeschonden heeft overleefd.
De middag in Delft doorgebracht, vooral in de oude binnenstad en zowel de ‘Nieuwe’ als de ‘Oude Kerk’ bezocht. Delft is mijn vroegere woonplaats. Ik woonde tegenover het station, ik ben er nu al 24 jaar weg en de omgeving van het station is onherkenbaar veranderd, inclusief een heel nieuw station. Maar in de binnenstad is nog veel hetzelfde, vond ik. Sterker nog, de pizzeria op de Binnenwatersloot, waar ik toen geregeld kwam, is er nog steeds met nagenoeg dezelfde inrichting. Daar hebben we de dag afgesloten en vastgesteld dat veel toeristen in Amsterdam blijven hangen, en dat de combinatie Rotterdam/Delft voor buitenlanders weer een heel andere blik op Nederland blijkt te geven. Het was deze keer een kort bezoekje aan Delft, maar een aantal maanden geleden heb ik er een wat uitvoeriger blogje over gemaakt. Wel is er vandaag natuurlijk toch een foto-serietje gemaakt:
Een B&B-weekend in de Weerribben. Een moerassig land in de uiterste kop van Overijssel. Van oudsher een land van turf en riet. Het riet is er nog een belangrijke activiteit. Vlak na de winter, dus nu zo’n beetje, wordt het ‘geoogst’, in bundels samengebonden en vooral gebruikt om er daken mee te bedekken. Het land leek me erg drassig, maar het schijnt dat de aarde door de recente vorst vijf centimeter onder de grond nog bevroren is, zodat het dit jaar juist extra gemakkelijk gaat. Bijna alle huizen hebben hier dus rieten daken. Alles wat niet bruikbaar is wordt verbrand, hoewel er nieuwe milieuwetgeving onderweg is die dat gaat verbieden. Veel huizen, met name rond Kalenberg, zijn alleen per boot of fiets bereikbaar. Ze zijn hier erg van de rust.
Sommige huizen zijn gerenoveerd en sommige daar weer van zijn omgebouwd tot B&B, in afwachting van de toeristen die in de zomer gaan komen. Want dan is het drukker, met fietsen en boten. Chinezen hebben het hier nog niet ontdekt, in tegenstelling tot Giethoorn, niet ver hier vandaan. En straks komen de vliegtuigen die laag overvliegen richting Lelystad. Aan de affiches op de ramen kan je wel zien wat ze daarvan vinden. Zondag wegens de dreigende regen, die er gelukkig niet kwam, een autotochtje langs de dorpjes in Friesland gemaakt. Einddoel was Harlingen, maar een tussenstop was het piepkleine dorpje Achlum, waar in 1811 de verzekeraar Achmea werd opgericht. In 2011 bestonden ze 200 jaar en mocht Bill Clinton hier een lezing houden. Niet dat Bill een bijzondere relatie had met het bedrijf, maar je moet toch wat als je eens wilt uitpakken. De camera is mee geweest en het resultaat staat op:
Hoofddoel was het station van Arnhem, dat – zoals veel stations in Nederland – een grondige metamorfose heeft ondergaan. Hier zijn de architecten helemaal losgegaan en met name de hal heeft een futuristische uitstraling gekregen met zijn vele ronde vormen. Na een bouwput van bijna tien jaar, waarbij je ‘kruip-door-sluip-door’ de ingang moest proberen te vinden is hier eindelijk – wat betreft architectuur – een van de meest in het oog springende stations van Nederland gerealiseerd. Maar als je er dan toch bent ga je natuurlijk ook de rest van de stad bekijken. En dan blijkt maar weer dat je niet een vooraf bepaald plan moet hebben. Want op elke – niet vooraf geplande – straathoek is wel weer iets te vinden dat de moeite waard is. En al slenterend gaat alles vanzelf.
Ontmoetingen met de Arnhemmers bijvoorbeeld, die de nieuwe burgemeester Marcouch de hemel in prijzen, ondanks de ladingen van kritiek die hij uit sommige kringen ook heeft gekregen. Midden in de stad staat de Eusebius-kathedraal en dat is meteen de enige kerktoren in Nederland, waar je met een lift naar boven kunt. Dus meteen doen..! Want vanaf een toren zie je de stad weer in een heel andere dimensie. De bochtige Rijn bijvoorbeeld. De oevers daarvan vormen eigenlijk een wereld op zich. Je kan er moeilijk komen, dus de wereld gaat hier zijn eigen gang. Zoals een fiets, die hier prachtig ligt weg te roesten, zonder dat iemand er naar omkijkt. En verderop naar het oosten nog een fotogeniek industrieel niemandsland, waarvan eigenlijk onduidelijk is of daar nog wat gebeurt. Niets aan de Rijnbrug herinnert nog aan de operatie Market Garden in september 1944. Of het moest een verdwaald kanon zijn, dat ergens op een verdwaald pleintje is neergezet. De foto’s van dit Arnhemse uitstapje staan op: