We hadden woensdag een begrafenis op de Nieuwe Ooster, de grote begraafplaats in het oostelijk deel van Amsterdam. Het is met afstand de grootste en mooiste begraafplaats van de stad. Nu kom ik er gelukkig (nog) niet zo vaak. Nog niet, maar inmiddels leef ik in een bos waarin – zij het nog langzaam – wordt gekapt. Die uitspraak deed mijn vader ooit, en die uitspraak is altijd in mijn geheugen blijven hangen. Dat er nu een van die bomen is omgevallen was de aanleiding voor het bezoek aan de Nieuwe Ooster. En nu we er toch waren is meteen maar even van de gelegenheid gebruik gemaakt om na afloop van de ontvangst er eens wat rond te lopen.
De herfst, vooral op zo’n mooie zonnige dag als woensdag, is eigenlijk het ideale seizoen om begraven te worden. Maar meestal heb je dat niet voor het zeggen. Behalve als je je overlijden van tevoren bepaalt, zoals dat het geval was bij de overledene in kwestie. Euthanasie was tot dusver iets ver van mijn bed. Je leest er af en toe wat over, het komt soms in het nieuws, dus kun je je er een mening over vormen. Maar deze keer was ik indirect betrokken en wist van tevoren wat er zou komen. We hebben daags voor het overlijden aan de keukentafel nog afscheid van haar genomen. Moeilijk, omdat bij het weggaan je eigen vocabulaire tekortschiet. Al met al heeft het me behoorlijk beziggehouden. Hulde voor de professionals die beroepsmatig zijn betrokken en die elke keer weer die moeilijke afwegingen moeten maken.
De Nieuwe Ooster is – anders dan veel andere kerkhoven – een veelzijdige begraafplaats. Met uiteenlopende culturen, talen en dus ook rituelen. En uiteenlopende afmetingen en uitbundigheid van de grafmonumenten. Blijkbaar hebben sommigen ook de gewoonte om al de namen van de nog levenden te vermelden, als illustratie dat voor hen al een mooi plaatsje is gereserveerd. En passant is – niet ver daarvandaan – ook nog even het park en paviljoen Frankendael bezocht. Een van de grootste groenstroken van de stad, maar zelfs na 26 jaar moet ik bekennen dat ik er nog nooit echt was geweest. Behalve dan die ene keer, zo’n 15 jaar geleden, toen ik in dat paviljoen een vergadering had, maar toen niet verder ben gekomen dan het paviljoen zelf. Samen met de Nieuwe Ooster veel groen dus en dat allemaal binnen de Ring van Amsterdam. Dat vele groen is vastgelegd op:
Marcel had een zwemtoernooi in Antwerpen. Meestal ga ik mee naar dat soort evenementen, vooral als het in een leuke stad is. En dat ís Antwerpen. En ook als ik kan deelnemen aan een bij-programmaatje, waaronder hardlopen, zodat ik er voor wat betreft de sport niet helemáál voor spek en bonen bijloop. Verder maken we er meestal een lang weekend van, zodat we nog andere dingen kunnen doen en zien. Het Centraal Station bijvoorbeeld. Het schijnt door te gaan voor een van de vijf mooiste treinstations ter wereld. Dus deze keer hebben we de tijd genomen om het eens te bekijken en fotografisch eens goed onder handen te nemen. Treinen komen en gaan op maar liefst vier verdiepingen en de centrale hal ademt nog de grandeur van weleer, toen treinreizen nog een deftige aangelegenheid was.
Een andere bezienswaardigheid die op het lijstje stond was het MAS-museum. Bij een eerder bezoek aan de stad hadden we daar geen tijd meer voor. Nu wel, maar we hadden alleen niet gerekend op Allerheiligen, een feestdag die ik me nog herinner uit mijn jeugd, maar die bij ons al decennia geleden van de kalender is afgevoerd. In België dus nog niet en het betekende ook dat het museum gesloten was. Jammer, dan maar op het lijstje houden voor een volgende keer.
Het hardlopen op zaterdag betrof een 10 kilometer, ergens in een bos ten zuiden van de stad. Aan de deelnemerslijst te zien was ik met afstand de oudste. Daarna een hele tijd niks, tot de ‘op-een-na-oudste’ die 13 jaar jonger was. Ik merk natuurlijk al jaren dat ik niet meer zo snel loop als twintig jaar geleden, maar begin het wel een uitdaging te vinden om onder mijn leeftijdgenoten toch nog een partijtje te kunnen meeblazen. Verder veel door de stad gelopen, tussen de regenbuien door. Er wordt nog druk gebouwd en vooral gerenoveerd en ook de nieuwe metrolijn is nu bijna klaar. Het is een alleszins leefbare stad en het gaat er nog meer leefbaar worden. Al met al was het, ondanks de vele regen en het gesloten museum, toch nog een erg gezellig weekend en de foto’s staan op:
Ineens waren er, na al die regen, weer eens een paar mooie dagen en zelfs een ideale dag om – misschien wel voor het laatst dit jaar – er nog maar eens met de fiets op uit te trekken voor een foto-safari. Deze keer begonnen bij het treinstation van Castricum en, wie weet, op welk station het zou eindigen. Meestal schiet dat fotosafari-fietsen niet erg op omdat er onderweg – als je goed kijkt – veel te zien is. De zuivering van het drinkwater bijvoorbeeld. We nemen maar als vanzelf aan dat er schoon water uit de kraan komt, maar daar gaat blijkbaar een heel proces aan vooraf. Grote hoeveelheden half gezuiverd water borrelen hier uit een leiding vanuit het noorden van de provincie en verder in de duinen ondergaat dat water een natuurlijk zuiveringsproces. Geen wonder dat ze hier erg kien zijn op natuurbeheer, want je mag hier niet zomaar overal lopen, laat staan afval achterlaten. Je moet wel uitkijken voor de stieren die her en der langs de weg liggen, maar als je voorzichtig doet, keuren ze je geen blik waardig.
Verderop ligt het strand van Heemskerk, een van de meest uitgestrekte, leegste en schoonste stranden die ik in Nederland ooit heb gezien. Onderweg is besloten om naar Zandvoort door te fietsen, door de duinen via Bloemendaal langs het circuit. Dat had ik ook nog nooit gezien: een rommelig terrein, omgeven door veel caravans en er werd al volop gewerkt om het voor volgend jaar F1-proof te krijgen. Het drinkwater zal er wel niet onder lijden, moeten we dan maar hopen. Het einddoel Zandvoort bleek uiteindelijk toch een tikkeltje ambitieus, omdat we bijna in het donker aankwamen en ik bovendien de kou flink heb onderschat. Denken dat het nog zomer is, niet al te dik aangekleed, zonder handschoenen, kwamen we verkleumd aan, nog niet eens in staat om met verstijfde vingers met een sleuteltje de fiets op slot te zetten. Maar wel een mooie dag geweest en in een bijna leeg eethuisje opgewarmd en nog een pizza gegeten. Met de foto’s op:
Hoewel de weersvoorspellingen slecht waren, hebben we het oorspronkelijke plan om naar Wijk aan Zee te gaan toch maar doorgezet. Mijn optimistische natuur, gevoed door een klein lichtpuntje op de Buienradar, zei me dat het allemaal wel goed zou komen met het weer. Het tegendeel bleek het geval en het is eigenlijk niet meer gestopt met regenen. Van die vettige motregen nog wel, die op Buienradar onzichtbaar schijnt te zijn. Wijk aan Zee is eigenlijk niet meer dan één groot gazon, omgeven door een rijtje huizen, tegen de achtergrond van wat vroeger Hoogovens heette. Nogal negatief in het nieuws de laatste tijd, door de neerslag van grafietregen en het feit dat de fabriek meer lood uitstoot dan het hele Nederlandse autoverkeer bij elkaar. Heel recent ook nog door de grote bezuinigingen en zelfs ontslagrondes die de fabriek, en dus ook het dorp, boven het hoofd hangen.
Je kunt vanuit het dorp door een klein parkje het complex bekijken, en door de regen ziet het er allemaal nog extra troosteloos uit. De bedoeling was natuurlijk om er ook een fotoserie van te maken, maar dat mislukte grotendeels. Hoewel het in beeld brengen van troosteloosheid een genre op zich is. Maar in de week daarna was het weer een stuk beter en hebben we het uitstapje nog een herkansing gegeven en het nog eens dunnetjes overgedaan. Nu niet naar Wijk aan Zee, maar vanaf IJmuiden kan je het hele complex eigenlijk nog veel beter bekijken. Hier een orgie van staal, roest, erts, afval, rook en ook CO2, want op dit relatief kleine stukje grond blijkt wel even 6% van ’s lands CO2-uitstoot te worden gerealiseerd. Ernaast het nieuwe sluizencomplex in aanbouw dat in 2022 klaar is, en dan is de ‘Port of Amsterdam’ gereed om nóg grotere containerschepen te accommoderen. En – wie weet – ook nog grotere cruiseschepen, met nóg meer toeristen. Indrukwekkend dagje, vond ik, en de fotoserie staat op:
In het Stedelijk Museum was een expositie over Wim Crouwel, die in de 60’er en 70’er jaren half Nederland van een huisstijl heeft voorzien. Het ontwerp van postzegels, telefoongidsen en zelfs de rugnummers van de spelers van het Nederlands elftal waren van zijn hand. Huisstijlen, en vooral de consequent doorgevoerde lettertypes en kleurstellingen worden in bedrijven en instellingen belangrijk gevonden vanwege de herkenbaarheid. Wim Crouwel was overigens niet onomstreden en zijn ontwerpen werden door velen lelijk gevonden, en eigenlijk ook door mij. Hij heeft zelfs een eigen alfabet ontworpen, maar vanwege de onleesbaarheid daarvan heeft dat het nooit echt gehaald. Maar wat mij aansprak was de manier waarop hij al zijn ontwerpen baseerde: alles moest perfect passen op een ‘grid’, een soort ruitjespapier, en hij was niet bereid daarvan af te wijken. Ondanks dat alles heeft hij een grote stempel gedrukt op het aanzien van Nederland in die tijd. Wim zou graag bij de opening op 28 september jl. zijn geweest, ware het niet dat hij kort daarvoor op 19 september is overleden. Bijgaande fotoserie geeft een aantal voorbeelden van zijn ontwerpen, evenals enkele impressie van het museum zelf:
Al jaren neem ik me voor om eens mee te doen aan de halve marathon in Eindhoven. Maar elke keer waren er blijkbaar doorslaggevende redenen om niét mee te doen. Behalve deze keer. Oktober is altijd wel een risico voor wat betreft het weer. Het kan waaien, regenen, koud zijn of zelfs alle drie tegelijk. Maar het kan ook zonnig en warm zijn, zoals deze keer met zo’n 23 graden. Ideaal dus. In de ochtend waren de échte lopers aan de beurt, die de hele marathon van 42 kilometer uitliepen. Ik kon ze fraai in beeld brengen op een punt zo’n 6 kilometer na de start, toen iedereen er nog fris bij liep, maar waar zich al wel met afstand een kopgroep had geformeerd met – zoals gebruikelijk – uitsluitend Afrikanen. Daarna de massa, iedereen met verschillende gezichtsuitdrukkingen, verwachtingen en gedachten. Om half twee was ‘de halve’ aan de beurt met zo’n 7.400 deelnemers.
Ik ben eigenlijk niet dol op zulke massale evenementen, maar de organisatie liep gesmeerd en de ouders van Marcel waren zo vriendelijk om mij bij de start af te zetten en mij bij de finish weer op te halen. Allemaal tegelijk starten kan natuurlijk niet, dus er waren startvakken en bij de echte start moest je nog door een soort van zandloper, zodat je daarna niet meer hoefde te wandelen. De sfeer was verder geweldig met de Brabantse gezelligheid, dweilorkesten en standjes met snoeiharde techno-muziek langs de kant. En bier natuurlijk. De eerste 15 kilometer gingen nog wel goed maar daarna kwamen weer de momenten dat je je begint af te vragen waarom je dit eigenlijk allemaal doet. Maar in de laatste twee kilometer word je door rijendik publiek naar de finish ‘gedragen’, en toen ik met de plak bij de finish zat uit te blazen wist ik weer waarom ik dit eigenlijk allemaal doe. De fotoserie is er gekomen mede dankzij Marcel, die de foto’s van ‘de halve’ heeft verzorgd. Kijk maar op:
Deze week het traditionele meerdaagse uitstapje gemaakt met Jan en Kees, met wie ik nu al 43 jaar een vriendschap onderhoud. Hoe kan die beter levend worden gehouden dan – onder meer – jaarlijks een bescheiden uitstapje te organiseren? Bescheiden omdat de ambitie niet ver reikt: geen lange buitenlandse reizen maar in principe binnen Nederland, en als het dan toch in het buitenland is, hooguit op twee, maximaal drie uur rij-afstand van de Randstad. Verder is het programma ook niet al te ambitieus: overdag wat dingen zien en ’s avonds ergens wat eten, drinken en bijkletsen over de dingen die in het leven passeren. En dat tegen de licht glooiende achtergrond van de Belgisch Limburgse Haspengouw. Eigenlijk de Betuwe van België met zijn vele fruitbomen, maar ook met enkele prachtige kastelen.
We toeren wat rond in de driehoek Hasselt, Tongeren en Sint-Truiden, met als standplaats Hasselt. Allemaal geen stadjes die door toeristen worden platgelopen, maar juist daarom aangenaam genoeg om er ruim twee dagen door te brengen. Bovendien was ik in geen van de drie plaatsen ooit geweest. Op de terugweg nog Maaseik aan de Maas en in Nederlands Limburg het ‘witte dorpje’ Thorn aangedaan, eigenlijk meer een museum met een beschermd stadsgezicht. Ook in díe plaatsen was ik nog nooit geweest. Dus allemaal weer nieuwe dingen gezien. Én natuurlijk gefotografeerd met het resultaat daarvan op:
Een familiebezoekje aan Groningen is aangegrepen om – ondanks het slechte weer – nu ook eens ‘het Hoge Land’ ten noorden van de stad Groningen en meteen het uiterste noorden van Nederland te bezoeken. ‘De Stad’, zoals ze daar de stad Groningen noemen, ken ik wat beter. Het is in Nederland een bovengemiddeld mooie en prettige woonstad, maar de rest van de provincie is voor mij nog enigszins ‘terra incognita’. ‘Het Hoge Land’ is eigenlijk een wat misleidende naam. Het land is zo plat als een dubbeltje, er is weinig begroeiing en ik kan me dan ook niet voorstellen dat het ver boven het N.A.P. ligt. Er liggen her en der knotsen van boerderijen, met enorme lappen grond er omheen, afgewisseld met kleine dorpjes, met een kerkje als notoir middelpunt. Die kerkjes liggen veelal op ‘wierden’, lichte verhogingen in het landschap, die door het vlakke land en de schaarse begroeiing meteen opvallen.
En als je er bovenop staat kijk je nog veel verder over het Hoge Land. Opvallend vond ik ook het flinke stuk gras om die kerkjes, dat daar meteen dienst doet als het lokale kerkhof. De huizen in de dorpen zijn vaak klein, maar er zijn ook herenhuizen, eigenlijk grote villa’s. Appingedam vond ik eigenlijk wel een pareltje. Daar hebben ze het probleem van de beperkte ruimte in de huisjes opgelost door keukens uit te bouwen boven de grachten. En er meteen een toeristische attractie van gemaakt: ‘de hangende keukens’. Het is ook het gebied van de aardbevingen. Ondanks de beeldvorming dat er niks aan schadeherstel gebeurt, heb ik toch wel de indruk dat er het een en ander aan reparatie gaande is. Maar het is natuurlijk onmogelijk om daar in twee uurtjes een objectief beeld van te krijgen. Al met al een mooi bezoekje aan een toch wel on-Nederlands stukje Nederland. Ondanks de regen is er toch een foto-serietje gekomen op:
Regelmatig bezoeken we de twee Amsterdamse fotomusea Foam en Huis Marseille. Erg laagdrempelig, je loopt er met je museumkaart zo naar binnen en er zijn wisselende tentoonstellingen. Niet alles spreekt mij evenveel aan, maar je komt er eigenlijk altijd wel met wat nieuwe inspiratie vandaan. Deze keer liepen we bij Foam naar buiten, het had net geregend, er hingen donkere wolken en er kwam aan het eind van de middag een waterig herfstzonnetje tevoorschijn, waardoor de stad er erg fraai bij kwam te liggen. Gelukkig had ik, zoals meestal op dat soort korte wandelingetjes, de camera bij me en gevoed met de opgedane inspiratie kon ik het niet laten om – in amper een halfuurtje – nog maar eens een Amsterdams fotoserietje te produceren. Toegegeven, het zijn soms de bekende plaatjes, maar als je met je eigen foto-ogen naar de stad, de bewoners en bezoekers gaat kijken, zie je toch altijd weer nieuwe dingen en valt het nog maar weer eens op wat voor een prachtige stad dit eigenlijk is. Het resultaat staat op:
De Rijp: dit dorp was uitgekozen als doel van een uitstapje van de fotoclub. Met als bedoeling om in anderhalf uur een fotoserietje te produceren van dat dorp. Die anderhalf uur viel precies tussen twee plensbuien in, dus dat was geluk hebben. Het dorp ligt halverwege Amsterdam en Alkmaar, midden in de polder. Strak vlak land, omgeven door veel water en keurig aangeharkt. Eigenlijk is het meer een museum. Het moet zoveel mogelijk lijken op een dorp, zoals dat er enkele eeuwen geleden moet hebben uitgezien. Weliswaar met moderne voorzieningen, neem ik aan, maar die zijn wat meer aan het oog onttrokken. Dus winkels met ouderwets gespelde namen en huisnummers in prachtig geschilderde sierletters. In de lokale uitspanning is de muur geplaveid met nostalgische gebruiksvoorwerpen uit vervlogen jaren.
Verder één en al keurigheid. Het is een komen en gaan van bruidsparen, die hun onvergetelijke dag willen vastleggen tegen deze onvergetelijke achtergrond. Het enige wat nog ontbreekt zijn de souvenirwinkels, maar je hoeft maar naar Volendam of Marken te kijken om een idee te krijgen wat dit dorp mogelijk nog verder boven het hoofd hangt. Het is de vraag wat de bewoners van dit alles vinden. Ongetwijfeld voelen ze zich hier thuis, anders hadden ze er niet gewoond. Maar ook ongetwijfeld heeft de schoonheidscommissie hier het nodige in de melk te brokkelen, hetgeen de vrijheid van de bewoners dan weer wat inperkt. De Rijp: prachtig dorp, maar was toch weer blij terug te keren naar het tikkeltje minder keurige Amsterdam. Het fotoserietje staat op: