December en januari waren grijs en de zon hebben we maar weinig gezien. Geen al te fotogeniek weer dus en de camera had dus ook een soort van winterslaap. Maar ineens is daar dan de zon. Sterker nog, het leek wel voorjaar en dus een mooie gelegenheid om uit de winterslaap te ontwaken en weer eens in de stad op stap te gaan. Met de camera natuurlijk, want je weet tenslotte maar nooit wat je tegenkomt. Er dat bleek de moeite waard! Dan blijken er straten en wijken te zijn waar ik nauwelijks kom, zelfs dicht bij huis.
Oostenburg bijvoorbeeld, dicht bij het spoor tussen het Centraal Station en Muiderpoort met nog veel ‘industrieel erfgoed’. Anderen zouden zeggen ‘oude meuk’, maar ik vond het mooi. Het is nota bene nog geen kilometer van mijn huis. Een bewijs dat ik ook – net als al die toeristen – aan kuddegedrag lijd. Het gebied wordt nu nog gebruikt door kunstenaars met hun broedplaatsen in die prachtig verwaarloosde fabriekscomplexen, maar aan alles kan je zien dat het er hoogstwaarschijnlijk over tien jaar niet meer zal zijn. Kan ook haast niet anders, want het lijkt me een A-locatie zo dicht bij het Centraal Station en andere voorzieningen. Mooie reden om het eens vast te leggen op:
Sinds ik niet meer werk kom ik niet meer zo héél vaak in Den Haag. Mooie aanleiding om met mede-pensionado René er weer eens heen te gaan om de fototentoonstelling van Michael Wolf over ‘Living in Cities‘ te bezoeken. Het was in het fotomuseum, een flink eind van het Centraal Station. We zouden er naartoe lopen en dat was meteen dus een mooie gelegenheid om – met de camera natuurlijk – eens te kijken hoe na al die jaren de stad zou zijn veranderd. Ik was verbaasd om te zien wat voor een metamorfose de stad heeft ondergaan. Bijna alle ministeries zijn nu gegroepeerd rond het Centraal Station. Er is daar een soort van Manhattan ontstaan, een must-see voor architectuurliefhebbers. Zoiets zie je niet in Amsterdam, hoewel de Zuid-as een beetje in de buurt komt. En ze zijn er nog lang niet uitgebouwd, want er ligt weer een grote bouwput waar het ‘Onderwijs en Cultuurcentrum’ (OCC), gaat verrijzen.
Er was daar zoveel te zien dat we toch op het laatst nog de bus moesten nemen om nog iets van de tentoonstelling te zien. De stijl van fotograferen van Michael Wolf spreekt me erg aan. Ik probeer zoiets zelf ook wel eens, maar je kan aan alles zien dat hij heeft beschikt over echt professionele apparatuur en bovendien over veel tijd, geduld en (sponsor)geld om deze tentoonstelling in te richten. Ik vond het in elk geval prachtig. Het ging over het vaak deplorabele leven in grote steden, vooral in China. Vroeg opstaan, lang reizen, lang en hard werken en dan ’s avonds laat doodmoe terugkomen in benauwde ruimtes in kolossale woonkazernes. En dat dan elke dag weer. Voor veel mensen daar is de balans tussen werk en vrije tijd wel erg doorgeslagen, maar kennelijk ook noodzakelijk om het hoofd enigszins boven water te houden. Verder een onthutsende indruk van de enorme hoeveelheid plastic rommel die daar door diezelfde mensen wordt geproduceerd en waarvan een groot deel – vrees ik – inmiddels in de oceaan ronddrijft. Van Den Haag een fotoserie gemaakt en ik was zo vrij enkele foto’s van de tentoonstelling op te nemen, met dank aan Michael Wolf natuurlijk. Kijk maar op:
De Noord-Zuidlijn is klaar. Bijna tenminste. Hier en daar nog wat afwerken en nog een halfjaartje testen en dan kan hij na meer dan 15 jaar gaan rijden. Zaterdag was er een open dag om de stations te bekijken. Er was in die 15 jaar veel tegenstand, tegenslag, kritiek en geklaag. Dat kan je aan Amsterdammers wel overlaten. Maar vandaag was daar niets meer van te merken. Het werd een feestje en iedereen vond het prachtig. Elk station heeft zijn eigen bijzonderheid. Het ondergrondse Centraal Station, in de volksmond al ‘De Kathedraal’ genoemd, met een imposante hal en mooie schuine pilaren. Het Rokin met zijn gedecoreerde wanden. De Vijzelgracht met zijn hommage aan Ramses Shaffy en tenslotte het smalle station de Pijp met de dure oplossing van twee boven elkaar liggende sporen. Dat laatste moest wel, want anders hadden ze de halve Ferdinand Bolstraat moeten slopen.
Ook wat betreft materiaalkeuze en afwerking was er duidelijk niet op een paar cent gekeken. Het mocht dus wat kosten. Ook bovengronds knapt het op. Niet dat daar op het Damrak veel van is te merken, want alles wat uit het Centraal Station komt, loopt hier de stad binnen. Tot aan Madame Tussaud een onafzienbare menigte. En dan is het nog wat ze nog steeds laagseizoen noemen. Maar vanaf de Dam spreidt de menigte zich. Op het Rokin zijn de bouwputten weg en het verandert daar langzamerhand in een boulevard van allure. En als de metro op 22 juli echt gaat rijden en de terrassen daar weer vol zitten is iedereen al die ellende vergeten en heeft de stad de nieuwe lijn in zijn armen gesloten. Want zo zijn die Amsterdammers nou ook wel weer. Een klein fotoserietje is er gemaakt, dat staat op:
Kerstvakantie in de Ardennen. Ontsnappen aan de tucht die Kerstmis oplegt en lekker een paar dagen in een ‘tikkeltje vergane glorie, maar gezellig’ hotel in Stavelot. Uitstapjes gemaakt, maar ook genoten van de Belgische keuken, waarvan ik inmiddels begin te denken, dat je er minstens zo lekker en gezellig kunt eten als in Frankrijk. Uitgangspunt was Stavelot en meteen kwamen zoete herinneringen naar boven aan de talloze fietstoertochten (zoals Luik-Bastenaken-Luik en Waalse Pijl), die ik er in de 80’er jaren maakte. Het was nu weliswaar koud, vochtig en grijs, maar ik voelde toch weer een beetje de euforie die al dat gefiets destijds opwekte. Onder meer twee steden bezocht: Luik en Aken. Luik herstelt zich van het verval dat zich voordeed na de instorting van de staalindustrie. Het is vooral te zien rond het nieuwe TGV-station Guillemins.
Aken, zo dicht bij Nederland, maar ik was er nog nooit geweest. Verwondering over de Dom, kleiner dan ik had verwacht, maar ook fijner met zijn prachtige mozaïeken. En natuurlijk een wandeling gemaakt, heen en weer naar Coo. Bekend van de watervallen, waar inmiddels een vele malen groter pretpark omheen is gebouwd met een onafzienbaar parkeerterrein, dat nu nagenoeg leeg stond. Ondanks het grijze weer natuurlijk de camera meegenomen. Alleen jammer dat ik die vleermuis niet kon fotograferen, die af en toe door onze slaapkamer fladderde, maar zich meestal verborgen hield ergens in een spleet in het oude hotel. Maar voor de nachtrust was het toch maar beter dat we daardoor na de eerste nacht een andere kamer konden krijgen. De foto’s staan op:
Delft: ik heb er 19 jaar gewoond, maar ben er nu ook al weer bijna 24 jaar weg. In die tussentijd ben ik er eigenlijk niet zo vaak meer geweest. Tot afgelopen vrijdag, toen we uiteindelijk het foto-reisje hebben gemaakt dat ik eigenlijk al lang van plan was te maken. Ik woonde toen tegenover het station en die omgeving is nu onherkenbaar veranderd. Er was ooit een klein woonwijkje aan de zuidkant van het station, dat er nu niet meer is. Ook dat afgrijselijke spoorviaduct is verdwenen en de spoorlijn ligt nu onder de grond. Er is een heel nieuw en veel groter station gekomen, geïntegreerd met een kantorencomplex. Het oude stationnetje wordt nu verbouwd en daar schijnt een Italiaans restaurant in te komen. Het gebied is nu eigenlijk nog een kale vlakte en alleen al om die reden ben ik blij dat ik er weg ben.
Want het is er een jarenlange bouwput geweest, die trouwens nog lang niet weg is. Er is veel ruimte vrijgekomen, het gaat heel mooi worden, zeggen ze, maar ze hebben nog tot 2035 nodig om het gebied weer een beetje aan te kleden. En om financieel een beetje ‘boven Jan’ te komen, want ze schijnen de kosten om het gebied te herbouwen behoorlijk te hebben onderschat. Het weerzien was natuurlijk leuk en veel herinneringen en ook gevoelens kwamen boven. Ik zag dingen, die er toen ook wel waren, maar die me kennelijk nooit zijn opgevallen. Deze keer de toren van de Nieuwe Kerk beklommen (toen ook nooit gedaan) en ontdekt dat ik door die lage afrastering toch wel wat hoogtevrees heb. Ook was ik nog nooit op het terrein van de vroegere Calvé en Gist Brocades geweest. Tegenwoordig DSM, ziet er vervallen uit, maar daarmee niet minder fotogeniek. Het was andermaal een koude, grijze en donkere dag, maar het foto-serietje is er toch maar weer gekomen. Zie:
Sneeuw in Amsterdam: het komt niet vaak voor, maar als het dan toch voorkomt is het meestal van die nattige drab, die snel weer verdwijnt. Behalve maandag en dinsdag, toen er ineens een wat serieuzer pak viel. Bovendien was toen het licht erg mooi en we zouden bovenop de ‘Amsterdam-toren’ gaan kijken hoe de stad er met een pak sneeuw bij zou liggen. Maar dat mislukte grotendeels, omdat al op de pont de lucht ineens helemaal dicht trok en boven dus vrijwel niets meer te zien was. Wel hadden we daar gezelschap van vijf Italianen die per persoon 20 euro aftikten om van het uitzicht te genieten. De volgende dag scheen de zon en lag het land erbij zoals we dat op de kalenders zien. Maar zoals meestal was ook deze keer de sneeuw snel weg en kregen we weer van die nattige drab. Nu ik dit schrijf is alles weer weg, is het posten van deze foto’s eigenlijk mosterd na de maaltijd. Temeer daar ik op Facebook honderden winterfoto’s heb zien voorbijkomen, iedereen het alweer is vergeten en naar de lente verlangt. Ik tenminste wel. Maar de foto’s, vooral die van maandag bij de toren, waren toch wel leuk om te maken. Zie:
Frankfurt: eigenlijk zo’n beetje het Rotterdam van Duitsland, zakelijk met veel nieuwe architectuur en niet bang voor hoogbouw. Hoewel niet de mooiste stad van Duitsland, is er toch best veel te zien. Het is het vaste uitstapje elk jaar rond het zwemtoernooi van Marcel. De kerstmarkten zijn alleen niet te vermijden. Toch al niet mijn allergrootste liefhebberij, omdat je daar niet anders dan prullaria kunt kopen of in de kou glühwein kunt drinken of worsten kunt eten. Maar veel mensen zijn er kennelijk dol op. Daar kwam nog bij dat overal grote en lelijke betonblokken waren neergelegd. Desondanks was het erg gezellig: lekker comfortabel hotel en gezellig eten met Marcel’s zwem-maatjes. De heenreis was met de trein en terug met iemand meegereden met de auto. Dit keer langs de Moezel, met de hele dag lichte sneeuw en via de Ardennen terug. Gegeten in Verviers, tamelijk ‘run-down’ vond ik. Maar in het restaurant waren ze heel blij dat we er hebben gegeten, want het schijnt dat er in Verviers nauwelijks Nederlandse toeristen komen, hoewel het vlak onder Maastricht ligt. Voor foto’s is december niet het ideale seizoen, maar ik heb er toch maar een paar gemaakt. Zie:
Elk jaar in november heeft Eindhoven zijn lichtfestival: Glow. Het is er al jaren en was ooit een initiatief van Philips. Je ziet overigens de laatste jaren geen onverdienstelijke initiatieven op dat gebied in meer steden, maar de bakermat ligt toch in de lichtstad. Vorig jaar waren er 750 duizend bezoekers, en dat in tien dagen. Het was dus schuifelen in de menigte. November is trouwens bepaald niet het ideale seizoen. Het is koud en vaak regent het. Zo ook afgelopen zaterdag. Maar dit soort dingen kan je eigenlijk alleen maar organiseren in het donkere seizoen. Toch was er veel fraais te zien. Zoals het lijnenspel in de lichtkubussen vlak bij het station. Een van de hoogtepunten vond ik wel de projectie op de Catharinakerk. En aan het eind de lichtshow op een markant gebouw, genaamd ‘de Blob’, een show die eigenlijk een hommage was aan de gloeilamp, aan Philips en aan zijn oprichter ‘Meneer Frits’. In het donker fotograferen is niet echt mijn hobby, vooral niet als het regent, maar ik kon het toch niet laten. Kijk maar op:
Almere: de één wil er nog niet dood worden gevonden, de ander wil er nooit meer weg. Nou zijn daar inderdaad veel plekken waarvoor ook voor mij het eerste geldt. Maar je kan er ook verrassend vorstelijke wonen in prachtige villa’s met veel ruimte tussen het groen en aan het water. Hier klotste vijftig jaar geleden nog het water van het IJsselmeer en nu wonen er 250 duizend mensen. En ze zijn er nog lang niet uitgebouwd, want ooit moeten hier 350 duizend mensen gaan wonen. Ik was er op bezoek en dat was aanleiding voor een toertje door het gebied. Op veel plaatsen kan je er tegenwoordig kavels kopen en dan zelf maar zien wat je erop zet. De welstandscommissie komt er niet aan te pas en dat kan dan leiden tot architecturale hoogstandjes, maar ook tot afgrijselijke bouwsels.
Nu er zoveel mensen wonen, vond men dat de stad ook een centrum nodig had. Dus kwamen er rond het belangrijkste station pleinen met terrassen, horecavoorzieningen, een groot winkelcentrum en een prachtige en grote bibliotheek. Met aandacht voor de kwaliteit van de openbare ruimte. Maar iets neerzetten is één, iets anders is het onderhoud om ook over twintig jaar nog die kwaliteit kunnen bieden. Ook kwamen er drie knotsen van kantoorgebouwen achter het station, die alle drie nog leeg schijnen te staan. Een veeg teken, vind ik. Maar goed, Amsterdam heeft er ook honderden jaren over gedaan om te zijn wat het nu is, dus waarom zou dat niet voor Almere kunnen gelden? Ik vond het in elk geval leuk om er een foto-serietje van te maken. Kijk maar op:
Herfstkleuren zijn het mooiste te zien in het begin van november. Maar het risico is ook dat bij een beetje storm de meeste bladeren dan al weg zijn. Gelukkig was het windstil, de bladeren waren er nog en was er veel te zien. Het mooist is het als de zon dan ook nog schijnt. Die zon was wel beloofd, maar kwam niet. Deze keer weer een NS-wandeling van het station van Baarn naar dat van Hollandsche Rading, met veel bos en hei onderweg. Andermaal langs plaatsen, waar ik nog nooit eerder was geweest. Lage Vuursche bijvoorbeeld, waarvan ik dacht dat het een bos was, maar eigenlijk was het een kluitje huizen, met veel uitspanningen erbij waar pensionado’s pannenkoeken zitten te eten. Op de hei lopen sinds een twintigtal jaren veel Franse Charolais-runderen, die – meer nog dan schapen – het heidelandschap goed kunnen onderhouden.
Het was een ook beetje een royalistische wandeling, want het ging ook langs Soestdijk en Drakensteyn. Aan paleis Soestdijk heb ik veel jeugdherinneringen. Niet dat ik er veel kwam, maar op 30 april (vroeger was het toen ook altijd zonnig weer) zat ik meestal voor de (zwart-wit) televisie, terwijl het bordes zich vulde met bloemen en achter de rododendronstruiken de Friese krentenmikken werden gedeponeerd (volgens Wim Sonneveld tenminste). Het paleis is nu onbewoond, maar Juliana en Bernard staan er heel innig op een sokkel, terwijl ze elkaar in het paleis nauwelijks tegen kwamen.
Beatrix woont nu op Drakensteyn, maar ik kan als stadsmens niet goed begrijpen waarom zo iemand in d’r eentje in een groot bos gaat wonen. Haar kasteeltje is niet te zien, want er staat een hoog hek met veel beveiligings-elektronica om haar enorme landgoed. Als ik dat allemaal zo zie, kan ik eigenlijk alleen maar medelijden met haar hebben. Maar goed, het zal ongetwijfeld haar keuze zijn. Het was eigenlijk maar een korte wandeling, maar we hebben onderweg weer zó staan treuzelen met de fotocamera, dat we bijna in het donker op het station van Hollandsche Rading zijn aangekomen. De foto’s staan op: