De fotoclub is na een wel héél lange winterslaap weer eens bij elkaar gekomen. Slecht weer en allerlei andere redenen hadden voor deze lange pauze gezorgd. Maar donderdag kwam het er eindelijk van. Niet dat het nu meteen goed weer was, maar wéér opnieuw uitstellen was een brug te ver. Deze keer was het doel Amersfoort. Met de opdracht om in anderhalf uur een fotoserietje te produceren voor latere bespreking in de groep. Amersfoort is een mooie stad met een middeleeuwse en dus ook fotogenieke kern. En meteen het geografische centrum van Nederland, met als echte officiële centrale punt de spits van de Onze Lieve Vrouwetoren.
Anders dan in veel andere Nederlandse steden zijn de grachten behouden, maar – helaas – zijn veel stadswallen vervangen door singels en parken. Dit om het groeiende autoverkeer op te vangen. Want door de centrale ligging in Nederland heeft de stad veel economie naar zich toegetrokken. Vooral te zien rond het station waar die economie zich heeft geconcentreerd. Maar de architectuur van de vroegere kern is in het centrum grotendeels bewaard gebleven, hoewel de wat grotere doorgangswegen in het centrum – evenals in veel andere steden – zijn ingenomen door de bekende winkelketens en er dus ook niet mooier op zijn geworden. Toch is de stad alleszins de moeite waard om er een paar uurtjes rond te lopen, al was het alleen maar omdat Piet Mondriaan er is geboren en de symboliek daarvan her en der in de stad te zien is. Het geproduceerde serietje staat op:
De ineens prachtige zonnige dag leende zich voor iets wat ik al een tijdje van plan was: een bezoekje aan het Amstelkwartier. Vijf jaar geleden heb ik er ook al eens rondgelopen, maar toen was het nog een woonwijk in wording. Nu zijn delen ervan nog steeds in wording, maar andere delen zijn nu wel zo’n beetje af. Daar kwam bij dat vrienden van me er recent hun intrek hebben genomen. Op de 13e verdieping nog wel, en dat was dan ook een mooie extra aanleiding voor het bezoekje. Want wanneer krijg je nou eenmaal de gelegenheid om de stad te bekijken anders dan vanaf het maaiveld? Van boven ziet de stad er weer heel anders uit en blijken gebouwen ineens heel ergens anders te staan dan waar je dacht dat ze stonden.
Ze zijn er inderdaad nog niet uitgebouwd, want van het naburige toekomstige ‘Bajeskwartier’ ligt er alleen nog maar de bouwput. Met nog wat restanten van de vroegere ‘Bijlmerbajes’, die als erfgoed vast wel een plekje gaan krijgen. Ook de doorgaande weg langs de wijk is nog niet af. De aanlag van zoiets schijnt altijd lang te moeten duren. Maar over drie maanden ligt er dan ook een weg met fraaie beplanting in de middenberm. En ook aan de kant van de Amstel gaat het erg fraai worden. Dat is het eigenlijk nu ook al. Voor fietsers is het de mooiste uitvalsweg naar Ouderkerk. Hier is de Amstel op zijn breedst, en er is inmiddels een mooie boulevard langs de rivier, waar je lekker kunt zitten, wandelen of zelfs kunt rennen. Een indruk van deze wijk vanaf hoogte én vanaf het maaiveld, zie:
Het rondje Oosterdok: zelfs als je maar een half uurtje hebt, kan je vanuit huis dat hele rondje afwandelen. Behalve natuurlijk als je een camera bij je hebt, dan kan het wat langer duren. Want het dok is een leuke mix van water, boten, twee musea met zicht op het Centraal Station en de gevels op de Prins Hendrikkade. En, ook al heb ik het rondje al ontelbare keren gemaakt, er is altijd wel wat te zien. Zelfs dingen die er altijd al waren en die me nog niet eerder waren opgevallen. En natuurlijk ook weer nieuwe dingen. Zoals de glanzende hoofdzetel van Booking.com. Volgens mij is het nu wel zo’n beetje af. Ze hebben er twee jaar langer over gedaan dan ooit de bedoeling was. Vooral de oostgevel is een ingewikkelde constructie geworden, die best wat hoofdbrekens zal hebben gekost.
Al met al is het een glazen kolos geworden waar de meningen, zoals in Amsterdam gebruikelijk, wel weer over zullen verschillen. Maar erger dan vroeger kan het eigenlijk niet. Want ooit stond daar het volstrekt gedateerde en fantasieloze hoofdpostkantoor. Daarna was het jarenlang een groot braakliggend terrein en nu dus dit. Daarmee is nu eigenlijk ook de hele noordkant van het dok af met onder meer het conservatorium, de bibliotheek, wat winkels, een hotel plus nog wat onbetaalbare appartementen. Nu alleen nog de bestrating eromheen en dan kan je – net zoals lang geleden – weer een beetje netjes om het gebouw heen onder het spoor door lopen of fietsen. De impressie van het Oosterdok staat op:
Artis ligt bij ons om de hoek, we hadden er een abonnement en we kwamen er dan ook geregeld. Toch maakte ik elke keer weer de vergelijking met de eindeloze tropische habitat waar veel van die dieren vandaan komen en de beperkte ruimte hier waarin – bijvoorbeeld – de leeuwen hun ontelbare rondjes draaien. En dan heb ik het nog niet eens over het verschil in temperatuur tussen hun oorspronkelijke natuurlijke omgeving en de winterkou hier. Daar staat natuurlijk tegenover dat de leeuwen hier elke dag op vaste tijden hun biefstukken krijgen aangereikt. Kom daar maar eens om in die tropische habitat, waar het elke dag weer een strijd is om te overleven.
Maar we hebben ons abonnement opgezegd en zijn er nu al weer twee jaar niet meer geweest. Niet dat het opzeggen van ons abonnement nou meteen te maken had met dat gebrek aan dierenwelzijn. Het was meer dat we er eigenlijk toch al te weinig kwamen. Maar René is Artis wat meer trouw gebleven en met hem kon ik woensdag meeliften op nog maar eens een wandeling er doorheen. In die twee jaar is er toch wel het een en ander veranderd. Misschien worstelt ook Artis met zijn identiteit en met de vraag wat het over tien jaar wil zijn. Overal wordt gewerkt aan de bouw van grotere dierenverblijven en dus meer vierkante meters leefruimte. Verder is er naar mijn idee een verschuiving op gang van fauna naar flora en gaat het richting stadstuin. Of misschien wel richting speeltuin, want ineens staat er een heuse draaimolen. We zullen zien hoe het verder gaat. Zoals het er nu uitziet staat op:
De bedoeling was een bezoekje aan het Stedelijk Museum. We zouden erheen wandelen, maar dan weet je onderhand precies hoe dat gaat. Onderweg blijven hangen bij datgene wat zich ook voordoet. En dat was deze keer een foto-expositie van Samuel Fosso uit Kameroen in Huis Marseille aan de Keizersgracht. Daarna was het al te laat en bovendien te koud, te donker en te winderig om nog helemaal naar het Museumplein te lopen. Dat museum loopt niet weg, en dat kan dus ook een andere keer. Onderweg terug kwamen we – ook al toevallig – terecht in de nieuwe fietsenstalling voor het Centraal Station, die net een paar dagen open was. En die het publiek al heeft gevonden, zo bleek. Helemaal weggewerkt onder het water, mooi toegankelijk vanaf de stationshal en vanaf de Prins Hendrikkade. Alles is daar digitaal en je komt er binnen met je OV-chipkaart, die precies weet hoe lang je er hebt gestaan. Verder een hele afdeling OV-fietsen voor bezoekers zonder fiets.
Het interieur van de stalling is (nu nog) brandschoon en opgeleukt met verlichte stadsplattegronden aan de wanden. Die zijn – als je goed kijkt – opgebouwd uit piepkleine zwart-wit fotootjes. Al met al een aanwinst voor de stad, lijkt me, en hopelijk komt er nu ook een einde aan de fietsenchaos. En aan die afgrijselijke fietsflat voor het Ibis-hotel. Maar dat weet je pas zeker als hij echt weg is. Want in Amsterdam is er altijd bezwaar als er iets weg moet. Want als het er een tijd heeft gestaan is het zogenaamd erfgoed geworden en mag het – hoe lelijk ook – niet meer weg. Voor de nieuwe stalling en alles wat zich onderweg nog meer voordeed, zie:
Deze week (op 1 februari) is het precies 29 jaar geleden dat ik de sleutel kreeg van de woning waar ik nu nog steeds met plezier woon. Ik ben zeer gehecht aan het stekkie en ben inmiddels helemaal vergroeid met de buurt. Een fraaie, groene en rustige buurt, toch dicht bij het centrum, en veel highlights van de stad liggen op loopafstand. Niet dat ik daar nou dagelijks kom, maar het geeft toch het idee dat je er makkelijk heen kunt als je dat ineens zou willen. Waar ik wél dagelijks kwam, was mijn werkplek. Die lag ook op loopafstand. Ik beschouwde dat als een groot voorrecht, want half Nederland staat dagelijks in lange files of verkleumd op winderige treinstations. Tien jaar lang heb ik zelf ook dagelijks op en neer gependeld naar Den Haag. In de eerste jaren met de auto, later met de trein, met elk zijn voor- en nadelen, waarvan ik vooral de nadelen maar al te goed heb leren kennen. De werkplek was onderdeel van het veel grotere universiteitscomplex. Na mijn pensionering in 2014 is dat complex grondig gerenoveerd en heb ik – wat betreft werk – al vrij snel alles uit mijn handen laten vallen. Sindsdien ben ik er nauwelijks meer geweest. Tot donderdag, toen ik een ommetje door de buurt maakte en me nog maar eens realiseerde wat er allemaal binnen de kilometer van mijn woonstek te zien was. Die vierkante kilometer is samengevat op:
Drie jaar is er aan gewerkt: de nieuwe fietsenstalling aan de voorkant van het Centraal Station. Een hele tijd hebben we daar in een groot diep gat gekeken. Totdat het werd afgedekt met beton en ze het resterende gat hebben laten vollopen met water. Nu zie je er niks meer van, behalve dan de helling waarover je straks met je fiets naar de kelder onder het water kunt om er je fiets te stallen. Een hele vooruitgang, want in Amsterdam was het zo langzamerhand moeilijker om je fiets te parkeren dan je auto. Volgende week gaat de stalling echt open en dan kan eindelijk die lelijke ‘fietsflat’ weg. Hoewel je dat pas zeker weet als dat ding écht weg is. Voor sommigen was die flat inmiddels een icoon geworden, maar voor anderen al jarenlang een doorn in het oog. Hoe dan ook, het Ibis-hotel gaat helemaal zichtbaar worden, hoewel je je kunt afvragen of dát nou een nieuw icoon moet gaat worden.
De fietsenstalling was trouwens niet het hoofddoel van het wandelingetje op die zonnige woensdag. Dat was de Oude Kerk, in het hart van het Red Light District. Een groter contrast is haast niet denkbaar. Een fraaie kerk, met mooie houten plafonds, prachtige gebrandschilderde ramen en de vloer over een grote oppervlakte bedekt met grafplaten. Kunstenaars uit Ghana hadden afgietsels gemaakt van onder meer enkele grafmonumenten. Zoals dat van Saskia van Uylenburg, de vrouw van Rembrandt. En afgietsels van vleermuizen, die bij bosjes aan het plafond waren opgehangen. Voor de fietsenstalling, de Oude Kerk en alles wat we zoal onderweg nog meer aan onverwachte dingen tegenkwamen, zie:
Donderdag, toen de zon zich na lange tijd weer eens even liet zien, heb ik eindelijk een al een tijdje sluimerend plan uitgevoerd om nog maar eens een wandelingetje (dan wel foto-excursie) te maken over het Java-eiland. Het eiland is inmiddels helemaal volgebouwd. Een eiland waar ik niet zo vaak kom, omdat het een eindpunt is zonder doorgaande weg. Het is aangelegd in de 19e eeuw als aanlegplaats voor lijndiensten naar, en handel met, ‘de Oost’. Toen na de Tweede Wereldoorlog die handel nagenoeg stil kwam te liggen, werd het een eiland voor stadsnomaden. Maar aan het eind van de 80’er jaren kwam het in beeld als een mogelijk gebied voor stadsuitbreiding. Mijn vroegste herinnering aan het Java-eiland was dan ook die aan een regenachtige dag in het late najaar van 1993, toen ik vanuit mijn toenmalige woonplaats Delft op zoek was naar een stekkie in Amsterdam. Het was toen nog een winderig en modderig bouwterrein met van die metalen platen voor vrachtwagens met bouwmaterialen.
Nogal een contrast met de prachtige folders met ronkend taalgebruik en futuristische tekeningen, die toen het eiland aanprezen als een gebied waar je in riante appartementen met een uniek uitzicht geheel eigentijds kon wonen. Dat weer in contrast met de ideeën van oud-wethouder Jan Schaefer, die zich juist sterk maakte voor sociale woningbouw en die vond dat je “in gelul niet kon wonen”. Ik krijg alleen de indruk dat daar dertig jaar later weinig sociale woningbouw is gekomen en dat Jan Schaefer zijn strijd, althans op het Java-eiland, heeft verloren. Maar het is een mooie en rustige woonwijk geworden, met gevarieerde bouw, kleurig materiaalgebruik, veel ruimte voor groen en mooie binnentuinen. En de brug, die het eiland verbindt met de stad, is toch maar mooi vernoemd naar Jan Schaefer. De fotoserie staat op: