Weer een fiets-wandel etappe met René langs de rivieren. Deze keer – als vervolg op het etappetje van vier weken geleden langs de Linge – nu grotendeels langs de Waal, vanaf Geldermalsen naar Nijmegen. De Waal is met afstand de breedste rivier van Nederland, de drukste scheepvaartroute, en daar komen dus niet de minste schuiten voorbij. Je kan dan een hele tijd blijven zitten langs de rivier om dat allemaal voorbij te zien trekken, en dat deden we dus ook. We vonden het misschien toch wel de mooiste rivier, maar dat kwam misschien ook wel omdat het grootste deel van de route over de dijk is gefietst met zijn fraaie dijkhuisjes en een hoger uitzicht over de rivier en het omliggende land, dat er op deze lome zomerdag bij lag als vijftig jaar geleden. Dat gevoel werd natuurlijk nog sterker toen ik ook nog eens mijn geboortedorp Winssen passeerde, dat er eigenlijk ook nog net zo bij lag als toen. Alleen even niet gerekend met de vierdaagse-kermis in het ineens weer hedendaagse Nijmegen, met een overvol station, waar het uiteindelijk toch is gelukt om de fietsen in de trein te wurmen. De foto’s staan op:
Op bezoek bij een vroegere studievriend in Maastricht, met onder meer een wandeling langs het industriële erfgoed, de ENCI (Eerste Nederlandse Cement Industrie) aan de Maas ten zuiden van de stad. Eigenlijk ook de Laatste Nederlandse Cement Industrie, want het schijnt dat ze daar eindelijk met de winning van de mergel gaan stoppen. In de afgelopen tientallen jaren is daar een enorm gat geslagen, maar blijkens een kunstwerkje bij de ingang van het complex hebben we er het beton voor onze huizen aan te danken. Geleidelijk worden de activiteiten daar afgebouwd en het landschap wordt nu gerenoveerd. Een mooie gelegenheid om er eens een kijkje te nemen en te zien wat er gaande is en hoe het er nu bij ligt. Het ligt in een prachtig gebied aan de Maas met uitzicht over de stad.
Hoe het er in de komende tientallen jaren uit komt te zien, is nu nog niet goed voor te stellen, maar ik hoop dat ze er tenminste een deel van het industriële erfgoed laten staan. De gebouwen bij de ingang lijken voorlopig gered, want een deel ervan heeft al een nieuwe bewoner: de AINSI met misschien wel een knipoog naar de uitspraak van de naam van de vorige gebruiker. Ik moest natuurlijk wel even opzoeken wat het betekende: ‘Art Industry Nature Society Innovation‘. Veel creativiteit en allerlei andere hippe dingen dus en dat zagen we dus ook toen we er even binnenliepen. Eigenlijk lenen oude industriecomplexen zich uitstekend voor dit soort activiteiten, een ontwikkeling die je in meer steden ziet. De foto’s staan op:
België, ‘the day after‘ de verloren halve WK-finale. Ik had niet de indruk dat die Belgen bij de pakken gingen neerzitten, want de terrassen zaten ouderwets vol en de pintjes kwamen overal gezellig door. Tenminste in Luik, maar het zal elders in België niet anders zijn geweest, neem ik maar aan. Gisteren ging het dus naar Luik, niet om te kijken hoe het land er na de wedstrijd bij lag, maar omdat die stad al een hele tijd op het verlanglijstje stond. En het moest maar eens een keer van dat lijstje af, zo vonden we. Het spoor ging trouwens wél bij de pakken neerzitten, omdat ze het daar nodig vonden te gaan staken. Maar dat zal wel een andere reden hebben gehad dan het voetballen. Maar, gek genoeg, het boemeltje van Maastricht naar Luik reed dan weer wel en leverde ons op een leeg station Guillemins af. Een gloednieuw TGV-station, dat de stad Luik weer een beetje van zijn imago van een vervallen staalindustriestad af moet helpen en duidelijk bedoeld is om duizenden reizigers per uur af te werken.
Alleen vandaag even niet, want het lag er verlaten bij met een enkele teleurgestelde reiziger, maar daardoor des te fotogenieker. Verder ging alles vanzelf. Je hoeft alleen maar op je dooie gemak van het station Guillemins naar het Place Léopold te kuieren, je ogen de kost te geven en de stad en het leven ontrollen zich vanzelf gewillig voor het oog en de camera. Heel fraai was nog wel de lange trap, die je naar een hoger stadsdeel brengt met een mooi overzicht over stad en Maas. De terugreis naar Maastricht kon dan weer niét met de trein, dus dat leverde ons een ongemakkelijk busritje met veel omwegen op, zodat we net de intercity naar Amsterdam misten. Mooie reden om nog een uurtje in Mestreech te blijven voor een ‘hèpske en een drènkske‘ op een terras. Het fotoserietje staat op:
Met de 50-jarige fietsclub weer eens een tweedaagse tocht gemaakt. Dit keer van Den Haag naar Goes, langs het water. En langs de waterwerken, waar Nederland een zekere faam mee heeft opgebouwd. Het boottochtje waarmee de oversteek over de Nieuwe Waterweg naar de Maasvlakte werd gemaakt was indrukwekkend en gaf een indruk van wat daar allemaal beweegt en in elkaar worden geknutseld. Verder over de eilanden naar de Oosterschelde-dam, die na ruim dertig jaar aan renovatie toe is. Tenslotte door Zeeland, eigenlijk meer een Duitse enclave, naar Goes. Lekker gefietst en tussendoor geprobeerd te fotograferen. Vooral geprobeerd, want de fietsclub houdt – net zoals ik trouwens – van doorfietsen. De foto’s staan op:
Dit was weer eens een echte Zandvoort-dag. Althans daar leek het donderdagochtend nog op in Amsterdam. Maar aan de zee stond er een straffe noordenwind, die in de loop van de middag ook nog eens steeds sterker werd. Daardoor was het niet alleen een stuk frisser, maar zat bovendien alles onder het zand. Op het strand liggen ging dus niet, maar het leuke van Zandvoort is dat je ontzettend ver kunt kijken en lopen over een nagenoeg leeg strand. Dat is trouwens ook zo op échte stranddagen. Heel druk in Zandvoort zelf, maar ga je twee kilometer naar het zuiden, dan is er bijna niemand meer.
Op heldere dagen, zoals ook vandaag, kun je Den Haag goed zien liggen en Noordwijk bijna aanraken. Een ander minpuntje van vandaag, waardoor je eigenlijk ook de zee niet in kon, was de hoeveelheid kwallen. Die blijken bij nader inzien vier identieke ingewanden te hebben, vermoedelijk magen. Daarin minuscule nog bewegende beestjes, vermoedelijk garnaaltjes, maar helaas te klein om dat nog met de camera vast te leggen. Al met al geen ideale dag dus, maar met mooie kitesurf omstandigheden waren er weer genoeg fotografie-uitdagingen. Dus werd het – anders dan gedacht – toch nog een mooie dag. Kijk maar op:
In deze tijd van het jaar is het Nederlandse rivierenlandschap prachtig. De lange dagen, de mooie wolkenluchten, het uitbundige groen en het water zorgen voor een aangenaam decor voor een tochtje. Je kan natuurlijk langs Lek, Waal of Maas fietsen, maar de Linge zou er, wat betreft decor en fotogenieke omgeving, nog bovenuit springen. Woensdag, op weer zo’n prachtige zomerdag, is met René, bij wie de fotografie (ook) in de genen zit, de koe bij de horens gevat en zijn we van Gorinchem naar Geldermalsen gefietst. Veertig kilometer, bijna helemaal langs de Linge, en dat leek ons een overzichtelijk afstandje. Je hebt dan alle tijd om goed te kijken en vaak van de fiets te stappen als zich iets bezienswaardigs voordoet. Die manier van fietsen levert steeds weer verrassingen op.
Zo ben ik honderden keren over de inmiddels acht-baanse A-2 naar het zuiden gereden. Je moet daar goed op het verkeer letten en dat betekent dat ik de omgeving nooit ook maar één blik waardig heb gekeurd. Maar op de fiets doorkruis je eigenlijk hetzelfde gebied en dan is het ineens een heel andere wereld. Hier staat de tijd stil en krijg je op deze prachtige lome zomerdag het nostalgisch gevoel van de ‘zomers van weleer’. Niet dat het vroeger in de zomer nooit regende, maar je krijgt de neiging om die verregende zomers van vroeger toch een beetje te verdringen. Hoe dan ook, met deze manier van fietsen kom je tenminste met veel foto’s thuis en een selectie daarvan is te vinden op:
Ik had even geen zin in fotograferen na onze grote treinreis, maar af en toe kon ik het toch niet laten. Deze keer van alles wat in Amsterdam, en is er toch ook maar weer een serietje van gemaakt. Ik was zelf al vaak op het NDSM-terrein geweest, maar als je bezoek van buiten hebt, is succes verzekerd. Bovendien is daar elke keer wat nieuws, zoals nu het mooie street-art portret van Eberhard van der Laan en de met zeecontainers opgebouwde ingang van de kermis. Een ander spectaculair ding in de stad vond ik de passagiersterminal. Ik zie er regelmatig een menigte met rolkoffertjes de stad inlopen. Maar nu lag er een groot cruise-schip aangemeerd, waar je heel dichtbij kon komen. Helemaal spectaculair is het als dat schip dan langs het Centraal Station wegvaart. Verder is het in onze eigen – voorheen nog rustige Amsterdamse buurt – nu ook regelmatig bal. Ze zeggen wel dat het toerisme toeneemt, maar onze eigen stadgenoten kunnen er ook wat van. Op mooie zomeravonden gaan ze dan varen en is het dan de bedoeling om zoveel mogelijk eten, maar vooral drank, mee te nemen en het op een zuipen te zetten. Met natuurlijk luide muziek en veel geschreeuw. Het zomerse Amsterdamse foto-allegaartje staat op:
Het laatste stuk van onze grote treinreis ging naar Beijing, een stuk van 300 kilometer. Een peulenschilletje dus. Maar voor wat betreft comfort beslist niet. Zes uur vrijwel zonder bewegingsruimte in een volgepakte hete trein. Maar het hotel in Beijing maakte het gebrek aan comfort van de treinreis meer dan goed. Het is een drukke, warme en vochtige stad, maar ook netjes en veel bloemen. Er wordt gek genoeg veel gefietst en de fietsers, veelal met monddoekjes, steken gewoon drukke autowegen over, op kruispunten soms diagonaal en dat gaat altijd goed, tenminste voorzover we hebben kunnen zien. Wij lopen een stuk naar de Verboden Stad en Tiananmen Square. Mao Zedong, de Grote Leider, die in het rijtje van Hitler en Stalin niet zou misstaan, prijkt nog steeds prominent op de grote gevel aan het Plein van de – nota bene – Hemelse Vrede. De terugweg doen we met de metro. We proberen een paar lijnen uit, het systeem is makkelijk en dan hebben we het gevoel de stad onder de knie te hebben.
De ‘Muur’ was woensdag aan de beurt. Met een grote bus in anderhalf uur ernaartoe, dan een shuttlebus, een stuk lopen langs een eindeloze strip van souvenir-meuk, vervolgens een stoeltjeslift en dan ben je er. Alleen jammer dat het erg heiig, zelfs mistig was. Hoe dan ook een flink stuk erover gelopen, af en toe behoorlijk steil en gaandeweg erg onder de indruk, hoe ze ooit 6000 kilometer ervan hebben kunnen aanleggen. Leuke dag, temeer daar we – zoals altijd op deze reis – in overleg met de gids het programma medebepaalden.
Dat ging daags erna heel anders. Een soort van programma op een commerciële zender met verplicht reclame kijken. Ik had gehoopt dat het verschijnsel niet meer bestond. Met een wat grotere groep eerst de Verboden Stad in een uurtje afwerken om vervolgens in een klaslokaal te belanden met uitleg hoe volgens duizenden jaren oude Chinese wetenschap het menselijk lichaam in elkaar zit. Dan tijdens een voetmassage van een heel gewichtig kijkende meneer met een stropdas allerlei kwalen aangepraat krijgen. Maar met een doosje medicijnen van 200 euro ben je overal vanaf. Ik heb mensen zo’n doosje zien kopen…!!!! Na de lunch nog even de ‘Temple of Heaven’ en het Zomerpaleis, dat we helaas alleen van een afstand konden zien omdat de tijd te kort was om ernaar toe te lopen. Dat kwam omdat tussendoor nog een bezoek aan een juwelenwinkel moest worden gebracht.
Jammer allemaal dus, maar de dag kreeg nog een erg leuk einde omdat onze bus een verkeersovertreding beging. Bij controle bleek de chauffeur ook niet over de juiste papieren te beschikken en werd door tien man politie uit de bus gehaald. Uit het niets was er ineens een andere chauffeur, maar die kon niet goed rijden en wist bovendien de weg niet, zodat we geld voor een taxi kregen om naar het hotel te gaan. De allerlaatste dag, vrijdag 18 mei, nog even wat door de stad gelopen en het Olympisch Park bezocht. Herinneringen aan het bezoek aan de Spelen in 2008. In het zwemstadion, de ‘water-cube‘ kan nog worden gezwommen, maar alleen niet in HET bad. Wel nog een uurtje op de tribune van HET bad gezeten, op dezelfde plek als tien jaar geleden en alle emotie van toen als een film nog eens dunnetjes herbeleefd. Die foto’s van Beijing staan op:
Vrijdagavond 11 mei uit Ulaanbaatar vertrokken richting China. De zesde en laatste nacht in de trein, plus nog de hele zaterdag. Vrijwel de hele nacht en dag door de Gobi-woestijn gereden. Nauwelijks begroeiing, maar toch af en toe wat vee dat probeerde de laatste verdorde grassprieten uit het zand te trekken. De grensovergang tussen Mongolië en China was een van de vreemdste en omslachtigste die ik ooit heb meegemaakt en duurde bijna zes uur. Eindbestemming op de late zaterdagavond was Datong. Op het laatst een lokale trein met een open coupé en heftig communiceren met medereizigers, die geen woord engels spraken, maar druk in de weer waren met de Chinese versie van Google Translate. Kennelijk hebben ze geen toegang tot de wereldwijde versie van Google. Maar ook voor ons bleken veel websites in China geblokkeerd. Zo werkten Facebook en Whatsapp niet. Evenmin kon ik de website bereiken waarop ik mijn foto’s opsla. Heel frustrerend, maar vooral voor de ruim een miljard Chinezen, die daardoor een vrije blik op de wereld worden onthouden.
Ik had nog nooit van Datong gehoord, maar het blijkt een stad te zijn van 3 miljoen inwoners, vier keer zo groot dus als Amsterdam, maar voor Chinese begrippen nog steeds een middelmatig grote stad. Tijdens de Culture Revolutie zijn veel historische bouwwerken verloren gegaan, maar de laatste tien jaar is er veel hersteld en zelfs herbouwd. Zo zijn de stadmuren opnieuw opgebouwd en binnen de muren gaat het een soort museum worden. Overal worden historische gebouwen opnieuw uit de grond gestampt. Er zijn nog oude wijken, maar er wordt veel gesloopt en de mensen die er nog wonen, worden met een door de overheid redelijk geachte vergoeding vriendelijk verzocht te verhuizen naar de grote woonkazernes die aan de horizon verrijzen.
Datong is van oudsher een stad die leefde van kolenmijnen. De overheid heeft bedacht dat deze activiteit zijn beste tijd heeft gehad, een vooruitziende blik. Even buiten de stad bevinden zich meer dan duizend jaar oude grotten met Buddha-beelden. Tot 2008 kwam er nauwelijks iemand, maar de laatste tien jaar is er een enorm toeristisch park aangelegd, met kitscherige souvenirwinkels, gloednieuwe tempels, Buddha-beelden, monniken die af en toe op een gong slaan, doen alsof ze bidden, maar drukker zijn met hun mobieltje. Nu is het park in staat om 40.000 mensen per dag te ontvangen: selfie-makende Chinezen, die elkaar aan de lopende band fotograferen met de bezienswaardigheid als achtergrond. De hangende tempels verder buiten de stad waren wat meer ontdaan van zo’n kermis en zijn bovendien een wonder van meer dan duizend jaar oude bouwkunst. De fotoserie van Datong staat op:
Aankomst in de vroege maandagochtend in Ulaanbaatar, de hoofdstad van Mongolië. Het is een van de dunst bevolkte landen ter wereld, maar toch heeft Ulaanbaatar op die maandagochtend verkeersopstoppingen, die je in Nederland zelden ziet. Je zou dan zeggen dat ze daar iets verkeerd doen, maar in de ruimtelijke economie is er een wetmatigheid, dat je zo dicht mogelijk bij elkaar moet zitten. En die wetmatigheid gaat hier kennelijk ook op. We rijden meteen naar ons kamp met ‘yurts’. Ze noemen het tenten, maar eigenlijk zijn het houten geraamtes omwikkeld met isolerende doeken. Er is voldoende ruimte binnen met redelijk comfortabele bedden, maar douchen kunnen we niet. Wel kunnen we naar de WC, houten cabines verderop in de wei. Het zijn de traditionele woningen in Mongolië en veel mensen wonen nog in zulke yurts. Ons verblijf is wel erg gezellig, want er zitten andere toeristen in het kamp met wie we onder het eten veel ervaringen uitwisselen.
De verzorging is volpension en het eten is heerlijk. Ik was even bang dat het eten, evenals de huisvesting, ook traditioneel zou zijn, maar dat viel dus erg mee. ‘s Avonds wordt de kachel aangezet. Het klimaat is hier heel extreem. In dit jaargetijde is ’s nachts enkele graden vorst en overdag volop zomer, zelfs op dezelfde dag, heel gewoon. En dat hebben we geweten. ’s Avonds in de yurt de houtkachel aan, maar dan niet bedenken dat er ‘s nachts ook hout in moet en dat die doeken om de tent nou ook weer niet zo heel goed isoleren. Dus behoorlijke kou geleden. Gaandeweg de week kregen we wat routine en hebben we bij toerbeurt ook ’s nachts hout toegevoegd. We toeren hier twee dagen rond in een jeep. Indrukwekkend landschap, en de eerste dag lunchen bij een ‘nomaden-familie’. Ik heb altijd een dubbel gevoel bij dat soort evenementen. Daar zit je dan met je camera en ze zitten je aan te kijken alsof je van een andere planeet komt. Communicatie is er niet, behalve dan dat de gids dingen in het engels vertelt, maar daar begrijpt de familie dan weer niks van.
Ik laat het allemaal maar over me heen komen, me ondertussen verbazend hoe mensen hier kunnen leven. We krijgen daar ook eten, maar dat was wél heel erg traditioneel, dus ik bedank voor de eer. De tweede dag onder meer langs het enorme standbeeld van Dzjengis Khan, in de dertiende eeuw de grondlegger van het land. Staat bij ons bekend als zeer gewelddadig, maar hier wordt hij vereerd. Zo zie je maar weer dat elk land er zijn eigen versie van de geschiedenis op na houdt. In het kleine aanpalende museumpje bleek dat bijna al zijn opvolgers niet netjes zijn overleden, maar vrijwel allemaal gewelddadig om zeep zijn geholpen. Na drie dagen niet douchen waren de douche en schone kleren in het heerlijke hotel in Ulaanbaatar meer dan goddelijk en waren we ineens weer heel andere mensen. De laatste dag nog wat rondgescharreld in Ulaanbaatar. Vanavond weer de trein in en morgen zijn we in China. De foto’s staan op: