Marken: nóg zo’n museum-filiaal van Amsterdam. Uitgestorven op deze winderige januaridag, maar des te meer toeristen in de zomer, vooral Chinezen. Zijn er in Amsterdam al veel toeristen in verhouding tot de hoeveelheid inwoners, op Marken is in de zomer de verhouding tussen inwoners en toeristen wel helemáál uit het lood geslagen. Het is dus eigenlijk een museum, waarin het beeld overeind wordt gehouden van een Nederland dat nog in traditionele klederdracht en op klompen loopt. Tot 1957 was het nog een eiland, maar sindsdien is het met een dijk verbonden met het vasteland. Met amper anderhalf duizend inwoners, maar een veelvoud aan toeristen, die met bussen uit Amsterdam worden aangevoerd op een ruim bemeten parkeerterrein.
Het dorp zelf, met veel huizen op palen, staat strak in de verf, met Zaans groen als hoofdkleur. Het heeft een gezellig knus haventje, met een mix van oude schepen en luxe zeiljachten. Ondanks de januari-stilte was alles in bedrijf. Maar de uitbater van een van de uitspanningen was toch wel blij dat hij zijn koffie met gebak kon slijten. Ook de boot-pendeldienst naar Volendam, dat aan de overkant goed te zien is, was vol in bedrijf en er kwam net een boot aan met twee passagiers aan boord. Aan de andere kant van het eiland ligt, ook op steenworp afstand, Almere. Een heel andere skyline en je zou dan haast gaan denken dat een pendeldienst naar Almere heel wat meer klandizie zou kunnen opleveren. Marken, gaat dat dus zien, bij voorkeur in januari. Voor de opgedane indruk, zie:
IJburg: de nieuwe woonwijk aan de oostkant van Amsterdam. Helemaal op opgespoten eilanden. Het plan was er al in 1965 en na veel bezwaren/discussies en een referendum werd in 1998 begonnen met de aanleg. Er wonen nu zo’n 25.000 mensen en in de toekomst gaan er 45.000 wonen. Ik heb me ooit op een onbezonnen moment ingeschreven om er te gaan wonen. Lekker aan het water met een bootje. Dacht ik toen. Het was maar goed dat de wachttijd zo’n tien jaar was, lang genoeg om tot bezinning te komen en mijn vertrouwde plekje, in hartje stad en toch rustig, trouw te blijven. Toch is het een erg fraaie wijk geworden met gevarieerde bouw en voor elk wat wils. De welstandscommissie heeft zo te zien even de andere kant op gekeken en op veel plekken konden bewoners met veel creativiteit hun eigen stijl, kleur en materiaalkeuze maken. Of sommige woningen ooit nog te verkopen zijn zal dan moeten blijken.
IJburg heeft ook een goudkust. Daar villa’s aan de zonnige zuidwestkant met uitbundig veel ruimte, auto’s in het hogere segment voor de deur en allemaal met eigen ontwerp en ook (bijna) allemaal met een aanlegsteiger en een boot(je). Tussen al dat fraais zie je ook hier en daar lelijke dingen. De nieuwste trend in de architectuur is het werken met van die roestplaten. Je ziet ze ook elders in de stad opduiken. Van veraf ziet het er nog niet eens zo onaardig uit, maar als je dichtbij goed kijkt is het aartslelijk, vooral op zo’n sombere dag als zaterdag. Uiteindelijk hebben we maar de helft van de wijk gezien. Helemaal verkleumd moest met warme chocolade worden opgewarmd en toen was het bij de vroeg invallende duisternis wel bekeken. De rest van de wijk moet dan maar een andere keer. Deel één staat op:
De wereld laat zich het beste fotograferen bij helder weer. Dat is tenminste een soort van universeel idee dat zich heeft genesteld onder fotografen en onder menigeen die de wereld wil bekijken. En ‘dus’ ook bij mijzelf. Niet helemaal onlogisch, omdat je dan niet alleen de dingen het beste kunt zien, maar ook de mééste dingen kunt zien. Maar bij minder helder weer is het dan vaak zo dat de camera (en ikzelf trouwens ook) thuisblijft. Tot vandaag, een mistige dag en ook de eerste dag van weer een nieuw jaar.
Een mooie aanleiding om eens over mijn eigen grenzen heen te stappen en te proberen het Oosterdok in beeld te brengen op – wat betreft het zicht – een wat mindere dag. Rond het Oosterdok zijn er vele dankbare objecten, op nota bene een steenworp afstand van huis. Het NEMO, het Scheepvaartmuseum met de replica van het VOC-schip, de bouwput van Booking.com, de nieuwe gevelrij op het Oosterdokseiland en het Chinese bootrestaurant. Plus nog wat fraaie achtergronden, zoals de Nicolaaskerk, de Montelbaanstoren en de klassieke bouwsels op de Prins Hendrikkade. En niet te vergeten de boten in allerlei soorten en maten.
Mist geeft de wereld niet alleen een heel andere en eigen sfeer, maar je kunt ook extra diepte in je foto’s aanbrengen, omdat dingen die veraf zijn extra vaag worden. Wel is het zo dat de foto’s dan kleur verliezen en eigenlijk bijna zwart-wit worden, maar dat is nou eenmaal zoals de wereld er dan ook uitziet. Hoe dan ook, na het rondje Oosterdok is het volgende fotoserietje tot stand gekomen:
Dat Amsterdam druk is, dat weten we zo langzamerhand wel. Maar zodra je zo’n vijf kilometer van het centrum de Ring-Noord bent overgestoken, houdt de Randstad op en begint het Noord-Hollandse polderland. Wel is er eerst nog Volendam, dat je eigenlijk met een beetje goede wil ook nog wel tot Amsterdam en dus tot de Randstad zou kunnen rekenen. Want je ziet er zelfs in december meer Aziatische toeristen, dan autochtonen. In Volendam hoor je vis te eten, vond ik, en dus kocht ik er een broodje makreel, een van mijn favoriete snacks. Je kan je natuurlijk afvragen of die makreel eigenlijk wel Volendams is, want voor hetzelfde geld komen ze ergens van ver weg uit de Noord-Atlantische oceaan. Maar het gaat natuurlijk om het idee, dat hier graag in stand wordt gehouden. Na één hap ervan werd ik van een flink stuk makreel afgeholpen door een grote meeuw, die met een precieze duikvlucht heel behendig een stuk vis van het brood afpakte. Net toen ik van de schrik bekomen was en me begon af te vragen of ik – om reden van een mogelijke besmetting – de rest nog wel zou kunnen opeten, had een andere meeuw de rest te pakken. Wég lekkere snack, dan dus maar gewoon koffie en appelgebak.
Terwijl je Volendam door al die toeristen nog wel tot de Randstad zou kunnen rekenen, houdt die boven Volendam écht op. Hier strak, dunbevolkt polderland met weinig bomen, veel grasland en hier en daar een molen met wat boerderijen. Ik was natuurlijk wel eens via de A-7 naar het noorden gereden, maar nog nooit via de smalle IJsselmeer-kustweg die je door dorpjes voert waarvan ik nog nooit had gehoord en waar de tijd stil staat. En waar de toeristen ook nog niet zijn doorgedrongen. Tot even ten zuiden van Hoorn, waar ze de gevolgen van de klimaatverandering het hoofd bieden door er een extra dijk te bouwen en in de ruimte tussen de oude en de nieuwe dijk een stadsstrand aan te leggen. In de verte zie je de grote schouwburg, die er eerder uitziet als een kerncentrale of een grote koepelgevangenis. In Hoorn zelf was ik al wel eens geweest, zij het lang geleden. In mijn herinnering had het een prachtig centrum en dat werd deze keer weer bevestigd. Hoe het gebied er in deze korte decembermiddag uitzag staat op:
Utrecht, een stad waar ik niet echt een binding mee heb, maar waar ik met de trein wel vaak door kom of met de auto langs rijd. Het heeft al jaren een nieuw station, vermoedelijk het grootste van Nederland, maar de omgeving daarvan heb ik nog nauwelijks bekeken. Woensdag dus wel. En het is er wat mij betreft onherkenbaar veranderd. Want hoe mooi het station ook moge zijn, op perron-niveau vind ik het daar nog steeds een sombere ondergrondse bedoeling. Maar misschien komt dat nog. Eigenlijk vind ik dat ook van de bovengrondse hal. Hij is prachtig ontworpen, maar doe er dan wat warmer licht in.
Buiten hebben ze er – evenals in Den Haag – de omgeving volgebouwd met zoveel mogelijk grote kantoren. En gaan ze er – zo te zien – nog veel meer bouwen. Het grote glaspaleis van de Rabobank en het nieuwe stadhuis staan daar als kwartiermakers al belangrijk te zijn. Allemaal onderdeel van het streven – lijkt me zo – om het woon- werkverkeer zoveel mogelijk met het openbaar vervoer af te wikkelen. Én om daarnaast al die reizigers ook nog langs zoveel mogelijk winkels te geleiden. Het oude Hoog Catharijne was in verval geraakt en is nu vervangen door een enorme ‘shopping mall’ van Amerikaanse proporties. Commercieel handig ontworpen, want als je met de trein in Utrecht aankomt en je weet er niet echt de weg, word je bijna automatisch langs al die winkels geleid, voordat je in de stad belandt.
Maar al met al vind ik dat het er prachtig gaat uitzien en dat Utrecht, evenals veel andere plaatsen in Nederland, wat betreft kwaliteit van openbare ruimte, erop vooruitgaat. Hoewel smaken verschillen natuurlijk. Voor de oude stad was weinig tijd meer omdat het in december namelijk vroeg donker is. Wel zagen we nog de onzichtbare Domtoren: compleet bedekt met steigerwerk. De toren wordt flink onder handen genomen en zal zich pas in 2023 weer laten zien. We moeten in de komende jaren – maar dan in de zomer – dat uitstapje dus nog maar eens opnieuw gaan doen. Niet alleen om de gerenoveerde toren te zien, en zelfs te beklimmen, maar ook om het helemaal afgemaakte ‘Manhattan’ rond het station nog eens te bekijken. De 2019-impressie staat op:
Het traditionele uitstapje naar Frankfurt in het eerste weekend van december. Marcel had er zijn jaarlijkse zwemtoernooi en ik zou er meedoen aan de ‘Rainbow Run’, een 10 kilometer loopje ergens in een bos buiten de stad. Ware het niet dat ik hevig verkouden was, dus heb deze kelk aan mij voorbij laten gaan. We logeren altijd in een hotel vlak bij het Hauptbahnhof, centraal gelegen, maar aan de rand van een ‘moeilijke buurt’, met zwervers, die in slaapzakken op trottoirs slapen, drugsverslaafden en andere lieden die het wat minder getroffen hebben in het leven en daardoor aan de zelfkant zijn geraakt. Daar was ik ook bijna van mijn laptop afgeholpen door iemand die vanaf de overkant van de straat naar me schreeuwde dat het toch echt zijn tas was.
In plaats van het tienkilometer-loopje is volstaan met een tienkilometer-wándeling, uitgezet door de lokale VVV. Groot voordeel is dat je dan wat meer op de omgeving gaat letten en dat de camera ook mee kan. Het centrum ontwikkelt zich in rap tempo tot een Manhattan. Overal bouwplaatsen voor nóg meer wolkenkrabbers. En in de stad brede wegen waar in drie rijen dik flink hard wordt gereden en je veel te lang moet wachten tot je als voetganger ook een keer mag oversteken. Behalve voor liefhebbers van hoogbouw-architectuur is er in het centrum weinig te genieten, en ik had dan ook niet de indruk dat het een levendige woonbuurt is. Maar de stad heeft twee gezichten. Elders is dan ook nog wel veel moois te zien, laatmiddeleeuwse architectuur, vakwerkhuizen en de fraaie ligging am Main. Niet te missen waren natuurlijk de kerstmarkten met – voor de liefhebbers – de kerstversieringen en de vele culinaire hoogtepunten. Hoe het er daar uitzag staat op:
De donkere dagen (voor Kerstmis) beginnen in Amsterdam al aan het eind van de zomer. In september liggen de eerste pepernoten al in de winkel en in oktober gaat de kerstverlichting aan in de winkelstraten. Dat is meestal aanleiding voor enige maatschappelijke onrust onder degenen die vinden dat je pas pepernoten mag eten als de Sint ín het land is. En de kerstversiering pas aan mag als de Sint weer úit het land is. December is sowieso niet mijn favoriete seizoen, maar ik moet zeggen dat de stad er alles aan doet om het op straat een beetje gezellig te maken. Voor degenen die daarvan houden tenminste. En het gaat hier helemaal los als het ‘Amsterdam Light Festival’ begint.
Het wordt altijd met veel bombarie aangekondigd, maar als het eenmaal zover is, valt het toch een beetje tegen vergeleken met de toch wel meer smaakvolle overvloed van licht elders in de stad. Er zijn wel een paar aardige dingen, daar niet van, maar het geheel steekt toch wel wat magertjes af bij Glow in Eindhoven, het jaarlijkse feestje van Philips aldaar in november. Ik begrijp al helemaal niet waarom het hier een ‘festival’ wordt genoemd. Misschien bedoelen ze een commercieel festival, want dat is het wel. Je kunt voor € 22.50 een rondvaart langs de ‘objecten’ maken. Desondanks zitten de boten vol en varen elke dag in een file. Maar op straat kan je natuurlijk ook kijken, en hoe de stad er met zijn festival in het donkere seizoen bij ligt staat op:
Vroeger woonde ik in Delft en daar had ik bovenburen, met wie ik intensief omging. Totdat zij in 1987 naar Brussel vertrokken en we elkaar uit het oog zijn verloren. Maar vorige maand doken ze plotseling op in Amsterdam met de bedoeling om hier als pensionado’s te gaan wonen, waarmee het contact weer werd hersteld. Besmet geraakt met het Brussels jargon, werd ik bij hen thuis uitgenodigd voor een plat du jour. De meer dan dertig jaar is die avond verbaal overbrugd. Verder bleek dat ze Amsterdam nog moesten ontdekken en we hebben dus een Tour de Ville afgesproken, die afgelopen dinsdag is gemaakt. Geen grachtengordel of andere toeristische hot spots, maar dingen, die nog niet op hun netvlies stonden: de Houthavens en het NDSM-terrein. Als illustratie dat de stad niet alleen maar een museum is, maar zich volop ontwikkelt. Vorig jaar was ik ook al eens in de Houthavens, dus ik was na een vol jaar zelf ook wel benieuwd hoe die nieuwe wijk in aanbouw er nu bij ligt. Het is inderdaad een wijk met hoge prijskaartjes. Maar het is er nog lang niet af en er moeten nog veel meer woningen worden gerealiseerd. Want zo werkt dat met dure huizen: die worden niet gewoon ‘gebouwd’, maar vooral ‘gerealiseerd’, zodat het best een beetje meer mag kosten.
Vanaf de Houthavens kan je met de pont naar het NDSM-terrein. Iets wat bijdroeg aan het vakantiegevoel van mijn Brusselse gasten. Want een pont, die hadden ze daar in Brussel niet. Ook bij NDSM was ik vaker, maar het is altijd leuk om terug te komen. Voor hen heel verrassend, want Amsterdam stond toch heel anders op hun netvlies. Het apéritif is genoten in ‘Pllek’, een uitspanning met zijn “voorname” hoofdingang van opgestapelde zeecontainers. Twee bootreisje verder belandden we in het filmmuseum EYE, waar de dag is afgesloten met een etentje, met uitzicht op het scheepvaartverkeer van en naar de havens. En toen werd het helemáál vakantie. Zelfs zó, dat ze het gevoel kregen nog een hele vliegreis van huis te zijn. In werkelijkheid een bootreisje en een kwartiertje met de tram. Een erg geslaagde dag dus. En ik realiseerde me ook maar weer eens dat we in een erg mooie stad wonen, iets wat we maar al te vaak als vanzelfsprekend aannemen. Hoe mooi, dat staat op:
Artis: heel dichtbij, omdat de hoofdingang nog geen honderd meter van huis ligt. Ik heb bovendien een abonnement, maar desondanks kom ik er zelden. Er zijn verderaf gelegen plaatsen in de wereld waar ik vaker kom. Toch zingt het idee om weer eens naar Artis te gaan voortdurend in mijn hoofd rond, maar elke keer is er weer een reden om het naar de volgende week uit te stellen. Tot zaterdag, toen het licht zó mooi was en ik het idee maar eens heb aangepakt. Je kan op twee manieren naar Artis kijken. Het is er prachtig, fotogeniek en ook heel educatief, alleen al te zien aan het feit dat kinderen er buitengewoon veel plezier aan beleven. Maar aan de andere kant: hoe kun je eigenlijk dieren uit een veelal tropische habitat halen, om hier in de winterkou op enkele vierkante meters hun leven te laten slijten? Ik heb zaterdag vooral gelet op de tijdbesteding van de dieren. Ze houden zich hoofdzakelijk bezig met eten, zichzelf en elkaar schoonmaken, en rondjes lopen in de hun toegemeten beperkte ruimte. En dat de hele rest van hun leven. Aan het publiek lijken ze inmiddels gewend. Ze gaan gewoon door met hun ding en keuren ons geen blik waardig. Andersom dus wel, afgaand op de duizenden foto’s die door het publiek worden gemaakt. Inclusief de mijne op:
Na twee weken regen werd het ineens mooi weer en zouden we maar weer eens een fotosafari maken. De bedoeling was deze keer om nog maar eens naar de Houthavens te gaan. Daar waren we een jaar geleden ook al geweest, maar we waren benieuwd hoe die wijk in aanbouw er nu bij lag. Bovendien zouden we deze keer – ook al aangemoedigd door het mooie weer – er helemaal naartoe lopen. Want je weet nooit wat er onderweg nog te zien is. Eigenlijk is dat vragen om het risico dat je de beoogde eindbestemming nooit haalt. En dat gebeurde dus ook. Het begon al bij de Zuiderkerk en de Geldersekade. Daar waren de waterspiegels en het fraaie licht zó mooi dat we er veel te lang zijn blijven hangen. En dan, verderop, het nieuwe Paleis van Justitie aan het water. Vaak langs gekomen, met de auto nog wel, maar er nooit een kijkje genomen. Deze keer dus wel, me verbazend over de vormgeving en architectuur van dat gebouwencomplex. Hoe anders wordt er nu gebouwd dan in die treurige 80’er jaren….!
Uiteindelijk hebben we de Houthavens nog wel gehaald, maar toen begon het al te schemeren. Aan de waterkant is een knots van een hotel gebouwd. Zonder al te veel klandizie nog, zo te zien, maar je kan je zo voorstellen hoe je daar over tien, twintig jaar uitkijkt over het huidige NDSM-terrein, dat dan ongetwijfeld zal zijn volgebouwd met wolkenkrabbers. Maar het toetje van de dag was nog wel het voormalige REM-eiland. Dat lag in 1964 in de Noordzee en vandaar werden toen de eerste commerciële TV-uitzendingen verzorgd onder de naam ‘TV-Noordzee’. Nu als restaurant aangemeerd aan de Houthavens en vandaar konden we in het schemer nog over het IJ uitkijken. Bij mooi daglicht beslist nog maar eens terugkomen dus. En misschien er wel een hapje eten. De foto’s van vandaag staan op: