Na vier dagen reizen (Genua meegerekend eigenlijk vijf), merken we toch wel dat we behoefte hebben aan even de auto aan de kant en lekker uit te rusten. Collevecchio is daarvoor een ideaal plaatsje. En – met dank aan John – vooral het huis waarin we verblijven. Sfeervol, met terras en uitzicht over het grote dal. Én natuurlijk het zwembad, nota bene aangelegd op een helling. Hier gaan we dan ook een aantal dagen blijven en niet al te veel ondernemen. Behalve dan dat we ons elke ochtend naar de bar op het centrale plein slepen voor cappuccino en cornetti. En kennismaken met het vaste meubilair dat daar elke ochtend zit. Het dorpje heeft betere tijden gekend. Er zijn nu nog zo’n 1500, voornamelijk oudere, inwoners. Niet meer genoeg om basisvoorzieningen in stand te houden, zoals een restaurant, een geldautomaat en meer van die handige dingen. Maar wel nog de bar, die misschien wel – als ontmoetingsplaats – de allerbelangrijkste basisvoorziening is. Na een paar dagen weet dus iedereen wie we zijn, hebben we het gevoel dat we er zelf ook wonen en ook tot het vaste meubilair behoren.
Verder doen we niet al te veel. Behalve dan toch af en toe even met de auto naar de supermarkt, een restaurant in de buurt en bezoekjes aan een paar dorpjes in de omliggende Sabina. Want zo heet het gebied in het noorden van Lazio, de regio rond Rome. Een prachtige streek, die vaak met Toscane wordt vergeleken, maar bij nader inzien toch wel veel daarvan verschilt. In tegenstelling tot Toscane is hier nauwelijks wijnbouw, maar des te meer olijfgaarden. Naast grote velden met olijfbomen heeft eigenlijk elk huis wel een paar van die bomen in ‘de tuin’ staan. De streek is ook veel minder toeristisch dan Toscane. Nu helemaal, en het is overal stil op straat. Ook in Casperia, normaal gesproken populair bij Engelsen en zelfs Amerikanen. Nu niets van dat alles, en wij hebben dan ook het prachtige pleintje in dat dorp helemaal voor ons alleen. Foto’s van de eerste Sabina-dagen staan op:
Het laatste stuk van de heenreis: van Genua naar de eindbestemming Collevecchio, zo’n 60 kilometer boven Rome. Bij het ontbijt in Genua konden we het niet laten om nog een allerlaatste blik te werpen op de stad, de haven en de boten die daar vannacht weer waren afgemeerd. Dan langs de kust naar het zuiden. De eerste honderd kilometer was het weer opletten. Veel tunnels, slecht verlicht en daardoor veel te veel contrast met de felle zon, geen vluchtstroken én ook nog eens bochten in die tunnels. De Italianen schrikken er desondanks niet voor terug om je dan, zelfs in die bochten, nóg in te halen. Ik vind Italianen een erg charmant volk, maar als ze achter het stuur kruipen worden het ineens andere mensen. Maar daarna wordt het overzichtelijker en bij Follonica verlaten we de kustweg, het binnenland in.
Daar ligt Massa Marittima, waar ik jeugdherinneringen uit de zomer van 1967 heb liggen en waar ik zelfs 53 jaar later nog vaak aan terugdenk. Ik reisde naar dat stadje met een groep van klasgenoten van de middelbare school uit Oldenzaal. Dat was met de Internationale Bouworde, een organisatie van katholieke snit, die scholieren in staat stelde om in ruil voor reis, kost en inwoning een aantal weken werk te verrichten voor katholieke instellingen. In dit geval ging het om een weeshuis, het Rifugio St.Anna. Tegenwoordig is het een jeugdherberg en is de naam omgedoopt tot Ostello St.Anna. Die reis heeft destijds een grote indruk op me achtergelaten. Ik heb daar mijn liefde voor Italië opgelopen. Na enig zoeken konden we terugvinden waar het toen geweest moest zijn. Ter hoogte van de toenmalige slaapzalen troffen we iemand die ook herinneringen had uit die tijd. De baas van dat weeshuis was Pater Don Luigi, waarvan hij wist dat die in 2013 op 96-jarige leeftijd is overleden, maar wiens geest in het complex nog alom aanwezig is.
Ik was daar zó druk om me in te beelden, hoe het daar destijds was, dat ik eigenlijk vergat om daar de nodige foto’s te maken van hoe het er nu uitzag. Gelukkig had René de tegenwoordigheid van geest om daar wél foto’s te maken, die hij mij bereidwillig ter beschikking heeft gesteld. Die foto’s voeg ik – bij zeer hoge uitzondering en met dank aan René – toe aan de serie (zie het linkje onder). Uitzondering, omdat ik eigenlijk alleen maar zelfgemaakte foto’s wil opnemen. Want anders kun je wel aan de gang blijven en voor je het weet staan er alleen nog maar foto’s die je van internet hebt geplukt.
Nog een veel grótere uitzondering is dat ik in de serie ook een drietal zwart-wit foto’s uit 1967 van dat verblijf aldaar toevoeg: een foto waar we aan het werk zijn en een theepauze hebben, een foto waar ik een soort oorkonde of diploma van Don Luigi uitgereikt krijg en tenslotte een foto van de hele groep klasgenoten plus bewoners en verzorgers van dat weeshuis. Tijdens deze middag is de hele film uit 1967 nog eens in mijn hoofd afgedraaid. Maar opnieuw zijn we weer veel te lang in Massa Marittima blijven hangen en moesten we toch weer een stuk over de autobaan om uiteindelijk nog net voor het donker in Collevecchio te landen. Natuurlijk hebben we de dag op het dorpspleintje nog eens dunnetjes overgedaan. Hier zullen we enkele dagen blijven. De foto’s van deze toch wel bijzondere dag staan op:
We hadden maar liefst één volle dag extra ingeruimd voor Genua. Voor een stad van dat kaliber is dat natuurlijk veel te weinig. Genua is – wat mij betreft – dan ook ondergewaardeerd. De meeste Italië-gangers gaan naar Rome, Florence of Venetië en als er nog wat tijd over is naar Napels. Maar over Genua hoor je niemand, behalve als ze er met de boot zijn vertrokken naar meer zuidelijke bestemmingen. Toch is dit een van de mooiere Italiaanse steden en lijkt – voor wat betreft sfeer en natuurlijke ligging – nog wel het meest op Napels. We hebben geluk met het hotel. We hadden geboekt in een ‘gewoon’ hotel, maar om onduidelijke reden werden we omgeboekt, zonder extra kosten, naar het wat meer deftige lid van dezelfde hotelfamilie: het ‘Savoy-hotel’, honderd meter verderop. Klinkt sjiek en dat wás het ook. We hadden de autosleutels afgegeven bij de receptionist, die wel een plaatsje voor de auto wist. Binnen veel marmer en grote kamers met uitzicht op een blinde muur zonder uitzicht, dat dan weer wel.
Maar ontbijten en eventueel wat drinken doe je natuurlijk niet op je kamer, maar op het dakterras, op de zevende verdieping. Precies hoog genoeg om de haven en de zee te zien, recht tegenover het hotel. Daar blijkt dat Genua er toch wel toe doet. Niet alleen veel vrachtboten, maar ook alle ferries plus nog de nodige cruise-schepen vetrekken hier vanaf het monumentale Stazione Marittima. Foto’s maken daarvan mocht alleen niet volgens een bewakende dame, die in ons een groot gevaar meende te zien. Er liep in de stad sowieso veel zwaarbewapende politie rond, maar het leek ons beter om maar net te doen alsof je dat niet ziet. Beter om je te richten op al het moois dat de stad te bieden heeft.
Het leven in de stad speelt zich op meerdere verdiepingen af. Het verkeer loopt op twee niveaus en tussendoor is er nog een spoorlijn plus nog allerlei kleinere steegjes, tunneltjes en bruggetjes voor voetgangers. Voor de automobilist die hier de weg niet weet een hele uitdaging dus. Achter het hotel liep het omhoog via kleine steile straatjes. De eerste avond was het meteen raak: een lekkere pasta met een glaasje wijn op zo’n klein pleintje tussen die steegjes. De oude stad zie je op een verhoogd soort landtong in het oosten liggen. Dat is het doel van de dag: slenterend langs straatjes, pleintjes en monumentale kerken naar de oude stad. De beste manier om veel te zien, en voor de rest gaat alles vanzelf. Mondkapjes zijn hier de norm en zelfs op straat zie je ze veel. Je komt geen winkel of andere openbare gelegenheid binnen zonder. Er wordt uitdrukkelijk op toegezien dat je dan ook je neus bedekt. Herhaaldelijk werd bij binnenkomst in een gelegenheid met zo’n apparaatje de temperatuur gemeten en ook heb ik op een terras meerdere keren mijn naam en telefoonnummer moeten achterlaten. Tot nu toe ben ik gelukkig nog niet gebeld. De camera heeft overuren gemaakt en een selectie is te vinden op:
Genua zou de volgende halte zijn. Drie jaar geleden waren we er ook al eens langs – of liever gezegd overheen – gereden. Daar is toen nog wel een korte koffiestop gemaakt, maar achteraf bleek dat we in een voorstad hadden gezeten, terwijl we dachten in het centrum te zitten. Maar de stad vonden we zelfs vanuit de auto zó mooi, dat Genua met stip op de bucket list terecht is gekomen. Reden genoeg dus om nog eens terug te komen en dat is bij deze gebeurd. Maar waar ga je dan de Alpen over? Oversteekplaatsen genoeg, maar bij de Gotthard lagen voor ons beiden de meeste jeugdherinneringen. Voor mij als amper 18-jarige, tijdens een busreis naar Italië met de middelbare school uit Oldenzaal. Afgezien van enkele korte grensoverschrijdingen was ik toen nog nooit in het buitenland geweest en heeft de Gotthard op mij een onuitwisbare indruk achtergelaten. Sindsdien ben ik er eigenlijk nooit meer geweest, behalve dan die ene keer een jaar of vijf geleden, maar toen hing er een dikke mist en begon het ook nog eens te regenen.
Deze keer was het weerzien zoals het hoort. Niet door de tunnel dus, maar gewoon over de pas. Fraaie beklimming bij goed zicht. Boven zijn ze druk in de weer om er een windmolenpark aan te leggen, ideale plek, want het kan er flink waaien. De pas vormt eigenlijk de scheiding tussen twee klimaten. Aan de noordkant nog wel een beetje ons klimaat, maar zodra je de pas over bent kom je meteen in een andere wereld. Mooi uitzicht op Airolo diep beneden en verder over het kanton Ticino. De wereld lacht je toe, de zon schijnt, ze spreken er meteen Italiaans en ook de architectuur wordt mediterraan. We maken een stop in Luino, aan het Lago Maggiore. Daar werden we herinnerd aan de televisiebeelden van een kleine week daarvoor, toen na een paar dagen van hevige regen de auto’s door kleine noord-Italiaanse steegjes spoelden. Zo héél mooi is het weer aan de zuidkant van de Gotthard dus nou ook weer niet.
Vandaag dus wel, maar het water in de haven van Luino was bedekt met een dikke laag hout en zelfs boomstammen, die kort daarvoor uit de bergen waren komen aanspoelen. Maar in de Po-vlakte was er niets meer van dat alles. Strak vlak land en het lijkt er op Nederland. Mooie – zelfs monumentale – boerderijen met terracotta daken. Tussenstop in Casale Monferrato, op de kaart een onbetekenend plaatsje van niks dat we eigenlijk alleen maar wilden bezoeken om er de Po te bekijken en er eventueel over de brug te wandelen. Maar zelfs dit plaatsje van niks, bleek alweer zó bezienswaardig, dat we er veel te lang zijn blijven hangen. En andermaal moesten we nog flink doorrijden om Genua te halen. Zouden vier dagen dan toch te kort zijn voor de manier van reizen die we in gedachten hadden?
Midden in de spits dus in Genua aangekomen. Daar was het opletten. Het is – voor wat betreft autorijden – een van de moeilijkste steden die ik ooit heb bezocht. Overal afslagen, opritten, tolstations, tunnels en viaducten. Onze GPS raakte ook het spoor bijster, maar ineens reden we over de nieuwe brug, net geopend na de instorting van de oude twee jaar geleden. Wonder boven wonder is het hotel toch gevonden. Het hotelpersoneel zocht een plaatsje voor de auto en er was lekker bier op het dakterras met uitzicht over de stad, beschenen door de laatste zonnestralen van de dag. Hier blijven we een volle dag extra. Wordt dus vervolgd. De foto’s van de tocht van deze dag staan op:
De afspraak met mijn buurman John, die een huis in midden-Italië en daar dus ook een tweede auto heeft, was dat ik zijn ‘Italiaanse auto’ terug naar Italië zou brengen en vervolgens zijn ‘Nederlandse auto’ weer uit Italië zou ophalen. Nou hoef ik over zo’n verzoek nog geen twee seconden na te denken. Ik had René gevraagd om met mij mee te rijden en ook hij hoefde er eigenlijk niet over na te denken. Je kunt er in principe in twee dagen heen rijden, maar dan zie je alleen maar autobanen. Een beter idee zou zijn om er dan meteen maar een soort vakantie- en fotoreisje van te maken. Bovendien lagen er onderweg veel herinneringen uit vervlogen tijden. Herinneringen die er door al dat gejakker over autobanen en gevlieg over de wereld wat verwaarloosd bij lagen. Dus in vier dagen naar Italië leek ons een heel werkbaar uitgangspunt.
De eerste halte was Nancy. Vaak er langs gekomen, maar meestal zonder te stoppen doorgereden op weg naar het zuiden. Nu dus niet en heel klassiek gelogeerd in een tot hotel omgebouwd stadspaleis. Vlak bij het ‘Place Stanislas’, omgeven door monumenten van een grote grandeur, zoals het operagebouw en het evenmin klein uitgevallen Hotel de Ville. En als je dan toch vier dagen de tijd hebt kan je ook nog een uitgebreide stadswandeling maken in de omgeving van dat grote plein. Na Nancy is voor de secundaire wegen gekozen door de Vogezen. Lekker rustig door mooie dorpjes tuffen en stoppen waar het mooi is. Dat was het reizen in de zestiger jaren.
René had herinneringen uit zijn jeugd aan Ribeauvillé. Ik ben daar later ook wel eens geweest maar herinnerde me vooral de toeristenfuik van menigten die langs de Elzasser vakwerkhuizen sjokten. Deze keer bijna niemand op straat. Je kan de coronacrisis natuurlijk de schuld geven, maar misschien kwam het ook wel door de regen, die ondanks de al blauw wordende lucht boven ons maar niet wilde ophouden. Omdat we een beetje te lang waren blijven hangen in de Vogezen, moesten we toch maar een stuk over de autobaan om Andermatt, aan de voet van de Gotthard, te bereiken, de plaats van de tweede overnachting. De fotoserie staat op:
In de afgelopen hittegolf kon strandbezoek niet ontbreken. Maar het gebruikelijke Zandvoort was op de heetste en drukste dagen eigenlijk geen optie. De trein doen we dit jaar sowieso niet en op die allerdrukste dagen hadden ze de wegen er naartoe ook nog eens afgesloten. Dan maar weer eens naar Callantsoog, een stukje verder, maar eigenlijk ben je er even snel. Om precies te zijn: naar Groote Keeten, nog een paar kilometer verder naar het noorden. Je kan er ver kijken. Op een paar kilometer afstand zie je het strand van Julianadorp en dan nog iets verder Noorderhaaks, het onbewoonde eiland ten westen van Den Helder. En héél in de verte zie je in het zuiden de vage contouren van wat vroeger de Hoogovens heette. Op een of andere manier krijg je hier – kijkend naar het noordwesten met de kaart van de Noordzee in het achterhoofd – een meer ruimtelijk gevoel van de oneindigheid van de zee.
Het strand is er heel anders dan in Zandvoort. Er is een andere duinenrij, er zijn andere mensen en zelfs de lucht is er anders. Al zal dat laatste wel toeval zijn. Maar de grootste verschillen met Zandvoort betreffen toch wel de strekdammen, die je hier bij vloed weliswaar niet ziet, maar die bij eb tevoorschijn komen. Dan ontvouwt zich het planten- en dierenleven. Op de dam en in het ondiepe water eromheen wemelt het van zeewier, mosselen en allerlei soorten krabben. De uit de kluiten gewassen meeuwen storten zich op de weerloze mosselen en krabben en aan het eind van de schranspartij resten de overblijfselen, een paar uur later weer weggespoeld door de naderende vloed. Tot de cyclus zich weer in een eindeloos ritme herhaalt. Foto’s zijn er ook gemaakt, te zien op:
Het plan was – onder meer – om het industriële erfgoed van het Ruhrgebied wat nader te bekijken. Een overzicht daarvan was gegeven in een tamelijk knullig en onoverzichtelijk samengesteld gidsje, maar na een avondje puzzelen op de hotelkamer kwamen we er wel uit en konden we een soort van programma samenstellen. Dachten we…! Het Ruhrgebied is even groot als half Nederland. Als je er dus wat van wilt zien leg je meteen grote afstanden af. Het is dan ook zaak om de dingen een beetje in een handige volgorde te doen. Gelukkig zijn er veel autobanen, dus je kunt vrij snel van de ene naar de andere bezienswaardigheid rijden, zelfs als de volgorde achteraf toch wat onhandig bleek. Daarbij kwam wel dat er veel gesloten was, wegens renovatie of corona. Of ze hadden het aantal bezoekers beperkt en had je van tevoren online moeten boeken.
Bovendien was het al die dagen ontzettend heet, waardoor ons voorgenomen erfgoed-bezoekje toch niet helemaal is geworden wat we ervan hadden gehoopt. Maar iets wat wél is gelukt – en wat ook tamelijk bijzonder was – was nog wel het bezoekje aan de zweefbaan van Wuppertal. Het ziet er futuristisch uit, maar de baan is al meer dan honderd jaar oud. Nee, geen kermisattractie, maar goed functionerend openbaar vervoer in een stad met ruimtegebrek en een mooi alternatief voor een metro. Daarvan heeft de aanleg ook zo zijn bezwaren, weten we in Amsterdam maar al te goed. Het is een hangende trein, volgens mij uniek in zijn soort. We maken meteen maar een ritje, van begin- naar eindpunt en weer terug.
Tenslotte Düsseldorf zelf, niet héél bijzonder, maar evenals Keulen fraai gelegen aan de Rijn. Bovendien zijn in het voormalige havengebied oude fabriekspanden in gedurfde architectuur omgebouwd tot hippe appartementen en bedrijfspandjes. Zo was er dus toch nog wat onverwacht erfgoed. We slenteren op onze laatste dag door dat gebied en zoeken verkoeling in de schaduw met een ijsje én in de hoge TV-toren, waar we de stad weer vanuit een ander perspectief konden zien. Verder hadden we het geluk een hotel te hebben in een van de leukste wijken van de stad, met op de hoek ons vaste Italiaans eethuisje, dat ook nog eens ontzettend lekker koud bier had. En zo had ons toch al memorabele bezoekje aan het Ruhrgebied elke dag wel weer een mooi einde. De foto-impressie ervan staat op:
Het Ruhrgebied: meestal rij je er snel dwars doorheen, op weg naar betere oorden. Maar door een afgelast zwemtoernooi van Marcel in Düsseldorf en een al betaald hotel aldaar, zijn we er dan toch maar vijf dagen heen gegaan en hebben er dan maar het beste van gemaakt. Dat is natuurlijk niet het állerbeste uitgangspunt voor een bezoek. Temeer daar het ook nog eens zo’n 35 graden was, en een normaal mens zoekt dan al helemáál betere oorden op. Wij niet dus…! Het Ruhrgebied is erg dicht bevolkt. Het is even groot als half Nederland, maar heeft meer inwoners dan héél Nederland. Het imago wordt nog steeds bepaald door de oude zware industrie.
Van dat imago van kolen en staal met dito luchtvervuiling komen ze maar met moeite af. Geen wonder dus dat de meesten dwars door het Ruhrgebied heen rijden. Maar toch is vrijwel alle zware industrie al lang verdwenen en de bewoners hebben inmiddels andere middelen van bestaan gevonden. Het al dan niet opgekalefaterd industrieel erfgoed is het enige dat er nog van die tijd over is. Veel is inderdaad opgeknapt, voor toeristen toegankelijk gemaakt door het om te bouwen tot musea en te omgeven met fraai groen. Maar gelukkig is er ook nog wel vervallen roestig spul te vinden. Leuk om achteraf te zien, maar het vroegere werken erin leek me een stuk minder leuk. In het bezoekerscentrum in Essen bijvoorbeeld, komen we in een min of meer intact gelaten fabriekshal en krijg je een indruk hoe het moet zijn geweest om daar te werken in een orgie van staal, vuur, hitte, rook en vuile lucht.
Scheepvaart was van levensbelang voor de regio. De hoogteverschillen werden niet, zoals bij ons, overwonnen door sluizen. Maar door de toch al niet kleine schepen met nog grotere hef-installaties op te tillen naar een hoger cq. lager niveau. Een vrijwel oorspronkelijke installatie vinden we aan het Dortmund-Ems-kanaal. De nieuwe middelen van bestaan in het Ruhrgebied worden nu vooral gevonden in de alleszins leefbare steden, zoals Düsseldorf zelf, maar ook Keulen op steenworp afstand. Keulen staat in de top-5 van fraaiste steden van Duitsland, mede dankzij de Dom en de ligging aan de Rijn. We slenteren langs de rivier en dankzij enkele rondjes in een reuzenrad kunnen we de stad ook nog eens van boven bekijken. Al met al interessant om nu eens te zien waar we in al die jaren snel dwars doorheen zijn gereden. Die eerste indruk is vastgelegd op:
26 juli 1920: dat was de geboortedatum van mijn vader. Dat betekent dus dat hij zondag honderd jaar zou zijn geworden. Reden genoeg voor mijn familie om daarbij stil te staan en herinneringen aan hem op te halen. Dat in het kader van een ‘familiedag’, die we sowieso elk jaar organiseren. Het gebeuren had plaats in Sulzberg, een klein Duits plaatsje in de Allgäu, aan de rand van de Alpen, waar mijn zus Hedwig nu al weer ruim dertig jaar woont. Zij had een excursie geregeld naar het ski-dorp Oberstdorf, dat vooral bekend is van het ski-springen. Onderdeel daarvan was een rondleiding bij de schans, een van de grootste ter wereld. Het is dan ook een Flugschanze, een ‘vliegschans’ dus, in tegenstelling tot een ‘gewone’ springschans, eigenlijk een beetje een B-categorie dus. Alleen al de aanblik aan de onderkant van deze vliegschans doet je de adem benemen. We krijgen een uitvoerig exposé over de techniek van het springen, wat de risico’s zijn, wat de hoek van de landing moet zijn en hoe de puntentelling werkt.
Het indrukwekkendst was nog wel de tocht naar boven. Eerst naar de ‘afspring-tafel’, waar de eigenlijke vlucht begint. Vervolgens met de lift verder naar boven, waar je uitkijkt over het spoor waar de snelheid wordt opgebouwd, op de afspring-tafel en heel diep beneden op de plaats van de landing. Ski-springen lijkt me niet een sport die je kunt oefenen door er langzaam een vaardigheid voor op te bouwen. Ooit moet je de eerste sprong maken. Toch beginnen de meesten er al op jonge leeftijd aan door gebruik te maken van de instapmodelletjes die rond Oberstdorf zijn gebouwd, maar ook die lijken me al behoorlijk ambitieus. De festiviteit werd voortgezet in het Oostenrijkse Mittelberg met een wandeltocht naar een berghut, naar keuze ook eventueel per kabelbaan. Het vervolg laat zich raden: eerst bier op de houten banken buiten, een uurtje rust en vervolgens eten, drinken en tussendoor het ophalen van herinneringen aan onze vader. Ik denk dat mijn vader erg tevreden zou zijn, als hij dit allemaal zou zien. En als hij dit niet kan zien, dan toch zeker wel deze foto’s die ik in the cloud heb gezet:
Sabina: zo heet de streek rond Collevecchio. We hebben de actieradius wat vergroot en wat rondgetoerd door die streek. Rome, ook dichtbij, hebben we maar gelaten voor wat het is. Behalve dan die ene keer toen ik Enzo, een Italiaanse vriend van John, bij een autoverhuurbedrijf in een treurige buitenwijk van Rome heb afgezet. Al krijgt die stad hopelijk in september nog een herkansing. Maar ook zonder Rome is hier genoeg te zien als je goed kijkt. Sabina lijkt in de verste verte niet op iets van een stedelijk gebied. Integendeel, het is een streek van verstilde – helaas ook leeglopende – dorpjes. Op vrijdag maken een tochtje langs Cantalupo, Casperia, Roccantica en Poggio Catino. Allemaal compacte dorpjes op een heuvel, vanwaar je vroeger de vijanden goed kon zien aankomen. En erg fraai afstekend tegen de Apennijnse bergen op de achtergrond. Maar bijna geen mens op straat. Casperia is daarbij een uitzondering, want dat wordt nog wel een béétje in leven gehouden door de Engelsen en Amerikanen die er zijn neergestreken. Het tochtje van vrijdag eindigde alleen halverwege jammerlijk in de regen, zodat we het niet helemaal hebben kunnen afmaken. Ook dat moeten we dan in september nog maar eens overdoen.
Zondag rond het middaguur een wandeling gemaakt naar Cicignano, zo’n 4 kilometer van Collevecchio. Even ontsnappen aan de zoete inval, alléén met het landschap, de krekels en de camera. Je passeert dan eerst het dorpskerkhof van Collevecchio. Hoewel de dorpen leeglopen, horen de doden er nog steeds bij. Op zondag rond twaalf uur is het er erg druk met nabestaanden, die met bloemen hun dierbaren gedenken. Prachtige omgeving, maar niet echt passend om daar in die drukte dan foto’s te maken. Dan maar verder naar Cicignano, een stuk verderop, ook al zo’n klein dorpje met nog geen honderd inwoners, die zo te zien allemaal binnen zitten. Ik had gehoopt na een wandeling in de brandende zon daar mijn dorst te kunnen lessen, maar horeca was er niet. Er gebeurde daar eigenlijk helemáál niks, behalve dan om twaalf uur het klokgelui van de kerk. Maar ook dát leidde niet tot enige activiteit. Op de terugweg toch nog maar even langs het kerkhof. Toen was er niemand meer. Ik kan op dat soort plaatsen altijd in gedachten verzinken. Hoe oud zijn de doden geworden, wanneer zijn ze overleden en wat deed ík toen? Verder worden de doden hier niet onder de grond begraven, maar opgeborgen in bovengrondse tombes. Zo horen ze er dus toch nog een beetje bij. De Sabijnse indruk staat op: