Dubai – Wellington

23 februari 2017

De volgende bestemming is meteen Wellington in Nieuw-Zeeland, een van de meest afgelegen grotere landen ter wereld. Australië is al heel ver en daarna is het nóg eens drie uur vliegen. De reis vanaf Dubai begon al met enige stress. Het leermomentje was dat je alles nog eens een keer moet dubbel-checken. We hadden het natuurlijk nog wel gevraagd: kunnen we een taxi krijgen naar de luchthaven? Ja, welke maatschappij? Qantas?, Oh, dat is dan terminal 1. Daar aangekomen bleek het toch terminal 3 te zijn. Niet erg voor een klein vliegveldje (hoewel ze daar niet eens een terminal 3 zouden hebben), maar wel erg op een van de grootste luchthavens ter wereld. Ander leermomentje: neem dus altijd minimaal een halfuurtje extra voor dat soort dingen. Maar gelukkig hadden we dát dan wel weer gedaan, dus dat kwam achteraf prima uit, want die tijd bleken we ook wel nodig te hebben.

Veertien uur non-stop vliegen naar Sydney, daar drie uur wachten en dan nog eens drie uur vliegen naar Wellington, op de zuidpunt van het Noordereiland. Douane in Nieuw-Zeeland: obsessieve controle dat er geen enkele vreemde voedingswaar of ander besmet spul het land binnenkomt. Uitgebreide controle van onze schoenen, want we hadden eerlijk verteld dat we in de laatste 30 dagen in Tanzania waren geweest. We worden in Wellington afgehaald door Chris, die ons ook heeft vergezeld in Tanzania en van wie we daar elf dagen geleden afscheid hebben genomen. We zijn enkele dagen bij hem te gast om uit te rusten van de reis en te wennen aan het tijdsverschil van twaalf uur met Nederland. En natuurlijk ook om een eerste indruk te krijgen van Nieuw-Zeeland en zijn hoofdstad Wellington. Nieuw-Zeeland bestaat nog voor zo’n 20% uit Maori’s, de oorspronkelijke bewoners ook met hun eigen taal, vooral op het Noordereiland. In het nationale museum (‘Te Papa’) zien we elementen van hun cultuur, hoewel die expositie veel weerstand oproept, juist bij die oorspronkelijke bewoners. Want dingen die je in een museum tentoonstelt laten eigenlijk iets van een verleden zien dat niet meer zou bestaan, terwijl die oorspronkelijke bewoners juist erg opkomen voor hun bestaansrecht.

We zijn dus aangeland in Wellington: ‘the coolest little capital of the world‘, zoals ze hier zeggen. Met ‘cool’ bedoelen ze ‘trendy’. Het is geen grote stad, maar wel de hoofdstad van Nieuw-Zeeland, met zo’n 400 duizend inwoners. Auckland, verderop op het Noordereiland is verreweg de grootste stad met zo’n 1,5 miljoen inwoners. Aan de houten huizen en de ligging aan zee te zien, zou het zo Noorwegen kunnen zijn. Schitterend gelegen aan een gevarieerde kust onderaan het Noordereiland. Maar eigenlijk zou de stad ook zo weggelopen kunnen zijn uit Engeland en het ís natuurlijk ook nog een beetje Engeland met koningin Elizabeth als staatshoofd. Aan de gedenkplaten te zien is ze verschillende keren hier geweest om eerste stenen te leggen, gebouwen te openen of anderszins linten door te knippen. Ook het klimaat is ‘cool’. In de zomer wordt het zelden meer dan 25 graden, maar ook vriest het er vrijwel nooit. Nu hebben we geluk en is het prachtig weer, met inderdaad ongeveer 25 graden. Al met al is het een aangename stad en we hadden een aangenaam verblijf daar. Maar donderdag (23 februari) was (voorlopig) alweer de laatste dag in Wellington. Vrijdagochtend gaan we eerst de oversteek maken naar het Zuidereiland en daar de huurauto ophalen. Dan begint de drieweekse tour over dat Zuidereiland. We zijn benieuwd. De foto’s van de eerste indruk van Nieuw-Zeeland staan op:

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157678343057548

Dubai

18 februari 2017

Donderdagavond 16 februari gaan we dan écht, voor een aantal maanden zelfs. Zeven jaar lang hebben we hier al over gesproken en het plan is in al die jaren nog vaak veranderd, zowel voor wat betreft wanneer, hoe lang en waarheen. Maar nu is het dan zo ver. Dick brengt ons naar Schiphol en na alle formaliteiten zitten we in de vertreklounge te wachten, oog in oog met het vlaggeschip van de luchtvaart: de A380 van Emirates, die ons naar Dubai zal vliegen. Lekker veel ruimte om te zitten en zeven uur later op de vroege vrijdagochtend staan we dan in Dubai. Dubai ligt aan de Perzische Golf, in de woestijn en het regent er vrijwel nooit. Behalve dan nu wij er zijn. Met name op de vrijdag was dat met motregen en ook nog eens mist een echte spelbreker, want we zouden die dag de Burj Khalifah op gaan, met 800 meter de hoogste toren ter wereld en op een hoogte van bijna 600 meter van het prachtige uitzicht genieten.

Je kon alleen nauwelijks de grond zien, laat staan het spectaculaire uitzicht over de stad, op Sharjah en bij helder weer zelfs de overkant van de Perzische Golf. Ik had me er ook fotografisch veel van voorgesteld, maar met dat uitzicht is de kwaliteit van de daar gemaakte foto’s dus navenant, hoewel na enig gepruts met Photoshop kon ik nog wel wat contrast aanbrengen, hoewel het eindresultaat nog steeds onder de maat was. Dubai leek me een stad met weinig ruimtegebrek. Er wordt hier niet op een vierkante meter gekeken, dus valt niet goed in te zien waarom ze daar dan zo’n hoog ding hebben neergezet. Maar bij de rondleiding daar kwam er een uiteenzetting, die ging over trots, vooruitgang en prestatie. Het is een van de meest bizarre steden die ik ooit heb gezien. Enorme shopping malls, waar het consumentisme hoogtij viert met niet bepaald de goedkoopste spullen. Zelfs hier en daar decadent, voor wat betreft spullen die je kunt kopen, maar ook voor wat betreft de schaatsbaan en skipiste.

Negentig procent van de inwoners is niet oorspronkelijk. Veelal Pakistanen en Indiërs, die tegen dubieuze arbeidsvoorwaarden werken in de onafzienbare bouwputten die er ook nog zijn. Maar ook expats die in eindeloze luxe woonkazernes en op het bizarre nieuwe palm-eiland wonen. Allemaal veel groter dan ik me had voorgesteld. Met de monorail kon je helemaal naar het einde van het palm-eiland, met onderweg lange straten met meer dan gemiddelde optrekjes. Je kan er best mooi wonen, maar het lijkt me dat je uiteindelijk toch de gezelligheid gaat missen. Dubai bestaat uit een relatief klein ouder deel rond ‘the Creek’, dat nog wel iets heeft van wat je sfeer zou kunnen noemen. Verder een oneindig veel groter nieuwer deel dat in de laatste twintig jaar uit de grond is gestampt. Onze hotel-locatie lag in het kleine en oude Dubai. Ideaal gelegen rond ‘the Creek’ en we staken meerdere keren in kleine bootjes het water over, bijvoorbeeld om ’s avonds te eten in de lokale eethuisjes in de oudste wijk Bastakia. Dubai is leuk om te bezoeken als je er – zoals wij – toch langskomt op doorreis. Maar na twee dagen is het wel genoeg. Dus een weekje vakantie, dat ook vaak wordt aangeboden is toch wel wat veel. De bestemming valt dus in de categorie: ‘leuk om gezien te hebben, maar een tweede keer hoeft niet’. De doorreis gaat zondag dan ook verder naar ‘down-under’. De foto’s van Dubai staan op:  

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157703059696822

Serengeti / Ngorongoro Krater

8 februari 2017

De Ngorongoro-krater was het laatste onderdeel van de safari. Een krater, kilometers breed en honderden meters dieper dan de rest van het land. Alleen te bereiken met een steile afdaling. Er moet dus hier een soort van mini biologisch evenwicht heersen, want ik kan me nauwelijks voorstellen dat de grotere dieren de krater verlaten of andere grotere dieren de krater binnenkomen. Aan de andere kant waren alle diersoorten die we in de afgelopen week hebben gezien, ook hier weer te zien. We zien plotseling, heel ver weg, twee rinocerossen. Het dier wordt met uitsterven bedreigd, ook al om dat hun hoorns erg gewild zijn bij stropers. Ik raak gefascineerd door dat mini biologische evenwicht hier. Zoals overal heb je ook hier herbi- en carnivoren. Maar alles eet hier alles op, en aan het eind van de voedselketen zijn er altijd nog de gieren die een dode zebra in ontbinding nog lekker vinden en de hyena’s die de laatste botten van een karkas nog oppeuzelen. Olifanten maken korte metten met hele boomtakken. Giraffen, met een tong als beton, draaien hun hand niet om voor een acacia met vlijmscherpe doornen.

Maar ik vond het er in het algemeen toch heel vredig toegaan, in schrille tegenstelling met het beeld dat je in de BBC-documentaires krijgt voorgeschoteld. Daaruit krijg je de indruk dat het vleesetende wild de hele dag bezig is om ander wild om zeep te helpen. Indrukwekkend vond ik vooral een groep nijlpaarden die allemaal bij elkaar in een ondiepe stinkende poel erg comfortabel lagen te zijn. Aan het eind van de safari nemen we de steile helling naar boven naar de laatste lodge van de reis. Om op donderdag 9 februari nog een paar uurtjes verder te reizen naar een restaurant vlak bij het vliegveld, waar een afscheidslunch klaar stond. Afscheid van David, die ons met een engelengeduld de hele week begeleid heeft. En zonder wiens scherpe oog we niet hadden kunnen zien wat we hebben gezien. Het was nog een middagje wachten, maar halverwege de avond konden we met de KLM terugvliegen naar Amsterdam. Einde van een reis die me nog lang zal heugen. Tanzania was alleen nog maar de proloog van onze grote wereldreis. Eerst nog weer een paar dagen in Amsterdam, maar op donderdag 16 februari vertrekken we écht en ook voor langere tijd. De laatste Ngorongoro foto’s staan op:

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157703132453852

Lake Ndutu – Serengeti

6 februari 2017

We benutten de zondagochtend om in de comfortabele lodge van Lake Ndutu even een kleine pauze te nemen. We zien hoe een Aziatische toerist tot de orde wordt geroepen omdat hij enkele tientallen meters te ver het land is ingelopen. Terwijl grote borden aangeven dat het beslist niet de bedoeling is verder te gaan dan juist die borden. Het wild schijnt het terrein van de lodge te respecteren, maar zodra je je buiten dat terrein begeeft geef je aan dat je een prooi bent. Maar later op de dag maken we toch nog een tour en zien we onder meer hoe gieren de ingewanden uit een dode zebra trekken. Vanaf Lake Ndutu gaat maandag de reis verder naar de Serengeti. De landschappen daar vond ik overweldigend. Je kon kilometers ver kijken over het voor Afrika zo karakteristieke savannelandschap, begroeid met prachtige acacia’s. Overdag reden we in een jeep met open dak de parken door. Gewapend met een 600 mm-zoom-lens, want alleen daarmee kan je veraf lopende of liggende dieren dichterbij halen. Niet bepaald comfortabele wegen en met een eigen auto zou dit nooit te doen zijn. Nu snap ik pas goed waarom dit voor Antoinette een kwelling zou zijn geweest. Al rijdende sta je ook voortdurend stil bij het biologisch evenwicht dat er heerst, hoewel ik me toch afvroeg of al die jeeps dat evenwicht niet in zekere zin zouden verstoren.

De dieren waren trouwens wel aan die jeeps gewend. Je kon op drie meter van een groep leeuwen gaan staan, maar de dieren keurden je nog geen blik waardig en gingen gewoon door met hun ding, meestal slapen in de schaduw. Je kan je moeilijk voorstellen hoe een leeuw dan aan zijn dagelijkse portie van vijf kilo vlees moet komen. Heel indrukwekkend vond ik ook de kolossale hoeveelheid grasetende gnoes, waarvan er ruim twee miljoen alleen al in de genoemde parken rondlopen. Die waren bezig met de great migration, op zoek naar regen en meer groen. In de parken zelf overnachtten we in lodges of tenten. Heel andere (en veel grotere en luxere) tenten trouwens dan op de Kilimanjaro. Maar bijna overal konden de dieren het terrein oplopen en het was dan ook beslist de bedoeling dat je ’s avonds in het donker alleen onder begeleiding van en naar je lodge cq. tent liep. En onder geen beding dus ’s nachts je tent uit, want de dieren hoorden we gewoon rond je tent scharrelen. Ik moest daar erg aan wennen. Ik durfde ’s nachts zelfs mijn bed niet uit om te plassen en al helemaal niet om de WC door te trekken. Bang dat ik de aandacht zou trekken van het gedierte op slechts een paar meter afstand, gescheiden door niet meer dan een tentdoek. De (meestal zoomlens-) foto’s staan op:

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157705018159921

Lake Eyasi / Ndutu

4 februari 2017

Er valt in Tanzania natuurlijk meer te zien dan alleen de Kilimanjaro en de wildparken. Zo kom je onderweg in aanraking met het gewone leven. Grote armoede nog, maar opvallend is hoe kleurrijk de mensen er toch bijlopen. Her en der zijn er nog tamelijk afgesloten van de buitenwereld levende stammen. Zo kregen we aan het Lake Eyasi de gelegenheid zo’n stam te bezoeken. Ik vroeg me overigens wel af of zo’n stam nou werkelijk zo geïsoleerd is en nauwelijks in aanraking met de buitenwereld zou komen. Want waarom zou je met de hand met wrijvingswarmte vuur opwekken als je enkele kilometers verderop gewoon aanstekers kunt kopen? Temeer daar zo’n stam meerdere keren daags wordt bezocht door toeristengroepen zoals wij. Wel was ik onder de indruk van hun leefwijze. Ik stel me dan maar voor dat dat de leefwijze uit de vorige eeuw zou zijn geweest. Met enig afgrijzen kregen we te zien hoe een duif met pijl en boog uit een boom werd geschoten en even later op het dus met de hand opgewekte vuurtje gaar werd gestookt en door hen werd opgepeuzeld. Ik heb overigens vriendelijk bedankt, toen mij ook een hapje werd aangeboden.

Bijna overal waren er de Masai. Ze leven inderdaad heel primitief in rieten hutjes, houden veelal wat vee en zijn buitengewoon kleurrijk gekleed. Ze zijn alleen al om die redenen fotogeniek, maar als je een camera voor de dag haalt, komen ook hier hun kinderen naar je toe rennen om wat geld. Heel ongemakkelijk vond ik ook een bezoekje aan een van hun dorpjes, die we als groep konden bezoeken voor 50 dollar. Er werden door hen wat ‘traditionele’ dansjes uitgevoerd en verder werden we flink onder druk gezet om armbandjes en andere spullen te kopen. Het geeft je toch te denken. Enerzijds sta je hier met een inkomen vele malen groter dan het hunne, anderzijds ervaar je die druk als onprettig. Ik vond dat allemaal dus erg ongemakkelijk. Toerisme is inderdaad een belangrijke inkomstenbron voor deze landen, zoals we ook op de Kilimanjaro hebben gezien. Tegelijkertijd vraag ik me af of je deze mensen structureel verder helpt met dit soort contacten. We rijden zaterdag flinke stukken, zien van alles van het leven hier en belanden zaterdagavond in een grote lodge vlakbij het Lake Ndutu. Het fotoverslag staat op: 

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157706464022565

Tarangire / Lake Manyara

2 februari 2017

Daags na de terugkeer van DE berg, met de spierpijn nog in de benen, begonnen we aan de safari. Hoofddoel was het Serengeti National Park, maar de aangrenzende parken waren minstens zo leuk. Onderweg van Moshi via Arusha naar het eerste wildpark konden we kennis maken met het gemiddelde Afrikaanse leven, want in de parken zelf is daar natuurlijk niet veel van te zien. Arusha is een wat rommelige stad. Er is veel opgebroken en ook vaak zijn er nog onverharde wegen, zelfs in de stad. Door de regen van de vorige dag rijden we dus af en toe door modderpoelen. Evenzo rommelige bedrijfjes zoals autosloperijen, en eigenlijk zijn veel mensen er alleen maar bezig om het hoofd boven water te houden. Buiten de stad zien we veel Masai, wonend in van die typische hutjes en vooral bezig met het houden van vee. Maar ook gespitst op toeristen. Je hoeft maar even te stoppen met de auto om een foto te nemen en kinderen rennen naar je toe en houden hun hand op. Het leverde wat genante taferelen op en we kwamen dan ook tot de conclusie dat het maar beter was om niet meer te stoppen voor foto’s in de buurt van Masai.

Maar je ziet ze ook rond de lodges waar ze zorgen dat de wilde dieren niet al te dicht in de buurt komen. Want lodges staan gewoon midden in de wildparken, waar de dieren ook hun domein hebben. Het eerste park is het Tarangire National Park. We moeten alleen afleren ons te concentreren op de big five en op zijn minst geduld betrachten. Onze gids David attendeert ons op dit typische ‘toeristen-beginnersfoutje’ en verzekert ons dat we in de komende week heus wel aan onze trekken zullen komen. Bovendien is er zo veel meer te zien dan de big five. Hij had het nog niet gezegd of een hele kudde olifanten stak vlak voor ons de weg over. Dat er meer te zien is bleek wel de volgende dag bij het Lake Manyara. De big five zijn daar niet, maar wel een prachtig gelegen ondiep zoutmeer met enorm veel flamingo’s die af en toe en masse opfladderden en een eindje verder weer neerstreken. We belandden donderdagavond in een lodge aan de oever van het Lake Eyasi. Erg gezellig, het comfort was er goed, maar overal kon wild rondlopen. Ik moest daar erg aan wennen en dus vond ik het loopje van onze slaapplaats naar het restaurant zonder begeleiding dan ook niet echt relaxed. De foto’s staan op:

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157689512187603

Kilimanjaro (3)

30 januari 2017

Het Barafu-camp was het laatste camp voor de slotklim. Vanaf daar gaan we heen en weer naar de top. De dragers hoeven dus niet mee en we doen de slotklim met z’n vijven: twee gidsen en wij drieën. Die slotklim was toch wel een ervaring apart. Zaterdagavond om 23:15 uur werden we gewekt en na een licht ontbijtje, nota bene rond middernacht, gingen we in het donker op pad. Gewapend met lampjes op de ijsmuts, vijf lagen dikke kleding en handwarmers in de handschoenen en sokken. De klim vanaf Barafu (4600 meter) naar het Stella Point (5800 meter) duurde zo’n zes uur, grotendeels in het donker. Er waren andere groepjes klimmers, die je – behalve kleine lichtpuntjes – niet kon zien maar wel kon horen. En heel diep beneden zag je de stad Moshi liggen, zoals je een stad bij nacht uit een vliegtuig ziet. Alleen op het laatst werd aan de oostelijke horizon een streep schemering zichtbaar, die gelukkig steeds groter en lichter werd. Op dat traject is ook het risico van hoogteziekte het grootst. Je kan de kans erop kleiner maken door ‘diamox’ te slikken, maar dat heeft weer de bijwerking dat je vaker moet plassen en dat is op die hoogte met die temperatuur en met al die kleding aan ook niet echt handig.

Het Stella Point is het einde van de toch wel steile klim. Steiler dan we de afgelopen dagen gewend waren. Daar waren we in de ochtendschemering en het was meteen ook een mooie plaats om na die klim even uit te rusten. Hoewel, het is veel te koud om te gaan zitten, en om ons heen waren er mensen met hoogteziekte die uitgebreid en vooral luidkeels stonden te braken. Uitrusten deden we dus daar maar even niet en zijn meteen doorgelopen naar de top. Dat laatste stuk is vals plat, ongeveer één kilometer en daar doe je toch nog ruim een uur over. Twee stappen doen, even uitrusten en dan wéér twee stappen, zo langzaam ging het. Maar op zondagmorgen 29 januari 2017, om 06:45 uur stonden we alle drie op de top van de Kilimanjaro, 5895 meter hoog, met een euforisch gevoel en niet vrij van emotie. Twintig graden onder nul en een ijzige wind, nauwelijks in staat om de fotocamera tevoorschijn te halen. Het uitzicht vanaf de top moet geweldig zijn geweest. Je kon er tot ver in Kenya kijken, maar ik kan me er nauwelijks iets van herinneren.

We zijn er dan ook niet lang gebleven. Het was er trouwens ook dringen want we waren duidelijk niet de enigen en iedereen moest daar op dat ene kleine platformpje voor het ultieme foto-momentje. Tijd om af te dalen dus, dat trouwens minstens zo moeilijk was als klimmen, vooral als je weer over rotsen moest klauteren. Maar af en toe kon je ook over het mulle zand een flink stuk naar beneden glijden en binnen twee uur waren we weer terug in het Barafu-camp, waar het ontbijt klaar stond. Even uitrusten en dan verder naar beneden. Die dag in amper negen uur afgedaald van bijna 6000 naar 3000 meter in het Mweka-camp. Onderweg vaak gevallen, niet alleen door de oververmoeidheid, maar ook door de gladde stenen, die door lichte regen en modder spekglad waren geworden. Bij aankomst in de lodge zat ik er dus flink doorheen. Wel was daar een soort van feestje: er waren toespraakjes en de dragers werden bedankt met envelopjes. De allerlaatste dag, maandag was evenwel een eitje. Alleen een korte ochtendwandeling bracht ons terug naar tropische temperaturen. Daar stonden weer auto’s en nadat alle bagage was ingepakt, afscheid was genomen van de begeleiders ging het terug naar de lodge.

Daar was een douche, voor het eerst in zeven dagen en het bier (merk Kilimanjaro) was heerlijk. Al met al was het een prachtige ervaring. Heel leuk om zeven dagen met zestien altijd vrolijke mensen om te gaan. Maar het is wel een ervaring ‘once in a lifetime’. Ik ga het dus écht niet nog een keer doen. Het was ook een enorme inspanning, nog niet eens zozeer fysiek, maar ook (en vooral) mentaal. We zijn vrij goed weggekomen met de hoogteziekte, hoewel elke voetstap op grote hoogte een bovenmatige inspanning vergt. Geleidelijke acclimatisatie is toch wel belangrijk, en al met al duurde de beklimming zes dagen. Hoewel het fysiek dus wel is gelukt, moest ik inderdaad toch wel wennen aan het gebrek aan comfort. Kamperen bij temperaturen onder nul vond ik eigenlijk wel grensverleggend. De komende week wordt er niet gewandeld. Alleen maar in auto’s gezeten op safari in de Serengeti en aanpalende parken. Heel iets anders dus. Maar bij aankomst in de lodge wachtte ons een andere, minder leuke, verrassing. Antoinette, de moeder van Marcel, was ongelukkig gevallen, had daarbij een rib gebroken en het zou voor haar onmogelijk zijn om aan de safari deel te nemen. Het betekent dat zij samen met Raymond aanstaande woensdag naar Nederland wordt gerepatrieerd. Inderdaad heel erg teleurstellend, temeer daar de safari voor hen het hoofddoel van de reis zou zijn. De laatste klimfoto’s staan op:

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157676327464227

Kilimanjaro (2)

28 januari 2017

Het kamperen is echt even wennen. De eerste nacht op 3000 meter hoogte ging nog net, maar de volgende nachten waren op respectievelijk 3800 tot 4600 meter hoog. Verwarming was er natuurlijk niet en ook eten met dikke jassen aan is niet echt mijn hobby. Meestal kwamen we ergens aan in de middag en eigenlijk was je dan alleen maar bezig om niet al te veel lichaamswarmte te verliezen, want als je teveel afkoelde was het bijna niet meer mogelijk om dan nog op te warmen. Slapen ging trouwens best aardig in die heerlijk warme slaapzak, behalve als je wakker werd en moest plassen. Dat stelde je dan zo lang mogelijk uit totdat verder uitstel echt niet meer kon en je dan toch maar in je onderbroek de tocht door de kou en in het donker ondernam naar de plastent.

Wij met z’n drieën hadden zestien man personeel. Twee gidsen, twee koks en twaalf dragers. Vooral die dragers hebben me nog het meest verbaasd. Ze sjouwden van alles mee over dezelfde route die wij liepen. Tenten, inklaptafels en -stoelen, keukengerei, gasflessen, eten voor zeven dagen voor 19 man en zelfs een toilet. Elke ochtend na vertrek braken ze de boel op, haalden ons onderweg in met alles op hun hoofd en bij aankomst aan het eind van de middag in het volgende kamp hadden ze alles weer opgezet en stond er zelfs al een warme maaltijd klaar. Het enige wat wij moesten doen is aan tafel aanschuiven en later op bed gaan liggen. Fascinerend was de geleidelijke verandering van het landschap. In het begin door een bos, nog alleen met je T-shirt. Maar gaandeweg verandert het landschap, de temperatuur en dus ook de kleding. De bomen en begroeiing worden steeds lager en uiteindelijk is er alleen nog maar rots en steen.

Echt moeilijk is de beklimming tot nu toe overigens niet geweest. Het beeld van de Kilimanjaro is dat je die zonder alpinistisch gereedschap kunt beklimmen. Dat betekent niet dat je er zomaar opwandelt. Vaak klauteren over rotsen, en er waren momenten dat je misstappen kon maken met wel heel akelige gevolgen. Het lastigst was nog wel de Baranco-wall, ook wel de Breakfast-wall genoemd, omdat die vlak na het ontbijt moet worden beklommen. Zaterdagmiddag zijn we aangekomen in het Barafu-camp op 4600 meter hoogte. Morgen de top. Hopen we….! Foto’s van de afgelopen vier dagen staan op: 

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157706518424075

Kilimanjaro (1)

25 januari 2017

Zondagavond laat, na negen uur vliegen, in Tanzania aangekomen. Weliswaar om 20:30 uur al geland, maar ruim twee uur later konden we de luchthaven pas verlaten. Slechts één loket voor 250 passagiers, die allemaal een visum moesten hebben. Er was nog wel een ander loket, maar daar hadden ze het te druk met het kijken naar een voetbalwedstrijd. Vanaf de luchthaven was het nog een uurtje rijden naar Moshi. Meteen in een andere wereld. Aardedonker en veel tegenliggers met groot licht. Onderweg aangehouden door de politie, die wellicht op zoek was naar wat zakgeld, maar onze chauffeur wist het adequaat af te handelen. We zitten in een prachtige lodge met mooie bungalowtjes en genieten na die lange Nederlandse winter van de heerlijk warme avond op de veranda met een lekker koud Afrikaans biertje.

Maar al de eerste avond voltrok zich een kleine ramp, althans in mijn ogen. Ik had een laptop meegenomen voor het opslaan en bewerken van de foto’s. Maar het ding wil niet meer opstarten en ik heb geen idee hoe ik dat nou weer moet aanpakken. Het was nog een heel gedoe om er een mail vanaf mijn iPad uit te krijgen. Het betekent dus dat ik geen foto’s met de mails kan meesturen en ook niet kan bewerken. Het kostte wel wat moeite om dit te accepteren en om de reis er niet door te laten beïnvloeden. Eerst maar eens even kijken of ik het in februari in een paar dagen thuis kan laten fixen. Maandagochtend was er een briefing over de beklimming van de Kilimanjaro, die ze hier de ‘Kili’ noemen. Gerrit, Marcel en ik gingen dat doen en in detail werd besproken wat we wel en niet moesten meenemen. En ook wat we wel, maar ook vooral niét moesten doen.

We werden er een tikkeltje nerveus van, want het blijkt nu toch wel een hele onderneming. Maar die briefing hielp natuurlijk wel om het laptop-akkefietje een beetje achter me te laten. Het was nog een heel gedoe om de rugzakken en bagage voor de dragers een beetje efficiënt in te pakken. Maar in de middag bleef er nog wel wat tijd over om in Moshi te gaan kijken. Op de kaart ziet het eruit als een klein provincieplaatsje, maar het blijkt dat dat plaatsje even groot is als Amsterdam. Daar treffen we vooral mensen die het een stuk slechter getroffen hebben dan wij. Natuurlijk, het is kleurrijk en vooral fotogeniek, maar het was ook wel gênant om daar met een camera rond te lopen, vooral als je ook veel mensen iets moet weigeren. Want het is nou eenmaal onmogelijk om van iederéén wat te kopen. Vooral die tegenstelling blijkt na zo’n dag toch wel hangen. Dat relativeert het laptop-akkefietje nog wel wat verder.

En dinsdagochtend begon het dan echt en moesten we al vroeg weg. Want er staat voor die dag 11 kilometer op het programma met een klim van 1800 naar 3100 meter. Contact met de buitenwereld zal er in de komende week niet meer zijn, want wifi is op de Kili nog niet aangelegd. Zelfs gaan we het de hele week zonder elektra doen, dus we zijn beladen met batterijen en powerbanks voor de verschillende camera’s. De eerste dag lopen we vooral door een bos. De hele weg vals plat omhoog, maar later toch wat steiler tot ruim 3000 meter. Die avond is er dan meteen de confrontatie met het gebrek aan comfort. Weliswaar hebben we er het over gehad bij de briefing, maar nu blijkt echt wat dat betekent. Douchen en scheren gaat de hele week niet mogelijk zijn en de maatstaven van hygiëne moesten al de eerste dag worden bijgesteld. Dat was toch ook wel even slikken voor ons verwende stadsmensen. We sliepen ook in tentjes, en ik heb voor het laatst gekampeerd dertig jaar geleden en dan alleen nog maar bij 25 graden of meer. Deze week bij nul graden of minder. Foto’s van Moshi en het eerste klimstuk op:

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157703221419872

Bijlmer / ArenA

16 januari 2017

Als voorbereiding op de grote reis, die nu onderhand wel heel dichtbij komt, gingen we nog maar eens naar de grote winkelboulevard bij het station Bijlmer-ArenA. Niet echt mijn hobby, maar de ontberingen waarmee we bij de beklimming van de Kilimanjaro vermoedelijk te maken krijgen, vragen nu eenmaal om een adequate uitrusting. Je kan van de nood natuurlijk ook een deugd maken, als je tenminste oog hebt voor de architectuur die daar is verrezen. Dan zie je dat men tegenwoordig heel wat creatiever bouwt dan in – pakweg – de 80’er jaren met zijn afgrijselijke revolutiebouw. De winkelboulevard die daar rond de Arena is verrezen heeft weliswaar niet de gezelligheid van het centrum, maar is qua kleur en spiegelingen toch wel de moeite van een klein foto-serietje waard. Kijk maar op:

https://www.flickr.com/photos/140378231@N02/albums/72157705162508411