Nog meer vulkanisme ! En hoe! We hebben in Nieuw-Zeeland al veel prachtige dingen gezien, en het gemeenschappelijke daarvan was dat die allemaal binnen de bandbreedte van mijn eigen verbeelding vielen. Maar de dingen die we op White Island zagen vielen duidelijk daarbuiten, voor mij tenminste wel. Ik had me niet kunnen voorstellen hoe het zou zijn om op de bodem van een krater van een actieve vulkaan te lopen. Maar nadat we een verklaring hadden getekend dat we echt op eigen risico liepen konden we – gewapend met helmen en gasmaskers – het eiland op. Echt een ‘andere planeet’ beleving. Niet alleen ik, maar ook de camera kwam ogen tekort. Woensdag was nog zo’n vulkaan-dag. In Rotorua, om precies te zijn. Het hele gebied daar is zg. thermisch actief en ligt vol met ingezakte kraters, kokende modderpoelen, vulkanische gassen en stoomwolken. De hete magna, hier vlak onder de aardkorst zorgt voor opwarming van het grondwater en daarbij komen ook nog allerlei mineralen vrij, die in de afgelopen duizenden jaren hebben gezorgd voor een bizarre aanblik van het landschap. Heel bijzondere en spectaculaire twee dagen, vond ik, evenals de camera:
Na een dagje eens niet rijden en uitrusten in Wellington, zijn we met Chris in zijn auto verder naar het noorden gereden. Meteen is opvallend hoe anders het Noordereiland is: dichter bevolkt, minder echt hoge bergen en uitgesproken vulkanisch. Er wonen hier veel (ex-)Nederlanders, waarvan een groot deel in de 50’er jaren is geëmigreerd naar Nieuw-Zeeland. Dat verklaart dan ook de onvervalst Nederlandse molen die hier ineens langs de weg staat. We belanden in het Tongariro National Park. Daar liggen drie nog actieve vulkanen en we zien (en ruiken) de rook uit de hellingen opstijgen. De streek blijkt het decor geweest te zijn van de film ‘Lord of the Rings’. Mede door die film is Nieuw-Zeeland echt op de kaart komen te staan. Zondag hebben we daar een tamelijk heftige trekking van bijna 21 kilometer langs de vulkanen gemaakt. Daar ligt ook de ‘Ruapehu’, de vulkaan die in de film beroemd is geworden onder de naam ‘Mount Doom’.
Marcel vond het nodig om nog eens in zo’n drie extra uurtjes naar de top van die berg te klimmen. Chris en ik hebben die uren op hem gewacht en ik begon aan het eind toch wel wat bezorgd te zijn waar hij zo lang bleef. Uiteindelijk zagen we hem als langzaam groter wordend stipje over de lagergelegen vlakte lopen. Maar alleen al onze 21 kilometer leverden een indrukwekkende tocht op bij prachtig weer langs lava, exotisch gekleurde rotsen, rook uit de grond, zwavelgeuren en diepgroene meren. Maandag was nog zo’n vulkaandag. Vanaf Tongariro zijn we naar Taupo doorgereden aan het gelijknamige meer. Dat meer is zo’n 35 kilometer in doorsnee en is eigenlijk een ooit met water volgelopen krater. Dan begint langzaam het idee door te dringen met welk een natuurgeweld zo’n tienduizend jaar geleden er een uitbarsting is geweest, hoe die krater is ontstaan en waar al die massa is gebleven. Taupo is prachtig gelegen, maar stelt zelf weinig voor en is eigenlijk niet meer dan een soort kuuroord, met een verzameling tamelijk deftige pensionado-hotels. Die dag dus verder doorgereden naar Whakatane aan de noordkust, de uitvalsbasis voor het uitstapje op dinsdag naar White Island, zo’n 50 kilometer uit de kust. De fotoserie van deze twee intensieve dagen staat op:
Woensdag doen we dan de allerlaatste etappe op het Zuidereiland om donderdag per boot de oversteek te maken terug naar Wellington op het Noordereiland. De route loopt deels over een stuk dat we op de heenreis meer dan twee weken geleden ook hebben afgelegd. Zo konden we opnieuw de Pancake Rocks bekijken en we stoppen natuurlijk nog eens in Westport, waar we eerder overnacht hebben en in een café koffie hebben gedronken met het allerlekkerste gebak dat ik ooit heb gehad. Alle reden voor nog eens een stop in dat café. Het laatste noordelijkste stuk over het Zuidereiland loopt door Marlboro, het grootste wijngebied van Nieuw-Zeeland. In de haven van Picton leveren we de auto in die ons drie weken zonder ons in de steek te laten over het Zuidereiland heeft gevoerd.
De volgende dag moesten we, voordat de boot vertrok, nog de hele ochtend wachten en hoe kan je dat beter vullen door live (BBC World) de Tweede Kamer-verkiezingsavond in Nederland te volgen. Met 12 uur tijdsverschil konden we het dus rechtstreeks volgen. Er was enige opluchting dat de populisten niet al te veel hadden gewonnen, maar het was ook de verwachting dat een kabinetsformatie erg ingewikkeld gaat worden. Op de boot waren we dus wat betreft het nieuws helemaal bij. Chris stond ons in de haven van Wellington op te wachten en we hebben daar twee nachten gelogeerd om even ‘uit te rusten’. Ik heb de gelegenheid te baat genomen om twee uurtjes naar het strand te gaan. Daar was in al die drie weken op het Zuidereiland niks van terecht gekomen. Maar het water was – evenals de vorige keer – veel te koud. Aan alles is te merken dat de herfst nadert. Maart hier is vergelijkbaar met september bij ons. Verder de dag benut om orde in de bagage te brengen, wasjes te doen en de boel weer bij elkaar te pakken om in de komende twee weken het Noordereiland te verkennen. De laatste foto’s van het Zuidereiland staan op:
Christchurch, de stad die in 2011 door een aardbeving is getroffen. Ik kan me de beelden van toen nog herinneren van de kerktoren die instortte, en dan blijft hangen dat dat zo’n beetje de hele schade was. Maar het blijkt nu dat het halve centrum van de stad onherstelbaar is beschadigd. We maken in een bus een zg. ‘rebuild-tour’, waarin we krijgen uiteengezet op welke wijze de stad zich herstelt van de beving. Opvallend is de dynamiek en de voortvarendheid waarmee alles wordt aangepakt. De hele stad is één grote bouwput. Alles moet aardbeving-proof worden. In de funderingen wordt een soort gelei aangebracht, waardoor het als het ware elastisch wordt, zodat het gebouw eigenlijk een beetje drijft. Ook worden in de constructies niet alleen verticale en horizontale balken aangebracht, maar ook diagonale balken, die voor extra stevigheid moeten zorgen. Ik heb niet voor ingenieur doorgeleerd, maar hoop dat ik het hier toch een beetje goed heb opgeschreven.
Veel is er toch ook bewaard gebleven, en waar mogelijk worden de gevels behouden. De stad blijft dan ook een oer-Engelse uitstraling behouden. Maar ook zijn er grote braakliggende stukken ontstaan. Blinde muren worden, zoals we elders ook zagen, voorzien van allerlei ornamenten. Hier en daar verschijnen glanzende kantoorkolossen, maar op nog andere plaatsen staan er nog de ruïnes van ingestorte panden. Ook verschijnen er nieuwe hippe zaakjes. In dat verband is de ‘restart-mall’, in het container-winkelcentrum indrukwekkend. Meteen na de beving werden er in containers tijdelijke voorzieningen gemaakt voor winkels. Maar die hebben inmiddels zo’n iconische waarde gekregen, dat het de vraag is of ze ooit zullen verdwijnen. Verder heeft het hier drie dagen lang onafgebroken geregend. Inderdaad blijkt het Zuidereiland onzeker voor wat betreft het weer. De eerste twee weken zijn we er heel goed mee weggekomen, maar in Christchurch leek de regen niet meer op te houden.
Totdat we de stad verlieten. Toen klaarde het op, de zon kwam terug en de route over de Arthurs-pas dwars over het eiland naar de westkust was gelukkig weer prachtig en bovendien spectaculair om te rijden. We zijn dinsdagavond in Greymouth aan de westkust aangekomen. We zitten in een eenvoudig motel, zonder mogelijkheid om daar te eten. We vinden een paar kilometer verderop iets te eten en daar zien we weer wat we in Nieuw-Zeeland al vaker zagen: het restaurant wordt gerund door Europese, meestal Engelse of Duitse jongeren. Ze staan in de keuken of lopen in de bediening, hebben in Europa hun studie afgemaakt en komen dan voor een jaar hier en geven dus geen vervolg aan wat ze in hun studie hebben geleerd. Ondanks de regen toch een foto-serie gemaakt in Christchurch:
Via de kustweg in ‘the Catlins’ heel langzaam naar het oosten gekacheld. Onderweg passeren we nog even het meest zuidelijke puntje van Nieuw-Zeeland, waarbij je over de zuidelijke oceaan richting Antarctica kunt kijken. Maar dat ligt nog steeds 4800 kilometer ver weg. De kustweg is prachtig met mooie zonnige vergezichten over de oceaan, maar we reden wel voortdurend over gravel-wegen, en dat vond ik minder geslaagd. Het wegenstelsel is hier überhaupt heel bescheiden. Vierbaanswegen heb ik nog niet gezien en over veel bruggen (vooraf aangekondigd als ‘one-lane-bridges’) kan je niet met tegenliggers heen. Weliswaar goed genoeg voor het kleine aantal inwoners hier, maar het toerisme groeit snel (met name uit China) en men schijnt zich zorgen te maken of het wegenstelsel en ook de hotelcapaciteit daarop wel is voorbereid. De streek lijkt niet alleen op Schotland, de streek ís zelfs Schotland.
We zijn donderdag aangekomen in Dunedin aan de zuidoostkust. Schotse immigranten zijn een kleine 200 jaar geleden met name hier neergestreken. De streek en het ruige klimaat maakte dat ze zich meteen thuis voelden en van de stad een regelrechte kopie van een middelgrote Engelse stad hebben gemaakt. Met name het treinstation is een mooi voorbeeld van de architectuur die je in Engeland tegenkomt. We krijgen een rondleiding door de historische villa Olveston, en krijgen een idee hoe de Engelse aristocratie zich door het leven moest ploeteren. Dunedin is een van de mooiere steden in Nieuw-Zeeland. Opvallend is de kwaliteit van de openbare ruimte en veelal zijn blinde muren beschilderd met allerlei motieven. Je kan over de smaak ervan twisten, maar het staat in elk geval beter dan de kliederige graffiti die je bij ons helaas te vaak aantreft.
Zaterdag doorgereden via de oostkust en komen bij de Moeraki Boulders. Grote stukken rots, maar door geleidelijke erosie van water en zand zijn het prachtige bollen geworden, die her en der op het strand liggen. Dan linksaf het binnenland in naar de voet van Mount Cook. Daar hadden we gehoopt die beroemde berg te zien en er eventueel een wandeling te maken. Maar het weer is omgeslagen, het regent en de berg is niet te zien, dus van die wandeling is dan ook niks terecht gekomen. Wel hier een mooie expositie gezien rondom de beroemde Nieuw-Zeelander Edmund Hillary, die Mount Cook uit zijn hoofd kent en bovendien in 1953 samen met de sherpa Tensing de eerste was die de Mount Everest heeft beklommen. Voor de foto’s zie:
Er zijn plekken, waar een fotocamera niet kan vastleggen wat het menselijk oog in staat is te zien. De Milford Sound is een van die plekken aan de fjordenkust in het zuidwesten. Daar hebben we een boottocht gemaakt met aan weerskanten bergen tot meer dan 1500 meter hoog. Het bijzondere daarvan is dat het er vrijwel altijd regent, en het is met meer dan 9 meter regen per jaar een van de natste plekken op aarde. Het spectaculaire is dat het water dan in enorme watervallen uit de bergen komt gutsen. Maar wij hadden pech, zo werd ons verzekerd, omdat het toevallig niet regende. Sterker nog, de lucht was strakblauw. De watervallen waren er wel, zij het minder heftig, maar de strakblauwe lucht maakte het wel fotogenieker. De weg naar Milford was trouwens minstens zo mooi. Ook daar rijden we in diepe kloven met 1500 meter verticale bergwanden om ons heen. En niet alleen de camera, maar ook de Nederlandse taal schiet dan te kort om vast te leggen welke indrukken daar zijn opgedaan.
Woensdag verder naar het zuiden. We rijden langs de ‘Southern Scenic Route’, die onder meer langs de zuidkust voert. Het gebied wordt qua landschap en klimaat wel eens vergeleken met Schotland: ruig landschap, fris, veel wind en regen. Maar ook vandaag geen regen en weer een strakblauwe lucht. Prachtige stranden aan de zuidkust, maar wel het gevoel aan het einde van de wereld te zijn beland. Als je over de zee kijkt is de volgende halte Antarctica. We komen in Invercargill, de meest zuidelijke stad van Nieuw-Zeeland. Een troosteloze stad, zo schrijven de boekjes, maar bij dit mooie weer ziet het er toch niet onaardig uit. Het uitzicht vanaf het nog iets meer zuidelijk gelegen Bluff hadden we in elk geval niet willen missen. Voor de foto’s zie:
“Nieuw-Zeeland….? Je kan eigenlijk net zo goed naar Zwitserland of Oostenrijk gaan…!”. Dat hadden we verschillende keren gehoord voordat we hierheen afreisden. Ik had eigenlijk nooit een goed weerwoord, maar sinds deze week wel. Het hooggebergte is inderdaad een overeenkomst, maar Nieuw-Zeeland is veel dunner bevolkt en ook meer ongerept. In de Alpen zie je nog overal huizen, maar hier kun je nog leeg hoog berglandschap zien. Het land is qua omvang en (met enige fantasie) ook qua vorm ongeveer gelijk aan Italië, alleen wonen er in Italië ruim tien keer zoveel mensen. En het merendeel woont nog in het relatief kleine Noordereiland. Het Zuidereiland is dus nog dunbevolkter. De lucht is er bovendien fris, het water is overal helder en schoon en de mensen zijn erg milieubewust.
We zijn na een overnachting in Wanaka aangeland in Queenstown, in het zuidelijk deel van het Zuidereiland. Zeer toeristisch en het centrum van de zg. ‘adventures’. Je kan hier van alles: bungy-jumpen, paragliden, skydiven, raften en meer van dat soort heftige dingen. Wij hebben ons onthouden van dat alles, temeer daar we afgelopen donderdag onze bijdrage aan die heftigheid wel hebben geleverd, dachten we zo, met die sprong uit dat vliegtuig, waarvan ik achteraf ook niet meer snap dat ik dat ooit heb gedurfd. Je hebt hier ook prachtige uitgezette bergwandelingen, en daar hebben we ons – naast wat rondrijden en met de kabelbaan naar boven – met name mee bezig gehouden. Zondag een mooie trekking in het naburige Arrowtown gemaakt, vroeger bekend van de gold-rush, tegenwoordig het Giethoorn van Nieuw-Zeeland. Busladingen vol Chinezen, die hoofdzakelijk achter een vlaggetje aanlopen. Maar het was prachtig weer, ook voor de foto’s:
We zitten hier in een dorpje bij Fox Glacier. Hier komt de laagstgelegen gletsjer ter wereld naar beneden en op slechts 300 meter boven zeeniveau kun je de ijsmassa’s bijna aanraken. Wel zijn overal foto’s te zien van de omvang van de gletsjer in 2008 en 2016 en in die korte tijd is hij toch wel erg veel kleiner geworden. We bekijken verder wat we in dit bescheiden oord zouden kunnen doen. Het is erg modieus om een soort ‘bucket-list’ te hebben, een lijst met dingen die je ooit nog wil doen. Ik heb ook wel zo’n lijstje, hoewel dat de laatste jaren wel kleiner begint te worden. Maar een parachutesprong stond daar nog niet op. Totdat we op woensdagmiddag ineens op het parkeerterrein stonden van de lokale sky-dive club in Fox Glacier. Na lange aarzeling en diep nadenken is de sprong heel voorzichtig op die lijst gekomen. Lang heeft hij daar niet op gestaan, want donderdag heeft die sprong inderdaad plaatsgevonden. Hoewel het tot op het laatste moment onzeker was, omdat er niet te veel bewolking mag zijn. Een enorm spannende ervaring was het. Eerst met een klein vliegtuigje naar 5000 meter hoogte. Op die hoogte kun je de besneeuwde toppen van het land goed zien. Maar echt ontspannen ervan genieten was er niet bij, omdat de sprong nu wel heel dichtbij kwam en het landschap onder ons steeds dieper wegzakte. We hoefden gelukkig niet zelf te springen, want we zaten vast gegord aan een begeleider. Anders had ik het vermoedelijk nooit gedurfd en was ik gewoon blijven zitten.
Maar nu werden we er gewoon uitgeduwd. Eerst Marcel, die ik al snel als een klein stipje in de diepte zag verdwijnen. Toen werd ik er zelf uitgeduwd. Eerst een vrije val van ongeveer 4000 meter. Daarbij is het de bedoeling dat je van het prachtige uitzicht geniet, maar ik heb me in die ene minuut hoofdzakelijk beziggehouden met de gedachte of die parachute wel zou opengaan. En met de pijn in je oren door de snelle daling. Na 80 seconden vrije val gaat de parachute open en heb je het gevoel dat je ineens stil hangt. Diep onder me zag ik ineens weer Marcel aan een parachute hangen. Een paar minuten later een tamelijk vlekkeloze landing, hoewel ik nog een tiental meters over het gras werd meegesleurd. Ik heb nog even roerloos in het gras gelegen om bij te komen van de emotie, toen uiteindelijk iemand me kwam oprapen. De rest van de dag werd besteed aan een wandeling richting een van de gletsjers. Mijn hoofd stond er niet echt naar, want ik was vooral nog bezig met de ervaring van die ochtend. Vrijdag dan verder naar het zuiden en dat was een echte regendag. Eigenlijk de eerste die we hier meemaken. Maar in de middag klaart het op en we rijden langs prachtige bergmeren om tegen de avond in Wanaka te belanden. Er zijn ook nog foto’s, zelfs van de sprong. De camera mocht natuurlijk niet mee tijdens de sprong, maar de begeleider was zo handig om enkele foto’s te maken. Kijk voor dit alles maar op:
Met enige weemoed hebben we Collingwood verlaten. Het was een heel relaxed oord met relaxte mensen. Aan de oceaan gelegen, mooie stranden, heerlijk gegeten en ontbeten in inmiddels onze vaste tent met lekkere behangmuziek uit de 60’er en 70’er jaren, zoals daar zijn de Beach Boys en Dire Straits. Hier zou je me zo een week of twee kunnen opbergen, maar dan wel met iets betere accommodatie. Maar op die manier zie je niks van de rest van het land, dus moesten we door naar Westport. Ook heerlijk gelegen aan de oceaan, aan de westkust, maar een heel ander soort stadje. Amerikaans van opzet met rechthoekig stratenpatroon en veel te veel ruimte tussen de huizen, zodat elke intimiteit weg is. Wel een stuk betere accommodatie. Een motel, ook een Amerikaanse uitvinding, maar ideaal voor de auto-vakantieganger, omdat je de auto op een meter van je voordeur parkeert. Westport heeft zo mogelijk nog mooiere stranden dan Collingwood. Daar zijn we dan ook twee nachten gebleven en in de ochtend een van de ‘walk-ways’ gedaan, over een verlaten spoorlijn van een verlaten mijnbouwgebied. Interessant door het industrieel erfgoed dat daar is te zien: wegroestende werktuigen, die daar plompverloren zijn achtergelaten, maar na een uurtje wandelen door een bos hadden we het wel een beetje gezien en zijn we omgekeerd.
Veel interessanter was de middagwandeling langs Cape Foulwind, met prachtig uitzicht over de kust. Aan het eind daarvan een uur lang genoten van de beukende golven die te pletter staan op de rotsen en ons verbaasd hoe een kolonie zeehonden in dat watergeweld kunnen overleven. En passant nog even de zon in de zee zien zakken. Dinsdag opnieuw een dag met prachtig weer. Daar kwam bij dat we langs een van de mooiste kustwegen (zeiden ze) van de wereld reden. Met het prachtige weer erbij was dat inderdaad een prachtige ervaring. Onderweg gestopt bij de ‘Pancake Rocks’ en de bijgeleverde foto’s maken duidelijk waarom die zo heten. Het bijzondere daarvan is dat de golven niet alleen met donderend geweld op die rotsen beuken, maar ook dat er allerlei grotten en gangen in die rotsen zitten, waardoor dit een bijzonder (en ook tamelijk heftig) natuurspektakel is. Uiteindelijk aangeland in Hokitika, met een bed-and-breakfast een beetje buiten het dorp, maar wel erg ruim en ook een hartelijke ontvangst. Foto’s op:
Vrijdag hebben we de oversteek gemaakt vanuit Wellington naar het Zuidereiland, toch nog zo’n drie uur varen. Het kan in die Straat van Cook flink waaien, maar de oversteek was rustig onder een strakblauwe lucht. Heel aangenaam om dan op het bovendek te vertoeven. We hebben aan de overkant de huurauto opgehaald en zijn uiteindelijk via de noordkust na bijna 300 kilometer in Collingwood terecht gekomen, aan de uiterste noordpunt van het Zuidereiland. De accommodatie daar was verrassend. We dachten een kamer in een motel te hebben geboekt, maar kwamen terecht in een houten hok van de aanpalende camping met allerlei motorhomes om ons heen. Geen plaats voor de bagage, dus die bleef in de auto. Gewoon douchen en naar de WC gaan in de gemeenschappelijke ruimtes, ook als je er onverhoopt ’s nachts uit moet. Inderdaad even een verrassing, maar de locatie vergoedt veel. Collingwood, maar vooral het nabijgelegen Takaka, is een soort hippie-hangout. Ik dacht dat het verschijnsel niet meer bestond, maar het bleek springlevend. Helemaal terug naar 1970 of daaromtrent. De bedoeling is daar dat je je omgordt met een sarong of ander soort doek en je je op blote voeten of desnoods op teenslippers over straat begeeft. In elk geval beslist geen schoenen. Vanzelfsprekend is de haardracht daarmee in overeenstemming.
Zaterdagmiddag zouden we verder gaan naar Farewell Spit, een landtong op de uiterste noordpunt en daar een uitgezette trekking maken. Het begon met een onschuldig zaterdagmiddag-wandelingetje aan de zuidzijde van de landtong, maar eindigde in een toch wel wat angstige ervaring. Na de oversteek door de duinen kwamen we aan de noordkant op het strand in een zandstorm terecht. Door het slechte zicht konden we de goede doorsteek door de duinen niet meer vinden en zijn uiteindelijk op het strand en in de duinen verdwaald. We waren helemaal alleen, maar troffen uiteindelijk twee Zwitsers, die ook op zoek waren naar de uitgang. Na ruim een uur dwalen door de struiken in de duinen kwamen we uiteindelijk op het goede pad terecht en konden we met het eindpunt in zicht de wandeling rustig en vooral opgelucht afmaken. Ondertussen tijd genoeg voor een babbeltje met die Zwitsers. Wij dachten dat we hele pieten waren met onze wereldreis van vier maanden, maar die twee waren twee jaar onderweg en hadden er nu negen maanden opzitten. De foto’s van de oversteek en het duinenavontuur staan op: