We benutten de zondagochtend om in de comfortabele lodge van Lake Ndutu even een kleine pauze te nemen. We zien hoe een Aziatische toerist tot de orde wordt geroepen omdat hij enkele tientallen meters te ver het land is ingelopen. Terwijl grote borden aangeven dat het beslist niet de bedoeling is verder te gaan dan juist die borden. Het wild schijnt het terrein van de lodge te respecteren, maar zodra je je buiten dat terrein begeeft geef je aan dat je een prooi bent. Maar later op de dag maken we toch nog een tour en zien we onder meer hoe gieren de ingewanden uit een dode zebra trekken. Vanaf Lake Ndutu gaat maandag de reis verder naar de Serengeti. De landschappen daar vond ik overweldigend. Je kon kilometers ver kijken over het voor Afrika zo karakteristieke savannelandschap, begroeid met prachtige acacia’s. Overdag reden we in een jeep met open dak de parken door. Gewapend met een 600 mm-zoom-lens, want alleen daarmee kan je veraf lopende of liggende dieren dichterbij halen. Niet bepaald comfortabele wegen en met een eigen auto zou dit nooit te doen zijn. Nu snap ik pas goed waarom dit voor Antoinette een kwelling zou zijn geweest. Al rijdende sta je ook voortdurend stil bij het biologisch evenwicht dat er heerst, hoewel ik me toch afvroeg of al die jeeps dat evenwicht niet in zekere zin zouden verstoren.
De dieren waren trouwens wel aan die jeeps gewend. Je kon op drie meter van een groep leeuwen gaan staan, maar de dieren keurden je nog geen blik waardig en gingen gewoon door met hun ding, meestal slapen in de schaduw. Je kan je moeilijk voorstellen hoe een leeuw dan aan zijn dagelijkse portie van vijf kilo vlees moet komen. Heel indrukwekkend vond ik ook de kolossale hoeveelheid grasetende gnoes, waarvan er ruim twee miljoen alleen al in de genoemde parken rondlopen. Die waren bezig met de great migration, op zoek naar regen en meer groen. In de parken zelf overnachtten we in lodges of tenten. Heel andere (en veel grotere en luxere) tenten trouwens dan op de Kilimanjaro. Maar bijna overal konden de dieren het terrein oplopen en het was dan ook beslist de bedoeling dat je ’s avonds in het donker alleen onder begeleiding van en naar je lodge cq. tent liep. En onder geen beding dus ’s nachts je tent uit, want de dieren hoorden we gewoon rond je tent scharrelen. Ik moest daar erg aan wennen. Ik durfde ’s nachts zelfs mijn bed niet uit om te plassen en al helemaal niet om de WC door te trekken. Bang dat ik de aandacht zou trekken van het gedierte op slechts een paar meter afstand, gescheiden door niet meer dan een tentdoek. De (meestal zoomlens-) foto’s staan op:
Er valt in Tanzania natuurlijk meer te zien dan alleen de Kilimanjaro en de wildparken. Zo kom je onderweg in aanraking met het gewone leven. Grote armoede nog, maar opvallend is hoe kleurrijk de mensen er toch bijlopen. Her en der zijn er nog tamelijk afgesloten van de buitenwereld levende stammen. Zo kregen we aan het Lake Eyasi de gelegenheid zo’n stam te bezoeken. Ik vroeg me overigens wel af of zo’n stam nou werkelijk zo geïsoleerd is en nauwelijks in aanraking met de buitenwereld zou komen. Want waarom zou je met de hand met wrijvingswarmte vuur opwekken als je enkele kilometers verderop gewoon aanstekers kunt kopen? Temeer daar zo’n stam meerdere keren daags wordt bezocht door toeristengroepen zoals wij. Wel was ik onder de indruk van hun leefwijze. Ik stel me dan maar voor dat dat de leefwijze uit de vorige eeuw zou zijn geweest. Met enig afgrijzen kregen we te zien hoe een duif met pijl en boog uit een boom werd geschoten en even later op het dus met de hand opgewekte vuurtje gaar werd gestookt en door hen werd opgepeuzeld. Ik heb overigens vriendelijk bedankt, toen mij ook een hapje werd aangeboden.
Bijna overal waren er de Masai. Ze leven inderdaad heel primitief in rieten hutjes, houden veelal wat vee en zijn buitengewoon kleurrijk gekleed. Ze zijn alleen al om die redenen fotogeniek, maar als je een camera voor de dag haalt, komen ook hier hun kinderen naar je toe rennen om wat geld. Heel ongemakkelijk vond ik ook een bezoekje aan een van hun dorpjes, die we als groep konden bezoeken voor 50 dollar. Er werden door hen wat ‘traditionele’ dansjes uitgevoerd en verder werden we flink onder druk gezet om armbandjes en andere spullen te kopen. Het geeft je toch te denken. Enerzijds sta je hier met een inkomen vele malen groter dan het hunne, anderzijds ervaar je die druk als onprettig. Ik vond dat allemaal dus erg ongemakkelijk. Toerisme is inderdaad een belangrijke inkomstenbron voor deze landen, zoals we ook op de Kilimanjaro hebben gezien. Tegelijkertijd vraag ik me af of je deze mensen structureel verder helpt met dit soort contacten. We rijden zaterdag flinke stukken, zien van alles van het leven hier en belanden zaterdagavond in een grote lodge vlakbij het Lake Ndutu. Het fotoverslag staat op:
Daags na de terugkeer van DE berg, met de spierpijn nog in de benen, begonnen we aan de safari. Hoofddoel was het Serengeti National Park, maar de aangrenzende parken waren minstens zo leuk. Onderweg van Moshi via Arusha naar het eerste wildpark konden we kennis maken met het gemiddelde Afrikaanse leven, want in de parken zelf is daar natuurlijk niet veel van te zien. Arusha is een wat rommelige stad. Er is veel opgebroken en ook vaak zijn er nog onverharde wegen, zelfs in de stad. Door de regen van de vorige dag rijden we dus af en toe door modderpoelen. Evenzo rommelige bedrijfjes zoals autosloperijen, en eigenlijk zijn veel mensen er alleen maar bezig om het hoofd boven water te houden. Buiten de stad zien we veel Masai, wonend in van die typische hutjes en vooral bezig met het houden van vee. Maar ook gespitst op toeristen. Je hoeft maar even te stoppen met de auto om een foto te nemen en kinderen rennen naar je toe en houden hun hand op. Het leverde wat genante taferelen op en we kwamen dan ook tot de conclusie dat het maar beter was om niet meer te stoppen voor foto’s in de buurt van Masai.
Maar je ziet ze ook rond de lodges waar ze zorgen dat de wilde dieren niet al te dicht in de buurt komen. Want lodges staan gewoon midden in de wildparken, waar de dieren ook hun domein hebben. Het eerste park is het Tarangire National Park. We moeten alleen afleren ons te concentreren op de big five en op zijn minst geduld betrachten. Onze gids David attendeert ons op dit typische ‘toeristen-beginnersfoutje’ en verzekert ons dat we in de komende week heus wel aan onze trekken zullen komen. Bovendien is er zo veel meer te zien dan de big five. Hij had het nog niet gezegd of een hele kudde olifanten stak vlak voor ons de weg over. Dat er meer te zien is bleek wel de volgende dag bij het Lake Manyara. De big five zijn daar niet, maar wel een prachtig gelegen ondiep zoutmeer met enorm veel flamingo’s die af en toe en masse opfladderden en een eindje verder weer neerstreken. We belandden donderdagavond in een lodge aan de oever van het Lake Eyasi. Erg gezellig, het comfort was er goed, maar overal kon wild rondlopen. Ik moest daar erg aan wennen en dus vond ik het loopje van onze slaapplaats naar het restaurant zonder begeleiding dan ook niet echt relaxed. De foto’s staan op:
Het Barafu-camp was het laatste camp voor de slotklim. Vanaf daar gaan we heen en weer naar de top. De dragers hoeven dus niet mee en we doen de slotklim met z’n vijven: twee gidsen en wij drieën. Die slotklim was toch wel een ervaring apart. Zaterdagavond om 23:15 uur werden we gewekt en na een licht ontbijtje, nota bene rond middernacht, gingen we in het donker op pad. Gewapend met lampjes op de ijsmuts, vijf lagen dikke kleding en handwarmers in de handschoenen en sokken. De klim vanaf Barafu (4600 meter) naar het Stella Point (5800 meter) duurde zo’n zes uur, grotendeels in het donker. Er waren andere groepjes klimmers, die je – behalve kleine lichtpuntjes – niet kon zien maar wel kon horen. En heel diep beneden zag je de stad Moshi liggen, zoals je een stad bij nacht uit een vliegtuig ziet. Alleen op het laatst werd aan de oostelijke horizon een streep schemering zichtbaar, die gelukkig steeds groter en lichter werd. Op dat traject is ook het risico van hoogteziekte het grootst. Je kan de kans erop kleiner maken door ‘diamox’ te slikken, maar dat heeft weer de bijwerking dat je vaker moet plassen en dat is op die hoogte met die temperatuur en met al die kleding aan ook niet echt handig.
Het Stella Point is het einde van de toch wel steile klim. Steiler dan we de afgelopen dagen gewend waren. Daar waren we in de ochtendschemering en het was meteen ook een mooie plaats om na die klim even uit te rusten. Hoewel, het is veel te koud om te gaan zitten, en om ons heen waren er mensen met hoogteziekte die uitgebreid en vooral luidkeels stonden te braken. Uitrusten deden we dus daar maar even niet en zijn meteen doorgelopen naar de top. Dat laatste stuk is vals plat, ongeveer één kilometer en daar doe je toch nog ruim een uur over. Twee stappen doen, even uitrusten en dan wéér twee stappen, zo langzaam ging het. Maar op zondagmorgen 29 januari 2017, om 06:45 uur stonden we alle drie op de top van de Kilimanjaro, 5895 meter hoog, met een euforisch gevoel en niet vrij van emotie. Twintig graden onder nul en een ijzige wind, nauwelijks in staat om de fotocamera tevoorschijn te halen. Het uitzicht vanaf de top moet geweldig zijn geweest. Je kon er tot ver in Kenya kijken, maar ik kan me er nauwelijks iets van herinneren.
We zijn er dan ook niet lang gebleven. Het was er trouwens ook dringen want we waren duidelijk niet de enigen en iedereen moest daar op dat ene kleine platformpje voor het ultieme foto-momentje. Tijd om af te dalen dus, dat trouwens minstens zo moeilijk was als klimmen, vooral als je weer over rotsen moest klauteren. Maar af en toe kon je ook over het mulle zand een flink stuk naar beneden glijden en binnen twee uur waren we weer terug in het Barafu-camp, waar het ontbijt klaar stond. Even uitrusten en dan verder naar beneden. Die dag in amper negen uur afgedaald van bijna 6000 naar 3000 meter in het Mweka-camp. Onderweg vaak gevallen, niet alleen door de oververmoeidheid, maar ook door de gladde stenen, die door lichte regen en modder spekglad waren geworden. Bij aankomst in de lodge zat ik er dus flink doorheen. Wel was daar een soort van feestje: er waren toespraakjes en de dragers werden bedankt met envelopjes. De allerlaatste dag, maandag was evenwel een eitje. Alleen een korte ochtendwandeling bracht ons terug naar tropische temperaturen. Daar stonden weer auto’s en nadat alle bagage was ingepakt, afscheid was genomen van de begeleiders ging het terug naar de lodge.
Daar was een douche, voor het eerst in zeven dagen en het bier (merk Kilimanjaro) was heerlijk. Al met al was het een prachtige ervaring. Heel leuk om zeven dagen met zestien altijd vrolijke mensen om te gaan. Maar het is wel een ervaring ‘once in a lifetime’. Ik ga het dus écht niet nog een keer doen. Het was ook een enorme inspanning, nog niet eens zozeer fysiek, maar ook (en vooral) mentaal. We zijn vrij goed weggekomen met de hoogteziekte, hoewel elke voetstap op grote hoogte een bovenmatige inspanning vergt. Geleidelijke acclimatisatie is toch wel belangrijk, en al met al duurde de beklimming zes dagen. Hoewel het fysiek dus wel is gelukt, moest ik inderdaad toch wel wennen aan het gebrek aan comfort. Kamperen bij temperaturen onder nul vond ik eigenlijk wel grensverleggend. De komende week wordt er niet gewandeld. Alleen maar in auto’s gezeten op safari in de Serengeti en aanpalende parken. Heel iets anders dus. Maar bij aankomst in de lodge wachtte ons een andere, minder leuke, verrassing. Antoinette, de moeder van Marcel, was ongelukkig gevallen, had daarbij een rib gebroken en het zou voor haar onmogelijk zijn om aan de safari deel te nemen. Het betekent dat zij samen met Raymond aanstaande woensdag naar Nederland wordt gerepatrieerd. Inderdaad heel erg teleurstellend, temeer daar de safari voor hen het hoofddoel van de reis zou zijn. De laatste klimfoto’s staan op:
Het kamperen is echt even wennen. De eerste nacht op 3000 meter hoogte ging nog net, maar de volgende nachten waren op respectievelijk 3800 tot 4600 meter hoog. Verwarming was er natuurlijk niet en ook eten met dikke jassen aan is niet echt mijn hobby. Meestal kwamen we ergens aan in de middag en eigenlijk was je dan alleen maar bezig om niet al te veel lichaamswarmte te verliezen, want als je teveel afkoelde was het bijna niet meer mogelijk om dan nog op te warmen. Slapen ging trouwens best aardig in die heerlijk warme slaapzak, behalve als je wakker werd en moest plassen. Dat stelde je dan zo lang mogelijk uit totdat verder uitstel echt niet meer kon en je dan toch maar in je onderbroek de tocht door de kou en in het donker ondernam naar de plastent.
Wij met z’n drieën hadden zestien man personeel. Twee gidsen, twee koks en twaalf dragers. Vooral die dragers hebben me nog het meest verbaasd. Ze sjouwden van alles mee over dezelfde route die wij liepen. Tenten, inklaptafels en -stoelen, keukengerei, gasflessen, eten voor zeven dagen voor 19 man en zelfs een toilet. Elke ochtend na vertrek braken ze de boel op, haalden ons onderweg in met alles op hun hoofd en bij aankomst aan het eind van de middag in het volgende kamp hadden ze alles weer opgezet en stond er zelfs al een warme maaltijd klaar. Het enige wat wij moesten doen is aan tafel aanschuiven en later op bed gaan liggen. Fascinerend was de geleidelijke verandering van het landschap. In het begin door een bos, nog alleen met je T-shirt. Maar gaandeweg verandert het landschap, de temperatuur en dus ook de kleding. De bomen en begroeiing worden steeds lager en uiteindelijk is er alleen nog maar rots en steen.
Echt moeilijk is de beklimming tot nu toe overigens niet geweest. Het beeld van de Kilimanjaro is dat je die zonder alpinistisch gereedschap kunt beklimmen. Dat betekent niet dat je er zomaar opwandelt. Vaak klauteren over rotsen, en er waren momenten dat je misstappen kon maken met wel heel akelige gevolgen. Het lastigst was nog wel de Baranco-wall, ook wel de Breakfast-wall genoemd, omdat die vlak na het ontbijt moet worden beklommen. Zaterdagmiddag zijn we aangekomen in het Barafu-camp op 4600 meter hoogte. Morgen de top. Hopen we….! Foto’s van de afgelopen vier dagen staan op:
Zondagavond laat, na negen uur vliegen, in Tanzania aangekomen. Weliswaar om 20:30 uur al geland, maar ruim twee uur later konden we de luchthaven pas verlaten. Slechts één loket voor 250 passagiers, die allemaal een visum moesten hebben. Er was nog wel een ander loket, maar daar hadden ze het te druk met het kijken naar een voetbalwedstrijd. Vanaf de luchthaven was het nog een uurtje rijden naar Moshi. Meteen in een andere wereld. Aardedonker en veel tegenliggers met groot licht. Onderweg aangehouden door de politie, die wellicht op zoek was naar wat zakgeld, maar onze chauffeur wist het adequaat af te handelen. We zitten in een prachtige lodge met mooie bungalowtjes en genieten na die lange Nederlandse winter van de heerlijk warme avond op de veranda met een lekker koud Afrikaans biertje.
Maar al de eerste avond voltrok zich een kleine ramp, althans in mijn ogen. Ik had een laptop meegenomen voor het opslaan en bewerken van de foto’s. Maar het ding wil niet meer opstarten en ik heb geen idee hoe ik dat nou weer moet aanpakken. Het was nog een heel gedoe om er een mail vanaf mijn iPad uit te krijgen. Het betekent dus dat ik geen foto’s met de mails kan meesturen en ook niet kan bewerken. Het kostte wel wat moeite om dit te accepteren en om de reis er niet door te laten beïnvloeden. Eerst maar eens even kijken of ik het in februari in een paar dagen thuis kan laten fixen. Maandagochtend was er een briefing over de beklimming van de Kilimanjaro, die ze hier de ‘Kili’ noemen. Gerrit, Marcel en ik gingen dat doen en in detail werd besproken wat we wel en niet moesten meenemen. En ook wat we wel, maar ook vooral niét moesten doen.
We werden er een tikkeltje nerveus van, want het blijkt nu toch wel een hele onderneming. Maar die briefing hielp natuurlijk wel om het laptop-akkefietje een beetje achter me te laten. Het was nog een heel gedoe om de rugzakken en bagage voor de dragers een beetje efficiënt in te pakken. Maar in de middag bleef er nog wel wat tijd over om in Moshi te gaan kijken. Op de kaart ziet het eruit als een klein provincieplaatsje, maar het blijkt dat dat plaatsje even groot is als Amsterdam. Daar treffen we vooral mensen die het een stuk slechter getroffen hebben dan wij. Natuurlijk, het is kleurrijk en vooral fotogeniek, maar het was ook wel gênant om daar met een camera rond te lopen, vooral als je ook veel mensen iets moet weigeren. Want het is nou eenmaal onmogelijk om van iederéén wat te kopen. Vooral die tegenstelling blijkt na zo’n dag toch wel hangen. Dat relativeert het laptop-akkefietje nog wel wat verder.
En dinsdagochtend begon het dan echt en moesten we al vroeg weg. Want er staat voor die dag 11 kilometer op het programma met een klim van 1800 naar 3100 meter. Contact met de buitenwereld zal er in de komende week niet meer zijn, want wifi is op de Kili nog niet aangelegd. Zelfs gaan we het de hele week zonder elektra doen, dus we zijn beladen met batterijen en powerbanks voor de verschillende camera’s. De eerste dag lopen we vooral door een bos. De hele weg vals plat omhoog, maar later toch wat steiler tot ruim 3000 meter. Die avond is er dan meteen de confrontatie met het gebrek aan comfort. Weliswaar hebben we er het over gehad bij de briefing, maar nu blijkt echt wat dat betekent. Douchen en scheren gaat de hele week niet mogelijk zijn en de maatstaven van hygiëne moesten al de eerste dag worden bijgesteld. Dat was toch ook wel even slikken voor ons verwende stadsmensen. We sliepen ook in tentjes, en ik heb voor het laatst gekampeerd dertig jaar geleden en dan alleen nog maar bij 25 graden of meer. Deze week bij nul graden of minder. Foto’s van Moshi en het eerste klimstuk op:
Als voorbereiding op de grote reis, die nu onderhand wel heel dichtbij komt, gingen we nog maar eens naar de grote winkelboulevard bij het station Bijlmer-ArenA. Niet echt mijn hobby, maar de ontberingen waarmee we bij de beklimming van de Kilimanjaro vermoedelijk te maken krijgen, vragen nu eenmaal om een adequate uitrusting. Je kan van de nood natuurlijk ook een deugd maken, als je tenminste oog hebt voor de architectuur die daar is verrezen. Dan zie je dat men tegenwoordig heel wat creatiever bouwt dan in – pakweg – de 80’er jaren met zijn afgrijselijke revolutiebouw. De winkelboulevard die daar rond de Arena is verrezen heeft weliswaar niet de gezelligheid van het centrum, maar is qua kleur en spiegelingen toch wel de moeite van een klein foto-serietje waard. Kijk maar op:
‘Er gaat niets boven Groningen’. Dat is tenminste de slogan waarmee de lokale VVV de stad en provincie aan de man probeert te brengen. Daar is overigens alle reden toe, want de stad is een pareltje in het toch wel – vooral voor de verwende Amsterdammers – wat verre noorden. Want Groningen schijnt verder van Amsterdam te liggen dan Amsterdam van Groningen. Wij beschouwden ons minder verwend en zijn per trein naar Groningen afgereisd. Aanleiding was een tentoonstelling van Rodin in het Groninger museum. En in datzelfde museum ook nog een expositie van fotograaf Erwin Olaf.
Alleen al de treinreis is de moeite waard, met een mooi zicht aan de linkerkant op de Oostvaardersplassen. Daar proberen ze een biologisch evenwicht tot stand te brengen, waarbij ze er nog niet helemaal uit zijn of ze de natuur helemaal zijn eigen gang moeten laten gaan. Want om nou de dieren in hartje winter helemáál aan hun lot over te laten, is volgens velen toch ook wel weer wat zielig. Het uitstapje was in combinatie met Assen, waar we onderweg zijn uitgestapt voor het Drents museum met een tentoonstelling van Russische schilders, die het moeilijke leven aldaar in de vorige eeuw in beeld brachten. Tenslotte het Groninger museum, met Rodin en Olaf, een museum dat eigenlijk alleen al door zijn gewaagde architectuur de moeite waard is. Tot slot nog tot in de schemering door de stad geslenterd en geconcludeerd dat dit toch wel een van de mooiere steden in Nederland is. Het fotoverslag staat op:
‘Geef mij maar Rotterdam’. Daarmee opende de Volkskrant deze week het hoofdartikel om aan te geven dat de woonkwaliteit in Rotterdam niet alleen heel goed, maar ook nog betaalbaar was. Mooie gelegenheid dus om er eens een kijkje te nemen. Niet dat ik er meteen ga wonen, maar een fotoserietje zou, dacht ik, toch wel de moeite waard zijn. Voor de liefhebbers van moderne architectuur en woontorens is Rotterdam inderdaad ‘the place to be’. En natuurlijk het nieuwe treinstation, dat nu in Nederland ineens toonaangevend is. Vanaf het warme restaurant in de Euromast was niet alleen Rotterdam, maar zelfs Delft en Den Haag goed te bekijken. Maar de slotklim naar de top van de toren hebben we wegens de ijzige wind maar even uitgesteld tot betere tijden. Ondanks de kou is er toch een foto-serietje gemaakt:
Utrecht, voor mij de minst bekende grotere stad in Nederland. Toch ligt het maar 20 treinminuten van Amsterdam. Ontelbare keren erlangs gereden of met de trein er doorheen gekomen, maar zelden echt goed bekeken. Hoog tijd om op deze prachtige winterdag eens een foto-excursie naar Utrecht te maken. En daar ontdekt dat een grachtengordel niet alleen het monopolie is van Amsterdam. Hier is er de Oude Gracht, die – in vergelijking met Amsterdam – het extraatje heeft dat op een soort lagere verdieping, vlak boven het water nog terrasjes zijn ingericht, waardoor je op mooie zomerdagen gezellig kunt eten en drinken. Bijzonder is ook de Domkerk en de scheiding van de kerk en toren daarvan. In de 17e eeuw is door een storm het middenschip in elkaar gestort en kennelijk nooit meer hersteld. Toch hebben ze onder de toren voor fraaie doorkijkjes gezorgd, waardoor het eigenlijk toch één geheel lijkt.
Hier meteen maar het idee opgevat om ooit nog eens de toren te beklimmen, maar dat moet dan maar op een warmere dag. Verder, ook fraai met het tegenlicht van de lage middagzon en de winterse rijp op de bomen, het park tussen de Maliesingel en de binnenstad. Wel daar tevergeefs gezocht naar een uitspanning waar koffie wordt geserveerd, maar in de fantasieloze omgeving van het Centraal Station kon nog wel iets worden gevonden. Het gebied rond het station is momenteel één grote bouwput. Er gaan daar futuristische bouwsels komen, het hele Hoog Catharijne gaat op de schop en gaat een grondige facelift krijgen. Hard nodig blijkbaar, maar het viel nog niet mee om de ingang van het station te vinden zonder eerst de nodige winkelstraten te moeten doorkruisen. Het is de nieuwe trend: stations gaan eruitzien als luchthavens, met een overdaad aan winkels, waarbij hun oorspronkelijke functie, het begin (of eind) van een reis op het tweede plan komt. De foto’s van het Utrechtse uitstapje staan op: