Collevecchio, zo’n 60 kilometer boven Rome, is een piepklein compact dorpje van zo’n 1500 inwoners. De gemiddelde leeftijd is hoger dan het gemiddelde elders, lijkt me zo. Het dorp is dan ook aan het leeglopen. Vijf jaar geleden is het laatste restaurant gesloten en sinds vorig jaar is er ook geen geldautomaat meer. De aardbeving van 2016 heeft ook niet geholpen en sommige huizen zijn nog steeds gestut. Ik loop er dan ook met een dubbel gevoel rond. Enerzijds is het heel fotogeniek. Toeristen vinden dit geweldig, zolang ze er zelf maar niet hoeven te wonen. Anderzijds zie je hier de neergang van een dorp dat betere tijden heeft gekend en het voelt dan ook niet helemaal goed om hier ostentatief met een camera rond te lopen. Ondanks al datgene dat er niet meer is, zijn er toch ook nog dingen wél. Zoals een buurtsuper, een kapper en een klein winkeltje waar je rookwaar, allerlei snuisterijen en staatsloten kunt kopen.
En natuurlijk is er DE bar, aan het allerleukste pleintje van heel Italië, waar we elke ochtend ontbijten. Dat is inmiddels een ritueel van minstens anderhalf uur, waarin we cappuccini en cornetti met crème en chocola naar binnen werken. Het is het epicentrum van het dorp, iedereen verzamelt zich daar en er worden nieuwtjes en roddels uitgewisseld. In die anderhalf uur hebben we dan het hele dorp zien langskomen en ook begroet. En ook zijn er mensen, die moeite doen om de neergang op zijn minst tegen te houden. Zoals het schoonhouden van binnenplaatsjes, het verzorgen van bloembakken en elkaar de helpende hand toesteken. Of anders komt het tegenhouden van de neergang wel van het handjevol buitenlanders, die de vervallen pandjes opknappen en die hier als welkome gasten worden gezien.
John had zijn handen vol aan het op orde brengen van het huis. Het is – door de heftige lock-down in Italië – dit jaar nog niet verhuurd geweest en zelf is hij er ook nog niet geweest. Er was in die tijd wel toezicht, maar er gaat in zo’n lange tijd toch van alles kapot, vooral kleine dingetjes. En dus was het de hele week een heel georganiseer en een komen en gaan van allerlei ‘mannetjes’, waarmee John de boel weer een beetje op orde kon brengen. Mijn eigen levensritme paste zich wonderwel aan dat van het dorp. Of het nou door de hitte komt of door de vermoeidheid van de lange reis weet ik niet, maar sinds onze aankomst zaterdagavond overvalt mij een soort loomheid, waar ik me helemaal aan overgeef. Ik had mijn hardloopschoenen meegenomen, maar bij het zien van die steile hellingen in de hitte wordt me de lust tot dat soort activiteiten helemaal ontnomen. Nee, dan is het zwembad beter, waar ik me in de middag met twee meegenomen boeken onder een parasol nestel en, als het te warm wordt, even een duik in het water neem.
En dan is er natuurlijk nog corona, die vooral in Noord-Italië heeft huisgehouden, maar die hier eigenlijk nog niet echt is doorgedrongen. Maar de angst ervoor is overal in Italië alom aanwezig. Het begon al in Turijn, waar in het hotel twee keer onze temperatuur werd gecheckt, met zo’n apparaatje waarvan ik dacht dat ze dat alleen maar in China hadden. En het mondkapje is ook in Collevecchio de norm. Zelfs in de auto moet je er een dragen, als je tenminste met iemand in de auto zit met wie je geen huishouden voert. In het katholieke Italië worden inmiddels wel weer kerkdiensten gehouden, maar nog wel op een parkeerterreintje naast de kerk in de open lucht, hoewel de belangstelling nog niet echt overhoudt. Een indruk van het dorpse leven staat op:
Al een aantal jaren staat er een uitnodiging van mijn buurman John om eens een aantal dagen te gast te zijn in zijn huis in Italië. Het kwam er eigenlijk nooit van, hoewel het land sinds mijn eerste bezoek als 18-jarige altijd een speciaal plekje in mijn hart heeft behouden. Maar afgelopen januari is het plan eindelijk concreet gemaakt en is een treinreis geboekt voor in april. Die treinreis ging om inmiddels overbekende redenen niet door, maar afgelopen donderdag is de koe dan echt bij de horens gevat en zijn John en ik vertrokken. We gingen niet meer met de trein, want dat bleek achteraf veel te ingewikkeld. En al helemaal niet met het vliegtuig, want dat vonden we nog steeds niet echt veilig. Maar wel met de auto en dat bracht meteen dat ouderwets romantische reisgevoel met zich mee. Dat gevoel zijn we met al dat gevlieg over de wereld toch wel een beetje kwijtgeraakt. Want is eigenlijk de helft van de pret van het reizen niet het onderweg zijn? Mits het een beetje relaxed gaat natuurlijk, je regelmatig onderweg stopt, en dan maar kijken wat zich voordoet.
De reis ging naar Collevecchio in midden-Italië, zo’n 60 kilometer boven Rome en we hadden besloten er drie dagen over te doen, met overnachtingen in Nancy en Turijn. Spotgoedkoop, want er waren nog steeds maar een handjevol andere gasten in de hotels. In Nancy een mooi hotel in de binnenstad, dat ooit een soort stadspaleis moet zijn geweest. In Turijn het tegenovergestelde: buiten het centrum, hypermodern en de kamer boordevol geavanceerde elektronica. Zoveel, dat het me nog heel wat moeite kostte om voor het slapen gaan alle lichten op de kamer uit te krijgen. Ook zorgden we ervoor niet alleen maar over de autobaan te scheuren en met name op de tweede dag tussen Nancy en Turijn ging het vooral over secundaire wegen door de Jura, lang lunchen onderweg, langs het meer van Genève en over de Grote St. Bernardpas.
Op die dag liep het wat betreft tijd dus flink uit de hand, zodat we mede door een flinke onweersbui vlak voor Turijn met erg veel water op de weg pas rond 10 uur bij het hotel in Turijn aankwamen. Daar was het eten al op, maar het hotelpersoneel wist nog wel een pizzeria in de buurt en was zo aardig om even te bellen dat we eraan kwamen. En ouderwets reizen betekent ook, als er dan toch nog veel autobaan is, af en toe van de weg af gaan en zomaar een stad binnenrijden voor een lekkere cappuccino, zoals in Piacenza in de Po-vlakte. Of een kijkje nemen bij het Trasimeense Meer, waar Hannibal ooit slag leverde met de Romeinen. Zaterdagavond na een mooie, maar ook wel vermoeiende reis, beland in Collevecchio. Hoewel de combinatie autorijden en fotograferen niet echt handig is, is er toch nog wel een serie gekomen op:
Vrijdag met René maar weer eens het stalen ros beklommen. Meestal gaan we wandelen, want dan zie je onderweg toch meer. Het fietsen zelf is dus niet het doel, maar de fiets is meer een handig middel om toch een beetje een actieradius voor het fotograferen te hebben. Er was mooi fotoweer beloofd, behalve dan dat ene niet beloofde kleine regenbuitje in het begin. Mooi fotoweer betekent voor mij Hollandse, scherp afgetekende wolkenpartijen met dreigende donkere luchten op de achtergrond en de foto-objecten dan in de zon, dan wel wat meer belicht. Dat vind ik voor foto’s ideaal, want te veel lichte lucht als achtergrond maken je foto-object juist te donker.
Deze keer ging het door het poldergebied ten zuiden van Amsterdam. Beginpunt was de Gaasperplas. Voor mij een nieuw gebied. Uithangplek van Amsterdam-Zuidoost, dat ik ook niet goed ken, maar dat zo te zien in positieve zin een metamorfose heeft ondergaan, vergeleken met het imago waar dit stadsdeel maar met moeite van af komt. Ook daar een populaire plek voor yoga-klasjes, die je de laatste tijd overal in de stad ziet opduiken, nu de indoor-sportscholen nog gesloten zijn, of hooguit schoorvoetend opengaan. Vanaf de Gaasperplas ging het via Driemond langs het Gein. In eerste instantie nog wel bekend terrein, maar daar waar – zoals meestal – je rechtsaf gaat naar Abcoude, nu eens een keer linksaf naar wat meer ónbekend terrein.
Ineens sta je dan plotseling voor Fort Nigtevecht, onderdeel van de Stelling van Amsterdam met zo’n dertig verdedigingsforten. Het fort is rond 1900 gebouwd en het oorspronkelijke ontwerp is redelijk intact. Net als dit gebied is ook dit fort relatief onbekend, omdat het vanaf Nigtevecht eigenlijk alleen met een grote omweg te bereiken was. Was…, want sinds 2018 ligt er de ‘Liniebrug’, een nieuwe fietsbrug over het Amsterdam-Rijnkanaal. Omdat er flink grote en ook hoge schepen onderdoor moeten kunnen is deze brug extra hoog aangelegd, heeft daardoor een prachtig ontwerp en je kan er alleen maar op en af via een paar haarspeldbochten. Leuk voor fietstoeristen en hardlopers die bergop willen trainen. Maar ook voor ons, want als kadootje krijg je dan een fraai uitzicht over het scheepvaartverkeer en de bepaald indrukwekkende schuiten die onder je door varen. Het resultaat van dit fietswandel-fotodagje staat op:
Ondanks het af en toe wisselvallige weer in juni, waren er toch nog wel een aantal echte ‘Zandvoort-dagen’. Voor Zandvoort komt het weer vrij precies: het moet warm en zonnig zijn en vooral niet te veel wind. Hoewel René een tentje heeft, waar je je tegen wind en ook overmatige zon kunt beschermen. Een nieuwigheid is dat we nu met de auto naar Zandvoort gaan. De treinen hebben nog steeds de helft van de capaciteit beschikbaar. En als het mooi weer is zijn er vooral in de avond veel te veel mensen tegelijk, die naar huis willen. Dat betekent ófwel niet mee kunnen, ófwel wél mee kunnen, maar dan met de kans op heel veel mensen binnen je anderhalve-meter territorium.
Ik had altijd het idee dat er naar Zandvoort altijd files en niet genoeg parkeerplaatsen zijn, maar dat viel uiteindelijk mee, als je tenminste niet in het weekend gaat. Er waren twee dagen met echte oostenwind en dan zijn er wel veel kwallen. Ze zijn er in alle soorten en maten, het zijn eigenlijk vieze beesten, maar erg mooi om te fotograferen. Het was ook vaak helder weer en dan kan je vanaf de duinentop verrassend ver kijken en zelfs de skyline van Den Haag is dan goed zichtbaar. Erg fraai was nog wel de dreigende onweerslucht in het zuidwesten en de rook van brandende autobanden op het circuit naar het noordoosten. Deze juni-impressie is in beeld gebracht op:
De vroegere kolencentrale aan de Ringweg A10: vaak erlangs gereden met de auto, maar nog nooit eens echt goed bekeken. De centrale zit ook niet bepaald in de top-10 van toeristische bezienswaardigheden, maar voor liefhebbers van industrieel erfgoed is het toch wel smullen. Inderdaad erfgoed, want vorig jaar werd hij gesloten en kwam er een eind aan de rookpluim die het gebied tientallen jaren domineerde. Hoog tijd inderdaad om hem dan eens van dichtbij te bekijken, want voor je het weet is hij gesloopt en staan er ineens weer appartementen. Maar zo te horen was hij nog steeds in bedrijf want er klonk een monotoon gezoem uit de imposante machinerie. Vlak ernaast werd de laatste hand gelegd aan een nieuwe biomassa-centrale, ook niet helemaal onomstreden trouwens.
En als je dan toch in de buurt bent kan je meteen doorfietsen naar de Hemhavens. Onderdeel van het nog veel grotere havengebied van Amsterdam. Blijkbaar is Amsterdam de vierde haven van Europa, maar dat zit – anders dan in Rotterdam – niet bepaald tussen de oren van de gemiddelde Amsterdammer. We noemen het een havengebied, maar behalve het aan- en afmeren van schepen, gebeurt er nog van alles. Ook dingen die men in het algemeen liever aan het oog onttrekt en vooral niet in de toeristische top-10 onderbrengt. Maar de camera had er wel een gewillig oog voor en het resultaat staat op:
Het Oosterdok is inmiddels ons favoriete wandelrondje in de buurt. Er is veel te zien en dat alles op maximaal één hemelsbrede kilometer van huis. Je moet dat rondje wel regelmatig doen, wil je een beetje bijhouden hoe het daar elke keer weer verandert. Het Marine-terrein bijvoorbeeld. Lang was het verboden gebied en zelfs op Google Maps was het gebied helemaal wit gemaakt. Maar inmiddels is het verlaten door de marine en heeft zich een nieuw stuk stad ontvouwd, waarvan ze nog niet helemaal weten wat ze er mee aan moeten. Het is fraai gelegen en het wordt nu in beslag genomen door hip volk, dat er picknickt, jogt of in de zon ligt. Er is zelfs een heus zwembad aangelegd, want de binnenzwembaden waren lang gesloten en zijn ook nu nog onderhevig aan strenge protocollen.
Her en her verschijnen er ook restaurants en drinklokalen, die de prijzen duidelijk hebben aangepast aan de clientèle die hier neerstrijkt. Maar projectontwikkelaars liggen op de loer en dan kan je er op wachten dat die voormalige marine-complexen ooit worden verbouwd tot appartementen. Aan de Dijksgracht is een terras helemaal corona-proof omgebouwd tot eetgelegenheid. Hier kan je veilig en zelfs helemaal afgesloten eten, dus als je iets te bespreken hebt wat het daglicht niet kan verdragen, moet je juist hier zijn. Even verderop is de klimmuur. Die staat er al sinds ik hier woon, maar het is een wonder dát hij er nog staat, want overal eromheen wordt gebouwd, worden wegen en fietspaden omgelegd dan wel afgesloten. En elke keer moet je je dan ook weer afvragen hoe je je route nú weer moet vervolgen. Het grootste bouwwerk hier is dat van Booking.com, waarvan de bouw een nieuwe fase is ingegaan. Inmiddels zal het hoogste punt nu wel zijn bereikt en nu wordt de gevel bedekt met glazen platen, waarvan het me lijkt dat die, afhankelijk van de hoek waar het zonlicht er op valt, verschillende kleuren gaan aannemen. Ik moet later nog maar eens gaan kijken hoe dat eruit gaat zien.
En overal is er het water met de schuiten die er rondvaren. De cruiseschepen zijn er dit jaar nog niet geweest. Ik vraag me af of die ooit nog eens terug zullen komen. Zelfs met de rondvaartboten wil het zo te zien nog niet erg lukken. Maar particuliere scheepjes genoeg, evenals de vrachtvaart en de veerponten. Aan de overkant van het IJ ligt nog zo’n bouwput, waaraan je kunt zien dat ook Amsterdam-Noord er nu helemaal bij gaat horen. Het Damrak is weer als vanouds druk, maar op de Wallen zijn de meeste sex-werkers nog op vakantie. Daarvan geen foto’s, want die worden daar – zoals bekend – niet op prijs gesteld. De andere foto’s van het rondje staan op:
Het zou voorlopig de allerlaatste mooie dag worden. Een mooie gelegenheid dus om Zandvoort nog eens te bezoeken. Zeker nu we ook weer terecht zouden kunnen op ons favoriete terras van Fosfor. Maar de koude zeewind was de verwachte regen al wat vooruitgesneld, zodat onderweg al duidelijk werd dat het geen echte stranddag meer zou worden. Het plan werd dus veranderd in een autotochtje langs de Noord-Hollandse kust, helemaal tot Callantsoog. Andermaal bleek dat Nederland eigenlijk beschikt over prachtige brede, lange en schone stranden, die bij mooi weer veel Middellandse Zee stranden met glans verslaan. Alleen het weer werkte vandaag even niet mee.
De koffie met cheese-cake werd gebruikt in Bergen aan Zee. Bij een tamelijk deftige gelegenheid nog wel en daar mocht dan ook de hoofdprijs voor worden betaald. Maar Bergen aan Zee is dan ook de badplaats voor de beau monde, terwijl Fosfor bij Zandvoort eigenlijk nog steeds een beetje rommelig is. Maar dat is nou juist het leuke daarvan. Via Petten ging het naar Callantsoog. Je kan daar de hele kust afkijken tot Den Helder. Strak tegen de wind in een wandeling gemaakt tot de gemeentegrens van Den Helder en toen was het wel genoeg. Ook geen echt foto-weer, maar er is toch nog wel een klein serietje gekomen, al was het maar voor de herinnering. Dat serietje staat op:
Eén juno…! Een bijzondere dag waar heel Nederland naar uitkeek. Niet omdat het tweede Pinksterdag was, want dat is het elk jaar wel een keer. Ook niet omdat het prachtig weer was, want dat was het de laatste tijd ook (bijna) altijd. Het was het min of meer officiële einde van de lock-down. Ik begon daar overigens aardig aan te wennen. De agenda was leeg, er hoefde helemaal niks en de dagen gleden moeiteloos voorbij. En bijna elke dag waren er wel maatschappelijke vergezichten te lezen van allerlei orakels, die ons een heel wat betere wereld beloofden, waar ik me – als eeuwige optimist – dan maar aan vasthield. Dat de afgelopen periode me zo meeviel was natuurlijk ook te danken aan het prachtige weer, waardoor ik rondjes kon hardlopen en fietsen, dan wel anderszins daarvan genieten.
Maar ook ik ben natuurlijk blij dat er weer van alles mag uit het oude normaal, omdat de digitale en dus wat onpersoonlijke anderhalve-meter-samenleving mij ook geen ideaal maatschappijbeeld lijkt. Hoe dan ook, je kan deze memorabele en prachtige dag niet beter vieren dan een fietstocht te maken met Marcel door de Zaanstreek. Je moet alleen nog even met mondkapjes op met de boot naar de overkant van het IJ, maar verder is alles oud-normaal. Eenmaal aan de overkant moet je dan ook nog even door Amsterdam-Noord, maar dan houdt de Randstad ineens op en sta je midden in het strak vlakke polderland. De Zaan loopt dwars door de Zaanstreek en heeft twee kanten. Aan de aangeharkte oostkant de frisgroene Zaanse huisjes met de Zaanse Schans, nu nog zonder Chinezen. Aan de rommelige westkant het industriële erfgoed uit de tijd dat Zaandam het welvarende centrum was van de voedingsmiddelenindustrie. Het werd een heerlijke fietsdag, de camera mocht ook mee en heeft er de volgende serie van gemaakt:
De uitzonderlijk zonnige lente maakte het mogelijk om na de lange winter weer eens Zandvoort aan te doen. Niet zozeer voor een uitwaai-wandeling, want daar heb je dat mooie weer helemaal niet voor nodig. Maar we waren er om eindelijk weer eens lekker in de zon te liggen en om ons zelfs in zee te wagen. Alleen was het water nog te koud om dat lang vol te houden. Het Zandvoort-bezoekje moest sowieso nog even wennen met die intelligente lock-down. Zo had onze favoriete strandtent Fosfor wel koffie, maar je mocht er niet op de stoelen zitten. Die stonden nog ergens in een verlaten hoekje opgestapeld en wij mochten met een kartonnen bekertje ergens in het zand gaan zitten. Niettemin viel er veel te zien: flora, fauna en vergezichten. De flora moet je in de duinen vinden. Op het eerste gezicht een desolaat uitgedroogd en verdord landschap, maar de fauna kan er goed terecht. Kleine rupsjes, vlinders en in de avonduren zijn er de vele herten, die daar kennelijk genoeg te eten kunnen vinden. Daarvan zijn er zelfs te veel en af en toe worden ze dan ook afgeschoten. René had zelfs een vos gezien en ook gefotografeerd, maar helaas liet die zich niet meer zien toen ik mijn camera in de aanslag probeerde te brengen.
Op het strand ook genoeg fauna: krabben, kwallen en vogels. En in de zee af en toe zeehonden, hoewel niet deze keer. En dan de vergezichten. Als je op het duin staat kun je bijna de hele kust afkijken tot ver ten noorden van IJmuiden. In het zuiden lijkt Noordwijk binnen handbereik, en is zelfs Den Haag goed zichtbaar. Tenslotte heel ver de grote tankers en de windmolenparken. Daarover was er in Zandvoort veel gedoe. Ze mochten er niet komen, omdat het horizonvervuiling zou zijn en zelfs de dood voor het toerisme zou betekenen. Maar de gemiddelde toerist keurt die molens geen blik waardig en zíet ze waarschijnlijk niet eens. Al met al twee heerlijke stranddagen en een mooie ouverture van een hopelijk mooie zomer. Vastgelegd op:
De bedoeling was een bezoekje (met fotoserie) aan Medemblik. Weliswaar ooit daar geweest, maar erg lang geleden en dus wat weggezakt in de herinnering. Dat bezoekje vandaag is dan uiteindelijk wel gelukt, maar Medemblik kwam er toch weer wat bekaaid vanaf. Dat kwam omdat onderweg – zoals wel vaker gebeurt – weer veel te zien was. Edam bijvoorbeeld, katholiek bolwerk met een veel te grote kerk voor dat kleine dorp. Helaas gesloten en dus niet te bezichtigen. Wel een fraai kerkhof, gedrapeerd rond de kerk. Ik kan op dat soort plekken lang ronddwalen, terwijl ik kijk naar de lange of soms ook korte levens die deze mensen hebben gehad. En probeer me daarbij met behulp van hun leeftijden en aangebrachte foto’s een voorstelling te maken van de familieverhalen erachter. Het dorp is wereldberoemd om zijn kaas, maar staat wat betreft toeristen toch wel wat in de schaduw van Volendam.
Maar – behalve wij uit Amsterdam – waren er nu helemaal geen toeristen en dan krijg je een indruk hoe het stadje er ooit bij lag vóór het tijdperk van het massatoerisme. Verderop langs de IJsselmeerkust, tussen Edam en Hoorn, met de skyline van Almere als achtergrond, wordt een enorm project uitgevoerd, dat eigenlijk nauwelijks bekend is. Althans niet bij mij, maar het kan zijn dat ik iets heb gemist. Er wordt tientallen meters verderop in het water een tweede dijk aangelegd, die kennelijk een extra bescherming van het land moet opleveren. Het stuk ertussen wordt opgespoten en ter hoogte van Hoorn komt er daardoor een brede extra strandstrook. Dan uiteindelijk alweer aan het eind van de middag was er Medemblik. Ooit was daar een stoomtrein naar Enkhuizen, die in betere tijden in de zomer nog als toeristentreintje in leven werd gehouden. Nu ligt het er verlaten bij, evenals de rest van Medemblik. De helft van het pittoreske stadje wordt gedomineerd door drie uit de kluiten gewassen jachthavens, die allemaal samenkomen op één punt. Op datzelfde punt is ook de horeca samengeklonterd, die nu met dichte deuren en opgestapelde stoelen voor de deur een uitgestorven indruk maakt. Maar het fotoserietje is er toch gekomen en staat op: