Het begon met het nog eenvoudige plan om een foto te maken van de Enneüs Heermabrug, die in de nieuwe fotoserie over ‘bruggen’ in de hal van ons wooncomplex niet mag ontbreken. Maar dan kom je ook langs het Zeeburgereiland, dat in de laatste jaren volgebouwd is met woningen. Talloze malen ben ik er met de auto langsgekomen, maar nooit de moeite genomen om er eens een kijkje te nemen. Deze keer was ik te voet en nam dus wel de moeite. Het is een dicht bebouwde wijk met veel hoogbouw, al is tien verdiepingen wel het maximum. Ook is er veel ruimte voor mooi groen, waardoor het er met de ruime woningen en gevarieerde materiaalkeuze allemaal niet slecht uitziet. Hoe dan ook een stuk beter dan het architecturale dieptepunt in de 70’er en 80’er jaren.
En toen ik toch eenmaal bezig was met woon-architectuur, is de volgende dag maar eens doorgepakt met de Houthavens, die trouwens al langer op het verlanglijstje stonden. Vroeger een verwaarloosd havengebied ten westen van het Centraal Station, nu een woonwijk in aanbouw, voor de ‘happy few’, lijkt me zo. Hier mag het wat kosten, voor wat betreft ruimte, materiaalkeuze van de woningen en dus ook wat betreft prijs. De wijk ligt aan het water en dicht bij het centrum, dus de huizen gaan als warme broodjes weg voor bedragen tussen de 8 en 12 ton, met flinke uitschieters naar boven, zoals in de Pontsteiger. Die laatste is een soort boog aan het water van 27 verdiepingen met bovenin penthouses waarin je kunt verdwalen.
De wijk is een mix van woningen, kantoren, restaurants en hotels, allemaal in wat je noemt ‘het hogere segment’’. Er is ook nog wel wat roestig oud industrieel erfgoed, maar het is me niet duidelijk of dat ooit nog gaat verdwijnen. Maar het zou ook zo maar kunnen dat het blijft, want het schijnt heel hip te zijn en eigenlijk vond ik het hier ook wel passen. Dit stukje gaat dus over zomaar twee nieuwe wijken binnen de ring. Maar de stad staat vol bouwkranen en als je hier over twintig jaar terugkomt is het allemaal af en is er eigenlijk een nieuwe stad bijgekomen. De tussenstand is te zien op:
Omdat ik een abonnement op Artis heb, loop ik er regelmatig even naar binnen. Erg laagdrempelig, omdat het nog geen tweehonderd meter van mijn huis is. Zo ook afgelopen maandag. En elke keer maak ik – bijna onbewust – de vergelijking met de reis die we vorig jaar naar het Serengeti National Park in Tanzania maakten. En vraag me dan af wat eigenlijk de natuurlijke omgeving van die dieren is. Het was maandag ijzig koud en ik kan me dan ook niet voorstellen dat dat prettig is voor dieren die de tropen als hun oorspronkelijke habitat hebben. En dan heb ik het nog niet eens over de kleine hoeveelheid vierkante meters waarop de dieren de hele rest van hun leven eindeloze rondjes draaien. Met name het binnenverblijf van de olifanten vond ik tamelijk confronterend. Onbewust denk ik dan toch terug aan Tanzania en hoe de olifanten er dáár bij liepen. Daar staat natuurlijk tegenover dat ze in Artis dagelijks hun natje en droogje krijgen, want in Tanzania is het leven in die zin wat harder en is het eten of gegeten worden. Gezien de kou van maandag zijn bijna alle foto’s binnen gemaakt. Vandaar de oververtegenwoordiging van reptielen, die in de meeste gevallen ook niet meer hadden dan één vierkante meter. Voor meer Artis-foto’s zie:
We hebben het ritme van de wandelingen weer eens opgepakt. Dat was in de warme zomer een beetje verdwenen, maar dit was er een ideale dag voor. We doen het vaak van station naar station en soms is dat dus wat gepuzzel. Deze keer van Santpoort-Noord naar Zandvoort. Eerst een heel stuk door de Kennemerduinen en daarna over het strand. Voor de echte herfstkleuren is het nog iets te vroeg, maar daartegenover staat dat vooral het eerste stuk door een prachtig oud bosgebied gaat, dat langzaam overgaat in duinlandschap. Het is het gebied van de herten en hier hoorde ik een verhaal dat ik bijna niet kan geloven. Die herten heb ik de duinen van Zandvoort wel vaker gezien, maar het zijn er nu zó veel, dat ze er maar liefst 2600 (!!!) hebben afgeschoten. En zelfs nu schijnen er nog ongeveer 1600 rond te lopen. Ze zijn vrij schuw, maar af en toe kon je hun gebrul horen. Ondanks die schuwheid hadden we toch het geluk op een moment oog in oog met zo’n hert te staan. Voor meer bos-, duin- en strandfoto’s zie:
Een dagje naar Antwerpen stond al heel lang op de ‘bucket-list’. Ik was er voor het laatst in 1998, dus dat werd weer eens tijd. Wel vaker met de trein erdoor of met de auto erlangs gekomen, onderweg naar Brussel of verder. Al een jaar of tien hebben ze daar een nieuw centraal station. Met de trein kom je dan in een donker en somber ondergronds hol, maar als je eens een keer uitstapt blijkt het nieuwe station een fraai architectonisch hoogstandje. Treinen rijden er op maar liefst vier verdiepingen, volgens mij nergens ter wereld vertoond. Boven is er de prachtige voorname hal, mooi gerenoveerd met behoud van alle barokke details.
Ook in de stad wordt er nog volop aan de infrastructuur gesleuteld. De halve Italië- en Frankrijk-lei is omgeploegd voor een nieuwe metro-lijn die er ooit moet komen. Dan een stukje verderop, op de Meir, richting Schelde en rond de kathedraal blijkt het niet alleen Amsterdam te zijn, dat zucht onder de massa’s toeristen en hier is de concentratie minstens zo groot. Maar misschien kwam het wel door de zaterdag en het – voor half oktober – uitzonderlijk warme weer. Even ten noorden van het centrum staat het nieuwe Museum Aan de Stroom (MAS) met zijn mooie donkerrode architectuur. Je kan met roltrappen helemaal naar boven voor een uitzicht over de stad. Het gebied rond het museum en ten noorden daarvan was eerder een vervallen havengebied, maar is nu volop in ontwikkeling met nieuwe hippe dingen en met behoud van het industriële erfgoed, iets wat je wel meer ziet in havensteden.
Aan het eind van de dag zouden we lekker buiten mosselen gaan eten, want dat doe je nu eenmaal als je in Antwerpen bent. Dat bleek kansloos, want alle terrassen zaten vol en uiteindelijk moesten we genoegen nemen met een treurige en lawaaiige Italiaan midden in de toeristenfuik. Alle hulde voor Antwerpen dat hard werkt aan de verfraaiing van de stad, maar zo langzamerhand begin ik me af te vragen of het nog wel leuk is om tegelijk met duizenden anderen een stad te bezoeken. Toch gaat Antwerpen niet van de ‘bucket-list’ af. Op een doordeweekse dag, met een tikkeltje minder mooi weer is het MAS en het gebied er omheen er ook nog wel, inclusief de mosselen. De foto’s van Antwerpen staan op:
Breda, nog zo’n Nederlandse stad, waar ik zelden of nooit kom. Vroeger, toen ik nog in Tilburg woonde, kwam ik er geregeld. Maar daar ben ik al 43 jaar weg en eigenlijk ben ik – behalve erlangs – nooit meer in Breda geweest. Onlangs wel weer, en ik moet zeggen, het is niet bepaald de minste stad van Nederland. Aanleiding was de grote foto-expositie daar, die ik met René heb bezocht, op meerdere locaties van de stad. Die expositie was zelfs zo groot dat één keer niet genoeg was en we er nog een tweede keer zijn geweest. De bezichtiging van de stad begon al met het station. In het verre verleden was er een piepklein en gezellig stationnetje. Ze vonden het nodig om dat in het begin van de 70’er jaren te slopen om het in 1975 te vervangen door een afgrijselijk en winderig bouwsel. Dat blijkt nu ook gesloopt en is vervangen door een knots van een gebouw, eigenlijk veel te groot, maar bij nader inzien is het ook onderdak voor kantoren. Hoe dan ook, iedereen in Breda is blij dat het bouwsel uit 1975 eindelijk weg is.
Breda was ooit het industriële hart van West-Brabant. De snoepjes van Faam, de frisdrank van Hero en natuurlijk het bier van de Drie Hoefijzers en Oranjeboom, later gefuseerd en anoniem opgeslokt door een of ander Amerikaans conglomeraat en elders ondergebracht. Maar het industriële erfgoed is er nog wel degelijk en ook de moeite waard. De Drie Hoefijzers zijn trouwens overal in de stad terug te vinden, maar het mooiste is nog wel het vroegere art-deco hoofdkantoor van de brouwerij met de glas-in-lood ramen. Een ander toch wel bezienswaardig object is de Onze Lieve Vrouwekerk met als bonus de beklimming van de toren. Dat alles was al genoeg voor een hele middag, met weinig tijd voor de foto-expositie en dus reden om in de week erna nog eens terug te komen.
De foto’s zelf waren eigenlijk maar een klein onderdeel van de expositie. Het merendeel van wat er te zien was betrof artistieke uitingen gerelateerd aan fotografie. Sinds het bestaan van de digitale fotografie heeft zich eigenlijk een nieuwe kunstvorm ontwikkeld, ook wel aangeduid als ‘digi-art‘. Ik heb me zelf nog nooit bewogen op dat gebied, omdat ik mijn handen al vol heb aan het maken en bewerken van ‘gewone’ foto’s. Wel merk ik dat ik er inspiratie van krijg en er zelfs – zoals in Breda ook weer – een beetje onrustig van word. Maar ik kan me tot dusver inhouden om eraan te beginnen. Het blijft echter op de ‘bucket-list’ en als ik ooit nog eens achter de geraniums terecht kom, weet ik wat ik nog kan gaan doen. Hoe dan ook, het tweedaags bezoekje was meer dan de moeite waard. De ‘gewone’ foto’s van dit bezoekje staan op:
Van de fotoclub kregen we de opdracht een serie te maken over Alkmaar: een mooi oudhollands stadje. En dat moet op een prachtige nazomerse dag makkelijk lukken, zou je denken. Maar dat viel nog niet mee. Inderdaad, er was een oud centrum met smalle straatjes en best mooie geveltjes. Maar het overgrote deel van de straten waren nu winkelgebied geworden, zodat het fotogenieke daarvan er eigenlijk wel van af was. Je vraagt je dan ook af hoe zoveel winkels van zo’n klein stadje kunnen bestaan. Maar het blijkt dat zowat alles wat boven Zaandam woont in Alkmaar komt winkelen. En eten en drinken, want als er geen winkel was, dan was er wel een café of eettent, vaak met terras. Gelukkig kon je de kerktoren via de buitenkant beklimmen en dat leverde tenminste een mooi uitzicht op. En dankzij het heldere weer bovendien een foto van het verre Amsterdam, kwalitatief natuurlijk wat minder, maar toch wel bijzonder vond ik. Al met al is er toch een serietje gekomen, zonder winkels en cafés. Ik ben benieuwd waar de rest van de club mee komt, want je kan er altijd weer wat van leren. De bijdrage van mij staat op:
Het meest interessante deel van Lissabon – vonden wij tenminste – is nog wel de benedenstad met zijn oude en rommelige wijkjes. Het vorige fotoserietje ging over Alfama en Baixa, dit gaat onder meer over Chiado, geografisch een beetje er tussenin. In Chiado heeft in 1988 een grote brand gewoed, die 18 gebouwen zou hebben verwoest, maar we hebben niet kunnen terugvinden waar dat geweest zou kunnen zijn. Alles zag eruit zoals het er honderd jaar geleden moet hebben uitgezien. Het plein bij het gelijknamige metrostation is wel het gezelligste plein van de stad. Een stuk gezelliger – vond ik – dan het veel grotere Rossio, dat in de gidsjes juist het gezelligste wordt gevonden. Maar op Rossio lopen in de avond drugdealers rond die er hun marihuana of ander spul aan de man proberen te brengen.
Lissabon heeft ook een strand, dat op de laatste middag nog is bezocht. De stad ligt niet direct aan zee en je moet er dus wel een stukje voor reizen. Het is wat betreft reistijd ongeveer hetzelfde als van Amsterdam naar Zandvoort. Eerst met de metro, dan een stuk met de bus en dan met een soort treintje met open wagons naar het Praia Caparica. Het treintje is een erg leuk boemeltje, dat op smalle rails door het zand helemaal langs het strand rijdt. Eigenlijk is ook het strand zelf vergelijkbaar met dat van Zandvoort. Naaktstrand, weinig voorzieningen, veel ruimte, maar wel veel hogere golven en een paradijs voor surfers. Het fotoserietje van Chiado en het strand staat op:
De laatste stop van het Portugal-reisje was natuurlijk Lissabon. Alleen al de voorname manier waarop je over een van de brede bruggen over de Taag de stad binnenrijdt is de moeite waard. Maar in de stad zelf heb je niks meer aan de auto, dus die is snel op de luchthaven ingeleverd. De rest deden we met de metro en we zaten lekker in een appartement in het centrum, dicht bij Rossio, het belangrijkste plein van de stad. Pórtugal is al het land van de tegeltjes, maar Lissabon is dat helemaal. Het geeft de stad een heel kleurige aanblik, geaccentueerd door allerlei creaties op blinde muren die variëren van ‘graffiti’ tot ‘street art‘ (van ‘geklieder’ tot ‘kunst’, zullen we maar zeggen). Ik was er vijftien jaar geleden voor het laatst, maar als er één ding is veranderd, is het wel het toerisme dat enorm is toegenomen. We kunnen daar natuurlijk van alles van vinden, maar enige bescheidenheid past ons, want we zijn zelf ook toeristen.
Zo is een van de attracties de ‘Elevador‘, een lift die je naar een hoger gelegen stadsdeel brengt. Destijds liep je er zo naar binnen, nu stond er een rij met een wachttijd van meer dan een kwartier. Niet doen dus, temeer daar je sneller via steile steegjes naar boven kunt. Om dezelfde reden hebben we een hooggelegen park, dat hoorde bij een kasteel met mooi uitzicht over de stad en de Taag, ook niet bezocht. Toen kon je er ook zo in, maar nu werd het park afgeschermd door kassa’s en streng kijkende types. Deze keer hebben we vooral door de benedenstad gescharreld. Steile straatjes, oude trammetjes, rommelige wijkjes, terrasjes, betegelde huisjes en een gezellig aangename mix van autochtonen, toeristen en mensen uit de vroegere kolonies (Mozambique, Angola en Brazilië). Auto’s hebben hier inderdaad weinig te zoeken. De straatjes zijn daarvoor te smal en te steil. Ook hangt er veel wasgoed, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat dit onderdeel is van ‘Lisbon Promotion‘, omdat het nét een beetje te keurig en kleurig was. Deze fotoserie gaat vooral over Alfama en Baixa, de twee wijken in de benedenstad. Kijk maar op:
Om het binnenland van Portugal te bekijken is september eigenlijk niet de beste maand. De zomers zijn hier meedogenloos en je rijdt dan door gele landschappen, je verbazend hoe het vee er nog wat voedzaams uit kan halen. Delen van het gebied zijn door bosbranden geteisterd, hoewel dat in sommige gevallen al enkele jaren geleden was en de geblakerde delen alweer door nieuw groen zijn bedekt. Ze zeggen dat bosbranden daarom juist goed zijn, maar ik vond de aanblik zelfs met nieuw groen toch wat minder. Hier en daar zie je gekapte stroken en brandgangen om de bewoonde gebieden zoveel mogelijk te beschermen. Het gebied grenst aan de Extremadura, de kurkdroge en hete braadpan van Spanje.
De hitte valt hier overigens nog wel mee omdat je de verkoelende invloed van de Atlantische Oceaan al merkt. Vooral als je af en toe dicht langs de kust rijdt met zijn prachtige hoge rotsen en vissers die met lange staken toch nog wat vis hengelen uit de meters lager tegen de rotsen beukende oceaan. Het leukste zijn nog wel de dorpjes waar je doorheen komt. Rond het middaguur is er de siësta en komt het leven helemaal tot stilstand. Niks geen ‘twentyfour-seven’ hier dus. De dorpjes zijn vaak compact, met smalle straatjes, alleen toegankelijk voor piepkleine autootjes. Sommige huizen zijn vervallen met afgebladderde muren, leuk om de fotograferen, maar minder om in te wonen, lijkt me zo. Andere juist weer strak in de verf, maar alles in felle kleuren, soms met tegeltjes, mooi afstekend tegen de blauwe lucht. De foto-impressie staat op:
Sagres ligt op de uiterste zuidwestpunt van Portugal. Hier vinden ze het leuk om het aan te duiden als het einde van de wereld, maar dat is natuurlijk niet zo. Maar wel het einde van continentaal Europa, tenminste als je naar het zuidwesten rijdt. En dat wordt dus veel gedaan, niet alleen met auto’s, maar ook veel met motoren met dito publiek en zelfs fietsers, die een markering met ‘km 0’ als eind- dan wel beginpunt beschouwen. Ten oosten daarvandaan begint de massa-toeristische Algarve, vol hotels en hoogbouw, die we dus hebben gemeden. Naar het noorden, de westkust dus, begint tot Aljezur een ruig gebied, een tikkeltje meer winderig en ook koeler, maar veel minder toeristen. Het is een van mijn favoriete gebieden en het is nu al de vierde keer dat ik hier ben. Het is een beschermd natuurgebied en hotels en hoogbouw zijn hier taboe. In al die jaren is hier dan ook niet veel veranderd. Veel voorzieningen zijn er trouwens ook niet.
In Carrapateira, een van de mooiere dorpjes daar, is er dan wel een bar voor een kop koffie en een broodje, maar restaurants zijn er niet. Even verderop, naar de zee, is er wel zoiets, maar meer dan een bouwsel van aan elkaar getimmerde planken is het niet. Maar vis eten kan je er prima. Alleen Sagres en Aljezur zijn iets grotere plaatsen, maar ook die zijn in al die jaren nauwelijks veranderd. Alle reden om er weer eens een paar dagen neer te strijken, nu we toch in de buurt zijn. Er zijn prachtige lange en nagenoeg lege stranden. Mooie zee, met hoge, maar ook gevaarlijke golven. En een walhalla voor surfers, die er ook een eigen dresscode op na houden: lange haren, soms met knotje of paardenstaart, baard van drie dagen, een surfplank onder de arm en vaak overnachtend in rommelige oude volkswagenbusjes. Dat alles geeft het gebied een wat hippie-achtige, zelfs anarchistische sfeer. Heerlijke paar dagen gehad daar en de foto’s staan op: