De afspraak met mijn buurman John, die een huis in midden-Italië en daar dus ook een tweede auto heeft, was dat ik zijn ‘Italiaanse auto’ terug naar Italië zou brengen en vervolgens zijn ‘Nederlandse auto’ weer uit Italië zou ophalen. Nou hoef ik over zo’n verzoek nog geen twee seconden na te denken. Ik had René gevraagd om met mij mee te rijden en ook hij hoefde er eigenlijk niet over na te denken. Je kunt er in principe in twee dagen heen rijden, maar dan zie je alleen maar autobanen. Een beter idee zou zijn om er dan meteen maar een soort vakantie- en fotoreisje van te maken. Bovendien lagen er onderweg veel herinneringen uit vervlogen tijden. Herinneringen die er door al dat gejakker over autobanen en gevlieg over de wereld wat verwaarloosd bij lagen. Dus in vier dagen naar Italië leek ons een heel werkbaar uitgangspunt.
De eerste halte was Nancy. Vaak er langs gekomen, maar meestal zonder te stoppen doorgereden op weg naar het zuiden. Nu dus niet en heel klassiek gelogeerd in een tot hotel omgebouwd stadspaleis. Vlak bij het ‘Place Stanislas’, omgeven door monumenten van een grote grandeur, zoals het operagebouw en het evenmin klein uitgevallen Hotel de Ville. En als je dan toch vier dagen de tijd hebt kan je ook nog een uitgebreide stadswandeling maken in de omgeving van dat grote plein. Na Nancy is voor de secundaire wegen gekozen door de Vogezen. Lekker rustig door mooie dorpjes tuffen en stoppen waar het mooi is. Dat was het reizen in de zestiger jaren.
René had herinneringen uit zijn jeugd aan Ribeauvillé. Ik ben daar later ook wel eens geweest maar herinnerde me vooral de toeristenfuik van menigten die langs de Elzasser vakwerkhuizen sjokten. Deze keer bijna niemand op straat. Je kan de coronacrisis natuurlijk de schuld geven, maar misschien kwam het ook wel door de regen, die ondanks de al blauw wordende lucht boven ons maar niet wilde ophouden. Omdat we een beetje te lang waren blijven hangen in de Vogezen, moesten we toch maar een stuk over de autobaan om Andermatt, aan de voet van de Gotthard, te bereiken, de plaats van de tweede overnachting. De fotoserie staat op:
In de afgelopen hittegolf kon strandbezoek niet ontbreken. Maar het gebruikelijke Zandvoort was op de heetste en drukste dagen eigenlijk geen optie. De trein doen we dit jaar sowieso niet en op die allerdrukste dagen hadden ze de wegen er naartoe ook nog eens afgesloten. Dan maar weer eens naar Callantsoog, een stukje verder, maar eigenlijk ben je er even snel. Om precies te zijn: naar Groote Keeten, nog een paar kilometer verder naar het noorden. Je kan er ver kijken. Op een paar kilometer afstand zie je het strand van Julianadorp en dan nog iets verder Noorderhaaks, het onbewoonde eiland ten westen van Den Helder. En héél in de verte zie je in het zuiden de vage contouren van wat vroeger de Hoogovens heette. Op een of andere manier krijg je hier – kijkend naar het noordwesten met de kaart van de Noordzee in het achterhoofd – een meer ruimtelijk gevoel van de oneindigheid van de zee.
Het strand is er heel anders dan in Zandvoort. Er is een andere duinenrij, er zijn andere mensen en zelfs de lucht is er anders. Al zal dat laatste wel toeval zijn. Maar de grootste verschillen met Zandvoort betreffen toch wel de strekdammen, die je hier bij vloed weliswaar niet ziet, maar die bij eb tevoorschijn komen. Dan ontvouwt zich het planten- en dierenleven. Op de dam en in het ondiepe water eromheen wemelt het van zeewier, mosselen en allerlei soorten krabben. De uit de kluiten gewassen meeuwen storten zich op de weerloze mosselen en krabben en aan het eind van de schranspartij resten de overblijfselen, een paar uur later weer weggespoeld door de naderende vloed. Tot de cyclus zich weer in een eindeloos ritme herhaalt. Foto’s zijn er ook gemaakt, te zien op:
Het plan was – onder meer – om het industriële erfgoed van het Ruhrgebied wat nader te bekijken. Een overzicht daarvan was gegeven in een tamelijk knullig en onoverzichtelijk samengesteld gidsje, maar na een avondje puzzelen op de hotelkamer kwamen we er wel uit en konden we een soort van programma samenstellen. Dachten we…! Het Ruhrgebied is even groot als half Nederland. Als je er dus wat van wilt zien leg je meteen grote afstanden af. Het is dan ook zaak om de dingen een beetje in een handige volgorde te doen. Gelukkig zijn er veel autobanen, dus je kunt vrij snel van de ene naar de andere bezienswaardigheid rijden, zelfs als de volgorde achteraf toch wat onhandig bleek. Daarbij kwam wel dat er veel gesloten was, wegens renovatie of corona. Of ze hadden het aantal bezoekers beperkt en had je van tevoren online moeten boeken.
Bovendien was het al die dagen ontzettend heet, waardoor ons voorgenomen erfgoed-bezoekje toch niet helemaal is geworden wat we ervan hadden gehoopt. Maar iets wat wél is gelukt – en wat ook tamelijk bijzonder was – was nog wel het bezoekje aan de zweefbaan van Wuppertal. Het ziet er futuristisch uit, maar de baan is al meer dan honderd jaar oud. Nee, geen kermisattractie, maar goed functionerend openbaar vervoer in een stad met ruimtegebrek en een mooi alternatief voor een metro. Daarvan heeft de aanleg ook zo zijn bezwaren, weten we in Amsterdam maar al te goed. Het is een hangende trein, volgens mij uniek in zijn soort. We maken meteen maar een ritje, van begin- naar eindpunt en weer terug.
Tenslotte Düsseldorf zelf, niet héél bijzonder, maar evenals Keulen fraai gelegen aan de Rijn. Bovendien zijn in het voormalige havengebied oude fabriekspanden in gedurfde architectuur omgebouwd tot hippe appartementen en bedrijfspandjes. Zo was er dus toch nog wat onverwacht erfgoed. We slenteren op onze laatste dag door dat gebied en zoeken verkoeling in de schaduw met een ijsje én in de hoge TV-toren, waar we de stad weer vanuit een ander perspectief konden zien. Verder hadden we het geluk een hotel te hebben in een van de leukste wijken van de stad, met op de hoek ons vaste Italiaans eethuisje, dat ook nog eens ontzettend lekker koud bier had. En zo had ons toch al memorabele bezoekje aan het Ruhrgebied elke dag wel weer een mooi einde. De foto-impressie ervan staat op:
Het Ruhrgebied: meestal rij je er snel dwars doorheen, op weg naar betere oorden. Maar door een afgelast zwemtoernooi van Marcel in Düsseldorf en een al betaald hotel aldaar, zijn we er dan toch maar vijf dagen heen gegaan en hebben er dan maar het beste van gemaakt. Dat is natuurlijk niet het állerbeste uitgangspunt voor een bezoek. Temeer daar het ook nog eens zo’n 35 graden was, en een normaal mens zoekt dan al helemáál betere oorden op. Wij niet dus…! Het Ruhrgebied is erg dicht bevolkt. Het is even groot als half Nederland, maar heeft meer inwoners dan héél Nederland. Het imago wordt nog steeds bepaald door de oude zware industrie.
Van dat imago van kolen en staal met dito luchtvervuiling komen ze maar met moeite af. Geen wonder dus dat de meesten dwars door het Ruhrgebied heen rijden. Maar toch is vrijwel alle zware industrie al lang verdwenen en de bewoners hebben inmiddels andere middelen van bestaan gevonden. Het al dan niet opgekalefaterd industrieel erfgoed is het enige dat er nog van die tijd over is. Veel is inderdaad opgeknapt, voor toeristen toegankelijk gemaakt door het om te bouwen tot musea en te omgeven met fraai groen. Maar gelukkig is er ook nog wel vervallen roestig spul te vinden. Leuk om achteraf te zien, maar het vroegere werken erin leek me een stuk minder leuk. In het bezoekerscentrum in Essen bijvoorbeeld, komen we in een min of meer intact gelaten fabriekshal en krijg je een indruk hoe het moet zijn geweest om daar te werken in een orgie van staal, vuur, hitte, rook en vuile lucht.
Scheepvaart was van levensbelang voor de regio. De hoogteverschillen werden niet, zoals bij ons, overwonnen door sluizen. Maar door de toch al niet kleine schepen met nog grotere hef-installaties op te tillen naar een hoger cq. lager niveau. Een vrijwel oorspronkelijke installatie vinden we aan het Dortmund-Ems-kanaal. De nieuwe middelen van bestaan in het Ruhrgebied worden nu vooral gevonden in de alleszins leefbare steden, zoals Düsseldorf zelf, maar ook Keulen op steenworp afstand. Keulen staat in de top-5 van fraaiste steden van Duitsland, mede dankzij de Dom en de ligging aan de Rijn. We slenteren langs de rivier en dankzij enkele rondjes in een reuzenrad kunnen we de stad ook nog eens van boven bekijken. Al met al interessant om nu eens te zien waar we in al die jaren snel dwars doorheen zijn gereden. Die eerste indruk is vastgelegd op:
26 juli 1920: dat was de geboortedatum van mijn vader. Dat betekent dus dat hij zondag honderd jaar zou zijn geworden. Reden genoeg voor mijn familie om daarbij stil te staan en herinneringen aan hem op te halen. Dat in het kader van een ‘familiedag’, die we sowieso elk jaar organiseren. Het gebeuren had plaats in Sulzberg, een klein Duits plaatsje in de Allgäu, aan de rand van de Alpen, waar mijn zus Hedwig nu al weer ruim dertig jaar woont. Zij had een excursie geregeld naar het ski-dorp Oberstdorf, dat vooral bekend is van het ski-springen. Onderdeel daarvan was een rondleiding bij de schans, een van de grootste ter wereld. Het is dan ook een Flugschanze, een ‘vliegschans’ dus, in tegenstelling tot een ‘gewone’ springschans, eigenlijk een beetje een B-categorie dus. Alleen al de aanblik aan de onderkant van deze vliegschans doet je de adem benemen. We krijgen een uitvoerig exposé over de techniek van het springen, wat de risico’s zijn, wat de hoek van de landing moet zijn en hoe de puntentelling werkt.
Het indrukwekkendst was nog wel de tocht naar boven. Eerst naar de ‘afspring-tafel’, waar de eigenlijke vlucht begint. Vervolgens met de lift verder naar boven, waar je uitkijkt over het spoor waar de snelheid wordt opgebouwd, op de afspring-tafel en heel diep beneden op de plaats van de landing. Ski-springen lijkt me niet een sport die je kunt oefenen door er langzaam een vaardigheid voor op te bouwen. Ooit moet je de eerste sprong maken. Toch beginnen de meesten er al op jonge leeftijd aan door gebruik te maken van de instapmodelletjes die rond Oberstdorf zijn gebouwd, maar ook die lijken me al behoorlijk ambitieus. De festiviteit werd voortgezet in het Oostenrijkse Mittelberg met een wandeltocht naar een berghut, naar keuze ook eventueel per kabelbaan. Het vervolg laat zich raden: eerst bier op de houten banken buiten, een uurtje rust en vervolgens eten, drinken en tussendoor het ophalen van herinneringen aan onze vader. Ik denk dat mijn vader erg tevreden zou zijn, als hij dit allemaal zou zien. En als hij dit niet kan zien, dan toch zeker wel deze foto’s die ik in the cloud heb gezet:
Sabina: zo heet de streek rond Collevecchio. We hebben de actieradius wat vergroot en wat rondgetoerd door die streek. Rome, ook dichtbij, hebben we maar gelaten voor wat het is. Behalve dan die ene keer toen ik Enzo, een Italiaanse vriend van John, bij een autoverhuurbedrijf in een treurige buitenwijk van Rome heb afgezet. Al krijgt die stad hopelijk in september nog een herkansing. Maar ook zonder Rome is hier genoeg te zien als je goed kijkt. Sabina lijkt in de verste verte niet op iets van een stedelijk gebied. Integendeel, het is een streek van verstilde – helaas ook leeglopende – dorpjes. Op vrijdag maken een tochtje langs Cantalupo, Casperia, Roccantica en Poggio Catino. Allemaal compacte dorpjes op een heuvel, vanwaar je vroeger de vijanden goed kon zien aankomen. En erg fraai afstekend tegen de Apennijnse bergen op de achtergrond. Maar bijna geen mens op straat. Casperia is daarbij een uitzondering, want dat wordt nog wel een béétje in leven gehouden door de Engelsen en Amerikanen die er zijn neergestreken. Het tochtje van vrijdag eindigde alleen halverwege jammerlijk in de regen, zodat we het niet helemaal hebben kunnen afmaken. Ook dat moeten we dan in september nog maar eens overdoen.
Zondag rond het middaguur een wandeling gemaakt naar Cicignano, zo’n 4 kilometer van Collevecchio. Even ontsnappen aan de zoete inval, alléén met het landschap, de krekels en de camera. Je passeert dan eerst het dorpskerkhof van Collevecchio. Hoewel de dorpen leeglopen, horen de doden er nog steeds bij. Op zondag rond twaalf uur is het er erg druk met nabestaanden, die met bloemen hun dierbaren gedenken. Prachtige omgeving, maar niet echt passend om daar in die drukte dan foto’s te maken. Dan maar verder naar Cicignano, een stuk verderop, ook al zo’n klein dorpje met nog geen honderd inwoners, die zo te zien allemaal binnen zitten. Ik had gehoopt na een wandeling in de brandende zon daar mijn dorst te kunnen lessen, maar horeca was er niet. Er gebeurde daar eigenlijk helemáál niks, behalve dan om twaalf uur het klokgelui van de kerk. Maar ook dát leidde niet tot enige activiteit. Op de terugweg toch nog maar even langs het kerkhof. Toen was er niemand meer. Ik kan op dat soort plaatsen altijd in gedachten verzinken. Hoe oud zijn de doden geworden, wanneer zijn ze overleden en wat deed ík toen? Verder worden de doden hier niet onder de grond begraven, maar opgeborgen in bovengrondse tombes. Zo horen ze er dus toch nog een beetje bij. De Sabijnse indruk staat op:
Collevecchio, zo’n 60 kilometer boven Rome, is een piepklein compact dorpje van zo’n 1500 inwoners. De gemiddelde leeftijd is hoger dan het gemiddelde elders, lijkt me zo. Het dorp is dan ook aan het leeglopen. Vijf jaar geleden is het laatste restaurant gesloten en sinds vorig jaar is er ook geen geldautomaat meer. De aardbeving van 2016 heeft ook niet geholpen en sommige huizen zijn nog steeds gestut. Ik loop er dan ook met een dubbel gevoel rond. Enerzijds is het heel fotogeniek. Toeristen vinden dit geweldig, zolang ze er zelf maar niet hoeven te wonen. Anderzijds zie je hier de neergang van een dorp dat betere tijden heeft gekend en het voelt dan ook niet helemaal goed om hier ostentatief met een camera rond te lopen. Ondanks al datgene dat er niet meer is, zijn er toch ook nog dingen wél. Zoals een buurtsuper, een kapper en een klein winkeltje waar je rookwaar, allerlei snuisterijen en staatsloten kunt kopen.
En natuurlijk is er DE bar, aan het allerleukste pleintje van heel Italië, waar we elke ochtend ontbijten. Dat is inmiddels een ritueel van minstens anderhalf uur, waarin we cappuccini en cornetti met crème en chocola naar binnen werken. Het is het epicentrum van het dorp, iedereen verzamelt zich daar en er worden nieuwtjes en roddels uitgewisseld. In die anderhalf uur hebben we dan het hele dorp zien langskomen en ook begroet. En ook zijn er mensen, die moeite doen om de neergang op zijn minst tegen te houden. Zoals het schoonhouden van binnenplaatsjes, het verzorgen van bloembakken en elkaar de helpende hand toesteken. Of anders komt het tegenhouden van de neergang wel van het handjevol buitenlanders, die de vervallen pandjes opknappen en die hier als welkome gasten worden gezien.
John had zijn handen vol aan het op orde brengen van het huis. Het is – door de heftige lock-down in Italië – dit jaar nog niet verhuurd geweest en zelf is hij er ook nog niet geweest. Er was in die tijd wel toezicht, maar er gaat in zo’n lange tijd toch van alles kapot, vooral kleine dingetjes. En dus was het de hele week een heel georganiseer en een komen en gaan van allerlei ‘mannetjes’, waarmee John de boel weer een beetje op orde kon brengen. Mijn eigen levensritme paste zich wonderwel aan dat van het dorp. Of het nou door de hitte komt of door de vermoeidheid van de lange reis weet ik niet, maar sinds onze aankomst zaterdagavond overvalt mij een soort loomheid, waar ik me helemaal aan overgeef. Ik had mijn hardloopschoenen meegenomen, maar bij het zien van die steile hellingen in de hitte wordt me de lust tot dat soort activiteiten helemaal ontnomen. Nee, dan is het zwembad beter, waar ik me in de middag met twee meegenomen boeken onder een parasol nestel en, als het te warm wordt, even een duik in het water neem.
En dan is er natuurlijk nog corona, die vooral in Noord-Italië heeft huisgehouden, maar die hier eigenlijk nog niet echt is doorgedrongen. Maar de angst ervoor is overal in Italië alom aanwezig. Het begon al in Turijn, waar in het hotel twee keer onze temperatuur werd gecheckt, met zo’n apparaatje waarvan ik dacht dat ze dat alleen maar in China hadden. En het mondkapje is ook in Collevecchio de norm. Zelfs in de auto moet je er een dragen, als je tenminste met iemand in de auto zit met wie je geen huishouden voert. In het katholieke Italië worden inmiddels wel weer kerkdiensten gehouden, maar nog wel op een parkeerterreintje naast de kerk in de open lucht, hoewel de belangstelling nog niet echt overhoudt. Een indruk van het dorpse leven staat op:
Al een aantal jaren staat er een uitnodiging van mijn buurman John om eens een aantal dagen te gast te zijn in zijn huis in Italië. Het kwam er eigenlijk nooit van, hoewel het land sinds mijn eerste bezoek als 18-jarige altijd een speciaal plekje in mijn hart heeft behouden. Maar afgelopen januari is het plan eindelijk concreet gemaakt en is een treinreis geboekt voor in april. Die treinreis ging om inmiddels overbekende redenen niet door, maar afgelopen donderdag is de koe dan echt bij de horens gevat en zijn John en ik vertrokken. We gingen niet meer met de trein, want dat bleek achteraf veel te ingewikkeld. En al helemaal niet met het vliegtuig, want dat vonden we nog steeds niet echt veilig. Maar wel met de auto en dat bracht meteen dat ouderwets romantische reisgevoel met zich mee. Dat gevoel zijn we met al dat gevlieg over de wereld toch wel een beetje kwijtgeraakt. Want is eigenlijk de helft van de pret van het reizen niet het onderweg zijn? Mits het een beetje relaxed gaat natuurlijk, je regelmatig onderweg stopt, en dan maar kijken wat zich voordoet.
De reis ging naar Collevecchio in midden-Italië, zo’n 60 kilometer boven Rome en we hadden besloten er drie dagen over te doen, met overnachtingen in Nancy en Turijn. Spotgoedkoop, want er waren nog steeds maar een handjevol andere gasten in de hotels. In Nancy een mooi hotel in de binnenstad, dat ooit een soort stadspaleis moet zijn geweest. In Turijn het tegenovergestelde: buiten het centrum, hypermodern en de kamer boordevol geavanceerde elektronica. Zoveel, dat het me nog heel wat moeite kostte om voor het slapen gaan alle lichten op de kamer uit te krijgen. Ook zorgden we ervoor niet alleen maar over de autobaan te scheuren en met name op de tweede dag tussen Nancy en Turijn ging het vooral over secundaire wegen door de Jura, lang lunchen onderweg, langs het meer van Genève en over de Grote St. Bernardpas.
Op die dag liep het wat betreft tijd dus flink uit de hand, zodat we mede door een flinke onweersbui vlak voor Turijn met erg veel water op de weg pas rond 10 uur bij het hotel in Turijn aankwamen. Daar was het eten al op, maar het hotelpersoneel wist nog wel een pizzeria in de buurt en was zo aardig om even te bellen dat we eraan kwamen. En ouderwets reizen betekent ook, als er dan toch nog veel autobaan is, af en toe van de weg af gaan en zomaar een stad binnenrijden voor een lekkere cappuccino, zoals in Piacenza in de Po-vlakte. Of een kijkje nemen bij het Trasimeense Meer, waar Hannibal ooit slag leverde met de Romeinen. Zaterdagavond na een mooie, maar ook wel vermoeiende reis, beland in Collevecchio. Hoewel de combinatie autorijden en fotograferen niet echt handig is, is er toch nog wel een serie gekomen op:
Vrijdag met René maar weer eens het stalen ros beklommen. Meestal gaan we wandelen, want dan zie je onderweg toch meer. Het fietsen zelf is dus niet het doel, maar de fiets is meer een handig middel om toch een beetje een actieradius voor het fotograferen te hebben. Er was mooi fotoweer beloofd, behalve dan dat ene niet beloofde kleine regenbuitje in het begin. Mooi fotoweer betekent voor mij Hollandse, scherp afgetekende wolkenpartijen met dreigende donkere luchten op de achtergrond en de foto-objecten dan in de zon, dan wel wat meer belicht. Dat vind ik voor foto’s ideaal, want te veel lichte lucht als achtergrond maken je foto-object juist te donker.
Deze keer ging het door het poldergebied ten zuiden van Amsterdam. Beginpunt was de Gaasperplas. Voor mij een nieuw gebied. Uithangplek van Amsterdam-Zuidoost, dat ik ook niet goed ken, maar dat zo te zien in positieve zin een metamorfose heeft ondergaan, vergeleken met het imago waar dit stadsdeel maar met moeite van af komt. Ook daar een populaire plek voor yoga-klasjes, die je de laatste tijd overal in de stad ziet opduiken, nu de indoor-sportscholen nog gesloten zijn, of hooguit schoorvoetend opengaan. Vanaf de Gaasperplas ging het via Driemond langs het Gein. In eerste instantie nog wel bekend terrein, maar daar waar – zoals meestal – je rechtsaf gaat naar Abcoude, nu eens een keer linksaf naar wat meer ónbekend terrein.
Ineens sta je dan plotseling voor Fort Nigtevecht, onderdeel van de Stelling van Amsterdam met zo’n dertig verdedigingsforten. Het fort is rond 1900 gebouwd en het oorspronkelijke ontwerp is redelijk intact. Net als dit gebied is ook dit fort relatief onbekend, omdat het vanaf Nigtevecht eigenlijk alleen met een grote omweg te bereiken was. Was…, want sinds 2018 ligt er de ‘Liniebrug’, een nieuwe fietsbrug over het Amsterdam-Rijnkanaal. Omdat er flink grote en ook hoge schepen onderdoor moeten kunnen is deze brug extra hoog aangelegd, heeft daardoor een prachtig ontwerp en je kan er alleen maar op en af via een paar haarspeldbochten. Leuk voor fietstoeristen en hardlopers die bergop willen trainen. Maar ook voor ons, want als kadootje krijg je dan een fraai uitzicht over het scheepvaartverkeer en de bepaald indrukwekkende schuiten die onder je door varen. Het resultaat van dit fietswandel-fotodagje staat op:
Ondanks het af en toe wisselvallige weer in juni, waren er toch nog wel een aantal echte ‘Zandvoort-dagen’. Voor Zandvoort komt het weer vrij precies: het moet warm en zonnig zijn en vooral niet te veel wind. Hoewel René een tentje heeft, waar je je tegen wind en ook overmatige zon kunt beschermen. Een nieuwigheid is dat we nu met de auto naar Zandvoort gaan. De treinen hebben nog steeds de helft van de capaciteit beschikbaar. En als het mooi weer is zijn er vooral in de avond veel te veel mensen tegelijk, die naar huis willen. Dat betekent ófwel niet mee kunnen, ófwel wél mee kunnen, maar dan met de kans op heel veel mensen binnen je anderhalve-meter territorium.
Ik had altijd het idee dat er naar Zandvoort altijd files en niet genoeg parkeerplaatsen zijn, maar dat viel uiteindelijk mee, als je tenminste niet in het weekend gaat. Er waren twee dagen met echte oostenwind en dan zijn er wel veel kwallen. Ze zijn er in alle soorten en maten, het zijn eigenlijk vieze beesten, maar erg mooi om te fotograferen. Het was ook vaak helder weer en dan kan je vanaf de duinentop verrassend ver kijken en zelfs de skyline van Den Haag is dan goed zichtbaar. Erg fraai was nog wel de dreigende onweerslucht in het zuidwesten en de rook van brandende autobanden op het circuit naar het noordoosten. Deze juni-impressie is in beeld gebracht op: