Haarlem heeft de Sint Bavo. Die staat daar al 500 jaar op de markt en is een van de bekendere monumenten van Nederland. Na de reformatie en de beeldenstorm werd de kerk door de protestanten in gebruik genomen. Maar toen Haarlem weer een bisdom werd, moest er dus een nieuwe Bavo komen en die is ruim 100 jaar geleden gebouwd. Die tweede Sint Bavo was de aanleiding voor een bezoekje aan Haarlem. Want als afsluiting van een jarenlange restauratie bestond de mogelijkheid om niet alleen de kerk, maar ook beide torens te bezichtigen met een ‘klim naar het licht’. En zelfs over een luchtbrug van de ene naar de andere toren te lopen. Normaal zijn de torens niet toegankelijk, dus was het een buitenkans om vanuit die torens bij dat prachtige weer foto’s te maken. Dus met de trein naar Haarlem en wat je dan meteen merkt, als je het station uitloopt, is de rust op straat. Kennelijk zijn we zó gewend aan de Amsterdamse kermis, vooral bij het Centraal Station, dat juist de rust opvallend is.
Toch zijn ze in Haarlem er niet gerust op, zo tekenen we op uit de mond van autochtonen die we spraken. Veel Amsterdammers zijn hier inmiddels neergestreken en het toerisme schijnt hier ook toe te nemen, hoewel het me hier nog bepaald niet opvalt. De oude Bavo hebben we even gelaten voor wat hij is. Ik vond die nieuwe Sint Bavo een van de meest onderschatte kerken van Nederland. Hij is relatief onbekend, je ziet hem vanuit de trein als je naar Leiden reist en dat is het dan wel. Onbekend dus, maar bij nader inzien bepaald niet de minste, vond ik. Halverwege de klim kon je aan de binnenkant de koepel rondlopen en vandaar fraai de kerk inkijken. Het uitzicht vanaf de torens geeft weer een heel andere kijk op de wereld. Amsterdam is goed zichtbaar en laat zich redelijk fotograferen. Leiden en Den Haag zijn ook nog wel zichtbaar, maar niet meer goed fotografeerbaar. Opvallend vond ik het vele groen in de stad en dus geen wonder dat Haarlem zo in trek is als woonstad. Dat was ook te zien op de terugweg naar de markt in de kleine steegjes waar bijna iedereen een tuintje voor de deur heeft of hier en daar zelfs een mini-terrasje. Tot slot lekker bier gedronken op een terras aan de voet van de Sint Bavo, de oude Bavo, dat dan wel weer. De foto’s van het Haarlemse tripje staan op:
Mijn blog staat inmiddels vol stukjes en fotoseries van overal, maar de buurt waarin ikzelf – nota bene – al 25 jaar woon ontbreekt nog: de Plantagebuurt. De reden zal wel zijn dat je elke keer denkt dat het altijd nog wel een keertje kan. Maar als er dan ineens een beeldbepalend monument uit de buurt wordt gesloopt, wordt het toch wel urgent. Deze week reed ik langs het voormalige verzorgingshuis Sint Jacob en zag dat het al bijna helemaal was verdwenen. Hoog tijd om dat voortdurend uitgestelde voornemen nu maar eens aan te pakken, want als zo’n monument eenmaal weg is, weet je een maand later al niet meer wat er ooit heeft gestaan. Een fotoserie van de Plantagebuurt begint met de afbakening wat eigenlijk de grenzen van de buurt zijn. Er zijn gemeentegrenzen, in Amsterdam zelfs stadsdeelgrenzen, maar ik weet niet of er officiële buurtgrenzen zijn.
Voor het gemak heb ik maar een denkbeeldige cirkel getrokken van ongeveer 500 meter rond mijn woning, me verbazend over wat voor moois er in die cirkel te zien is. Het is een studentenwijk en dat brengt een aangename mix van woningen en horecagelegenheden met zich mee. Nergens kan je op zomeravonden gezelliger een pizza eten dan op het trottoir van de Plantage Kerklaan. Het universitair complex aan de Roetersstraat even verderop is grondig verbouwd. Het heeft jaren geduurd, maar dan stáát er ook wat. Sinds ik niet meer werk kom ik er nauwelijks meer maar verbaasde me erover hoe fraai het er nu uitziet. Aan de overkant, aan de Sarphatistraat, is een mooi hotel gekomen, dat de vervallen gevel daar heeft vervangen. Hotels zijn natuurlijk voor toeristen en daar hebben we er in Amsterdam meer dan genoeg van. Maar de Plantagebuurt ligt net buiten de zwaarbelaste zones. Hier valt het (nog) mee en vind ik de toeristen eerder bijdragen aan die aangename mix. Behalve dan misschien de boten. Die zijn vooral een excuus om veel lawaai te maken en stevig te drinken, niet alleen door toeristen maar vooral ook door autochtonen die vinden dat ze iets te vieren hebben. Op warme zomeravonden kunnen we daarvan aan het Entrepotdok meegenieten. Maar daar schijnt de gemeente binnenkort een stokje voor te steken. Als het tenminste gaat lukken, want de oppositie is sterk.
De buurt is ruim voorzien van groen. In combinatie met prachtige straten, zoals de Henri Polaklaan, het kleine Wertheimparkje met het Auschwitz-monument, maar vooral Artis. Het Kadijkseplein vind ik een onderschat pareltje. Hier komen nauwelijks toeristen, er is ook geen lawaai, maar gezellige terrassen met uitzicht op het Oosterdok, het Scheevaartmuseum en in de verte de bouwput, waar booking.com een knots van een hoofdkantoor gaat neerzetten. Dynamiek is er dus ook en de buurt oogt bepaald niet ingeslapen. Al met al is het een heerlijke woonbuurt waar ik me al 25 jaar helemaal thuis voel. Hoe de buurt er vandaag bij ligt staat op:
Den Bosch: een stad waar ik geregeld kom. Deze keer op bezoek bij Bert, een dorps- en middelbare school- genoot uit mijn Twentse (Tubbergse respectievelijk Oldenzaalse) tijd, dus inmiddels meer dan vijftig jaar geleden. Thans heel voornaam woonachtig in Den Bosch, letterlijk in de schaduw van de Sint Jan. Lekker bijgepraat over toen, maar ook over hoe het leven sindsdien is verlopen. En de stad bezichtigd, me verbazend dat je ondanks een geregeld bezoek aan die stad toch elke keer weer wat nieuws ziet. Om te beginnen de Sint Jan. Als je de details aan de buitenkant bekijkt, zie je wat voor onbegonnen werk het eigenlijk is om al deze details intact te houden en te beschermen tegen weer en wind. Ook binnen wat beter bekeken en nu ook eens achterom gekeken naar het enorme en zelfs wereldberoemde orgelfront.
De Parade, naast de Sint Jan, staat vol kastanjebomen, die langzaam het slachtoffer worden van een of andere ziekte. Inmiddels zijn er enkele gerooid en men schijnt nu zelfs van plan te zijn om álle bomen te rooien. Het is een prachtig plein en het zal dus nog wel even duren voordat er weer nieuwe bomen staan en het plein in die zin is hersteld. Ik vind trouwens dat een plein met een dergelijke uitstraling beter verdient dan kastanjebomen. Platanen, zoals je vaak in Frankrijk ziet, zouden hier dan ook niet misstaan, lijkt me zo. In het voormalige Stedelijk Museum (thans Design Museum geheten) was een expositie over ontwerpen in ‘Modern Nederland’ in de late 60’er, 70’er en 80’er jaren. Ik kan me de meeste dingen goed herinneren en nu valt me pas op hoe strak en minimalistisch de vormgeving destijds eigenlijk was.
Ook de Jacobskerk, vaak langs gekomen, nu maar eens een keer bezocht. Hier is het Jheronimus Bosch Art Center gevestigd. Een mooi overzicht van het werk van deze Bossche kunstenaar, maar toch merkwaardig dat geen enkel origineel werk van hem in Den Bosch te zien is, maar verspreid is over – overigens niet de minste – musea elders in de wereld. Tot slot de stadswal eens beter bekeken. Mooi met groen omgeven en hier en daar nog Middeleeuws van oorsprong en er wordt hard gewerkt om die in de oorspronkelijke staat terug te krijgen. Met behoud van zoveel mogelijk originele delen, die er prachtig verweerd bij staan, maar ook hier zie je hoe lastig het is om originele onderdelen intact te houden. De fotoserie staat op:
Het jaarlijkse familie-uitje zou deze keer door mij worden georganiseerd. Waar beter dan in Amsterdam, hoewel het vooruitzicht van ruim 1 miljoen toeristen in een stralend Paasweekend het ergste deed vrezen. Het concept van zo’n uitje is altijd eenvoudig: eerst koffie met gebak, daarna iets educatiefs, dan bier en tenslotte ergens eten. Gezelligheid staat voorop. Voor het educatieve deel heb ik Antoon, een vriend van mij, gevraagd, gepokt en gemazeld als kenner van Amsterdam. Hij zou ons door een toeristen-luwe, maar niet minder aantrekkelijke wandelroute gidsen, door de zuidwest-kant van het centrum. Maar met Antoon aan de leiding en mijn broers en zussen aan mijn zijde, begon ik mij ook ineens toerist te voelen, terwijl ik hier toch al 25 jaar woon. Beginnend in de Hallen, via de Helmersbuurt met zijn vroegere Wilhelmina-gasthuis, het Vondelpark en het museumkwartier. De Hallen, voorheen een tramremise en jarenlang verwaarloosd, vormen nu het nieuwe epicentrum van creativiteit, waaronder een bibliotheek en een fraai bioscoopcomplex met arthouse films.
Ook de omgeving is opgeknapt met appartementencomplexen en een fraai hotel. Alleen het food-court gaat gebukt onder zijn eigen succes, eigenlijk meer een vreetschuur met lange rijen voor een prijzig hapje eten en veel lawaai. Verrassend was nog wel een bezoekje aan de Hollandse Manege. Behalve voor de dressuur-cursisten normaal niet toegankelijk voor het publiek, maar Antoon krijgt deuren open, die voor ons gesloten zouden blijven. Gebouwd aan het eind van de 19e eeuw en binnenkort wegens renovatie weer voor een hele tijd gesloten. We hadden dus geluk! Het Vondelpark en het museumkwartier waren overigens niet zo héél toeristen-luw, maar er is veel ruimte en de sfeer is goed. De ene toerist is blijkbaar de andere niet en hier loopt toch een heel ander soort rond dan – bijvoorbeeld – op de Wallen of de Zeedijk. Tenslotte met de Noord-Zuidlijn, die ik naar mijn gevoel nu ook ineens als toerist ging bekijken, naar het Centraal Station. Het bier en het eten werd genuttigd in het EYE-filmtheater, met prachtig zomers uitzicht over het IJ. De gezelligheid was er gratis bij en de gemaakte foto’s staan op:
Het doel was de foto-expositie van Erwin Olaf in het Haagse foto- en gemeentemuseum. Maar we bleven bij aankomst in Den Haag al hangen in het Centraal Station, dat in de loop der jaren flink is verbouwd en inmiddels is veranderd in een soort glas- en spiegelpaleis. Het is wel een voornáám station geworden en je komt er in stijl de stad binnen. Op het dak, waar nu een busstation is neergezet, worden de laatste resten van de oude meuk uit de vroege 70’er jaren opgeruimd. Nu moet alleen nog dat lelijke flatgebouw aan de voorkant weg en dan is het af. Maar ik heb niet de indruk dat het ooit weggaat, hoewel een verfje daar ook al wonderen zou kunnen doen. Rónd het station wordt ook nog steeds gebouwd. Hier is een soort concentratie van alles gaande. Inmiddels zijn bijna alle ministeries er gegroepeerd, symbool van de definitieve mislukking van het spreidingsbeleid, ook al uit die 70’er jaren.
Verder is er ook nog de bouwput van een nieuw danstheater, waarvan ik even niet weet of dat nou náást of in plaats ván het bestaande Lucent-danstheater wordt gebouwd. Al met al een legitieme reden om een tijdje rond het station te blijven hangen, want er was veel fotogenieks te zien, dus de moeite waard om het eens vast te leggen. Verder door de stad geslenterd en in het museum was de expositie de moeite waard en ook drukbezocht. Erwin Olaf heeft heel verschillende thema’s gefotografeerd: van expliciet erotisch tot en met de portrettengalerij van de koninklijke familie, om maar eens iets uiteenlopends te noemen. Veel foto’s waren technisch perfect, maar het blijkt dat voor veel foto’s een heel legertje van mensen is ingezet om het gewenste resultaat te bereiken. Met kennelijk onuitputtelijke budgetten. Wat me enigszins stoorde was het allegaartje, waarmee alles is gepresenteerd. Geen echte eenheid, maar allerlei verschillende lijsten, formaten en afmetingen.
We hadden nog wat tijd over en aangelokt door het mooie voorjaarsweer is Scheveningen nog eens bezocht. Met Scheveningen wil het nog niet echt lukken. Zelfs het Kurhaus, dat een prachtige centrale hal heeft, maar die nu – behalve enkele monumentale bloemstukken – helemaal leeg stond. De pier is ook toe aan de zoveelste poging tot het inblazen van nieuw leven. Er is naast de bungy-jump toren een reuzenrad gekomen, waar bijna niemand in zat. Maar de kleuren van de pilaren waren prachtig. Er is natuurlijk ook gefotografeerd die dag. Ik heb geen foto’s van de expositie, want het is niet mijn gewoonte om foto’s van foto’s te maken. Maar je kan er natuurlijk zelf ook naar toe, nog tot 12 mei a.s. En Den Haag zelf bezoeken kan daarna natuurlijk ook nog. Mijn eigen foto’s staan op:
Naarden: we moesten er toevallig zijn voor een boodschap. Tegelijk maar eens de gelegenheid te baat genomen om eens een kijkje te nemen in Naarden-Vesting. Ik heb een vage herinnering dat ik er ooit eens met de fiets langs (of doorheen) gekomen ben, maar heb me eigenlijk nooit gerealiseerd dat binnen de helemaal gerestaureerde vestingmuren het oude stadje Naarden ligt. Keurig aangeharkt en straatjes waar je – bij wijze van spreken – van de vloer kunt eten. Het maakt deel uit van ‘het Gooi’, dus in de winkeltjes en de horecatentjes van de vesting wordt vanzelfsprekend de hoofdprijs gevraagd. Weliswaar keurig aangeharkt, maar op meerdere plaatsen troffen we fietswrakken aan die er al jarenlang prachtig liggen af te sterven. Blijkbaar is dat nooit opgemerkt door de gemeentereiniging, maar misschien hoort het wel heel bewust bij het ‘concept-Naarden’. Wel ligt de Grote Kerk er prachtig bij. Hier verzamelt iedereen die er in Nederland ook maar een beetje toe doet zich op Goede Vrijdag om naar de Matheus Passion te luisteren, maar ook wel om ‘zien en gezien te worden’. Het was een niet-gepland, maar wel verrassend mooi bezoekje. Gelukkig had ik de camera bij me, dus is er toch nog een foto-serietje gekomen dat staat op:
Maandag is voor de eerste keer dit jaar het stalen ros beklommen. Met prachtig weer in het vooruitzicht plande ik een fietstochtje naar broer Louis, die ten oosten van Emmen woont. Meppel leek me wel een mooi startpunt. Met de trein er naartoe en de fiets zou me dan verder leiden door het zuidelijk deel van Drenthe, dat ik tot dusver alleen maar vanaf de autobaan kende. Alleen had ik even geen rekening gehouden met de straffe oostenwind. Ik zou recht naar het oosten fietsen, dus dat betekende de hele weg tegenwind. ‘We zien dus wel’, dacht ik maar. Vaak komt bij zo’n gedachte de oplossing vanzelf. Ik had te veel zin om na de winter weer eens een fietstochtje te maken en ging me dus niet verdiepen in beren op de weg. Meppel is voor mij nog zo’n onbekende plaats. Je komt er alleen maar met de trein doorheen, op weg naar het noorden.
Maar wel een hartelijk welkom met hier nog de rood-witte letters: ‘I ameppel’. In Amsterdam zijn de letters ‘I amsterdam’ van hogerhand verwijderd, omdat het in strijd zou zijn met een nog hogere filosofie, die zo hoog is dat niemand hem begrijpt. Maar hier mag nog gewoon wat in Amsterdam dus niet meer mag. Eenmaal buiten Meppel ben je meteen in een andere wereld. Wereldproblemen lijken hier niet te bestaan, het is er ruim en schoon, de mensen groeten je vriendelijk en de bloesems steken prachtig af tegen de blauwe lucht. Na Hoogeveen verandert het land in kaarsrechte wegen langs kaarsrechte vaarten met dus ook nog een wat straffere wind. Bij Coevorden was het wel mooi geweest en had ik genoeg tegen de wind in gebeukt. Ik belde broer Louis en was diep dankbaar dat hij me even verderop in Dalen stond op te wachten met auto en fietsendrager. Ik ben dan ook nog dieper dankbaar ingestapt. Toch nog als herinnering een klein foto-serietje gemaakt, dat staat op:
Oud-West, nog zo’n vooroorlogse volkswijk, die aan alle kanten onderhevig is aan de veranderingen die in Amsterdam gaande zijn. Aan de noordkant is er de Spaarndammerbuurt, die heel strak grenst aan de toekomstige Houthavens, waar het toekomstige wonen slechts is weggelegd voor de ‘happy few’ met wel een hele dikke portemonnee. De zuidkant van Oud-West is de laatste jaren sterk ‘ver-yupt’, met de komst van de Filmhallen, de clientèle daarvan, en allerlei andere hippe dingen die de Hallen met zich meebrengen. Aan de oostkant heb je dan de Jordaan die al een jaar of twintig geleden hetzelfde proces heeft ondergaan. Daar moet je ook wel de middelen hebben om er te wonen, maar die hebben ze natuurlijk overgehouden aan de verkoop van hun auto, waarvoor in de Jordaan echt geen plaats is.
Je kan er dus op wachten dat het karakter van het laatste nog ‘onaangetaste’ deel van Oud-West ook gaat veranderen. Dat zou eigenlijk ook niet zo slecht zijn, want niet alle delen van het oude Oud-West blinken – wat mij betreft – uit door stedenschoon. Wel hebben sommige delen nog het intieme karakter van kleine dorpjes, waar iedereen elkaar lijkt te kennen. Ook heb je er wel mooie ‘Amsterdamse School’ architectuur, maar vaak verwaarloosd en slecht onderhouden. Soms zelfs ook uitgesproken lelijke dingen, maar zelfs lelijke dingen kan ik vaak ook wel weer mooi vinden. Die veranderingen zijn trouwens al gaande, want er staan hier en daar al gloednieuwe wooncomplexen. Ook is er een aantal jaren geleden een knots van een moskee gebouwd, waar heel veel over te doen is geweest, maar die er uiteindelijk toch is gekomen. We gaan het in de komende jaren dus zien hoe het zich verder gaat ontwikkelen. Hoe de wijk er vandaag bij ligt staat op:
Aangelokt door het schitterende voorjaarsweer nog maar eens een etappe gedaan uit het boekje met routes buiten de binnenstad. Deze keer in Amsterdam-Zuid, Oud- en Nieuw-Zuid, want dat schijnt te verschillen. En als toetje de Zuid-as. Toen ik in 1993 in Amsterdam een woning zocht, werd mij onder meer Zuid aanbevolen. Ik heb daar ook wel naar woningen gekeken, maar vond het – voor wat je ervoor kreeg – toen al behoorlijk aan de prijs. Ik ben er dan ook niet gaan wonen en uiteindelijk in de Plantagebuurt terecht gekomen, waar ik beslist geen spijt van heb gekregen. Later ben ik ook niet veel meer in Zuid geweest. Grote delen ervan zijn ontworpen door Berlage, met lange en brede straten en grote eenvormige wooncomplexen. Veelal Amsterdamse School, maar in de Apollo-buurt en bij het Vondelpark heb je ook wel wat voornamere villa’s en aan het water bouwsels die je als ‘goudkust’ zou kunnen kenschetsen.
Al met al is het wat betreft samenstelling wel zo’n beetje de deftigste wijk van Amsterdam. Nergens vind je meer groentejuweliers, dure kledingzaken en exclusieve soorten wijn. De geparkeerde auto’s zijn er ook gemiddeld in wat je noemt ‘het hogere segment’. Maar de wijk is goed onderhouden en alleszins het bekijken waard. Je kan zien dat er veel aandacht is besteed aan het behoud van de prachtige details, zoals bijvoorbeeld de voordeuren en het gevarieerde tegelwerk op de voorgevels. Aan het eind ook nog even een ronde gemaakt door de Zuid-as. Het domein van het grote geld en de dure advocaten. Hier doe je mee aan de rat-race en word je geleefd door de targets die van hogerhand worden opgelegd. Tropenjaren schijnen het te zijn, áls je het hier al een aantal jaren volhoudt.
Maar naast werken kan je er ook wonen. Nog steeds worden er, een beetje uit het zicht vanaf de Ringweg, kolossale wooncomplexen neergezet in – ik moet zeggen – beslist niet lelijke en in elk geval gedurfde architectuur. Nu zag het er met dit mooie weer natuurlijk ook prachtig uit, maar ik vraag me dan toch af hoe je woongenot is op winderige en regenachtige dagen. Want die heb je natuurlijk ook in Zuid. Ik bekijk dat soort wijken altijd met de vraag: “zou ik hier willen wonen?” Dan toch maar liever in de warmte, geborgenheid en gezelligheid van de binnenstad. En helemaal van de Plantagebuurt, waar ik deze maand met veel plezier precies 25 jaar woon. Maar foto’s maken kan je wél in Zuid. Kijk maar op:
Ineens lijkt het wel voorjaar en nogmaals heb ik het bekende rondje over het Oosterdok gedaan. Twee keer eerder heb ik geprobeerd om op het dakterras van het NEMO te komen, maar beide keren was het om onduidelijke redenen dicht. Gelukkig niet deze keer. Maar voor foto’s richting stad valt het daar toch tegen. Recht tegen de lage zon in, en voor de beeldbepalende gebouwen is het licht dan toch te ongunstig. Wel kan je daar de ‘Booking.com’ bouwput goed zien. Ook het Chinese bootrestaurant komt vanaf daar goed in beeld met nu toch wel een heel groot contrast met de glanzende gevels van het Oosterdokseiland. Terug door de Nieuwmarktbuurt. Als je goed kijkt krijg je het idee dat de grachtenpanden op de Geldersekade eigenlijk niet meer zelfstandig kunnen staan, maar een beetje scheefgezakt tegen elkaar aan staan te leunen. Deze week kwam in het nieuws dat het in de stad nog een heel probleem gaat worden om enerzijds tientallen kilometers kademuren te herstellen en tegelijkertijd ook de zwakke fundering van sommige panden aan te pakken. Op de terugweg is het Waaggebouw niet te vermijden, een van de meest gefotografeerde gebouwen in de stad. Alleen nog niet door mij. Bij deze dus. Evenals de rest van wat ik tegen kwam: