Nog maar eens een bezoekje aan Rotterdam. Want behalve op doorreis met de trein komen we er niet zo vaak. Ten onrechte, want het is een mooie stad geworden en er is heel wat te zien. Er was niet echt een duidelijk doel, maar als je er eenmaal bent komen de dingen vanzelf op je af, zo blijkt elke keer weer. Er was wel een vaag plan om het schip de ‘ss-Rotterdam’ te bezoeken, maar we lieten open of we dat doel zouden halen, want onderweg zouden we vast wel andere dingen van enige importantie tegenkomen. En dat was dus ook zo ! Als niet-Rotterdammer krijg je de neiging om te blijven hangen rond het station, de Coolsingel, de Markthallen, de Leuvehaven en de Euromast. Maar zo zouden we de ‘ss-Rotterdam’ nooit bereiken.
Zodoende meteen maar met de metro doorgepakt naar metro-station ‘Wilhelminaplein’, aan de voet van de Kop van Zuid. En alleen al dat metro-station was een bezienswaardigheid op zich. De Kop van Zuid heeft in de afgelopen twintig jaar een enorme metamorfose ondergaan, eigenlijk misschien nog wel meer dan de noordelijke oever. Op de Kop van Zuid domineert de hoogbouw, maar met gevarieerde architectuur en met een aangename mix van maritiem erfgoed, met natuurlijk de aanlegplaats voor niet de minste cruise-schepen. We zijn onverwacht beland in het nieuwe Fenix-museum (daarover in een volgend verslagje), maar dat museumbezoek nam zoveel tijd in beslag dat de ‘ss-Rotterdam’ niet meer is bereikt. In plaats daarvan na afloop met de snelle watertaxi naar de Leuvehaven aan de noordelijke oever voor een aangename maaltijd als afscheid van deze prachtige stad. De beelden staan op:
Binnenkort is het vijftig jaar geleden dat een ommekeer heeft plaatsgevonden in mijn levensstijl. We hebben het dan over januari 1976, de maand dat ik met roken ben gestopt, na acht jaren van toch wel stevig roken in mijn studententijd. Ik draaide immers mijn hand niet om voor een heel pakje sigaretten per dag. Tegelijkertijd moest ik maar eens wat aan lichaamsbeweging gaan doen, vond ik. Ik ben begonnen met kleine rondjes hardlopen en na enkele jaren kocht ik een racefiets, waarmee ik veel in Zuid-Limburg en de Ardennen ben geweest, met enkele uitstapjes naar de (vooral Franse) Alpen. Dat fietsen deed ik als ‘mooi-weer-fietser’ eigenlijk alleen maar in de zomer en er waren ook wel jaren dat ik niet fietste. Hardlopen kan je in alle seizoenen en in alle jaren en dat heb ik dan ook vijftig jaar gedaan, met hooguit wat onderbrekingen in verband met kleine blessures, reizen en allerlei andere smoezen dat ik niet hoefde te lopen.
Maar dit jaar 2025 was wat betreft hardlopen eigenlijk wel een uitgesproken pech-jaar. Omdat ik in het vroege voorjaar door een val van de fiets mijn schoudergewricht brak en in de vroege zomer, eveneens door een val, mijn enkelband scheurde, kon ik vier maanden lang niet hardlopen. Zo’n lange periode van ‘stilzitten’, met dito spier- en krachtverlies, is er in al die vijftig jaar niet geweest. Maar vanaf begin augustus ben ik het heel rustig gaan opbouwen en heb op een onbezonnen moment de Sloterplas-loop van zondag 12 oktober op de agenda gezet. “Je kan altijd nog niét meedoen”, zal ik op dat onbezonnen moment ook hebben gedacht. Maar de stip op de horizon bleef staan, ik heb meegedaan en de 10 kilometers uitgelopen. Ik heb in al die vijftig jaar heel wat tien-kilometers gelopen, maar deze heeft wel veel betekend. Mooie reden voor dit verslagje in het dagboek en een klein foto-serietje, met dank aan Marcel die deze keer de foto’s heeft gemaakt. De sfeerimpressie van het evenement staat op:
Het Oosterdok, dichtbij huis en in een halfuurtje loop je eromheen. Je ziet tegelijkertijd een aantal toonaangevende bezienswaardigheden van de stad. Al tientallen, zo niet honderden keren is het ommetje al gemaakt, maar een concrete aanleiding om er nu weer eens een fotoserietje aan te wijden was het bezoek van het tall ship, de Clipper Amsterdam aan het Scheepvaartmuseum. Het is een relatief nieuw schip en is in 2000 in gebruik genomen en vaart thans over de oceanen als opleidings- en charterschip voor luxe cruises, avontuurlijke zeereizen en allerlei zakelijke evenementen. En is natuurlijk te zien tijdens de Sail-evenementen, die elke vijf jaar in Amsterdam worden georganiseerd. Een andere aanleiding voor nog eens een rondje Oosterdok was de heropening van het terras op het dak van het Nemo Science Museum. Behalve dat het dak nu heel energie-duurzaam is geworden en vol ligt met prachtige groenstroken en zonnepanelen, is er nu ook een extra uitzicht-platformpje bijgekomen, dat nog weer mooiere uitzichten over de stad geeft dan voorheen. Deze keer is ook op de stand van de zon gelet, zodat een optimale belichting van de stad en zijn achtergronden kon worden verkregen. Het leven om, in en op het dok is vastgelegd op:
Oostenburg: een wijk in aanbouw op een voormalige goederenspoor-emplacement. Nadat het in onbruik raakte was het een tijdlang een no-go area, maar wordt nu bebouwd met hippe en bepaald prijzige appartementen en nadert zijn voltooiing. Het wordt een prachtige wijk maar contrasteert nu wel enigszins met het wijkje ervoor, Wittenburg, met vooral 80’er jaren baksteen-woningen. Hoewel ook dáár wordt gerenoveerd met eerbied voor industrieel erfgoed, want er is een appartementencomplex in de maak, waar ooit de ‘Nederlandsche Fabriek van Werktuigen en Spoorwegmaterieel’ heeft gestaan. Daar waar eerder dus vooral met bakstenen werd gebouwd is het op Oostenburg vooral glas en staal. Het gebruik van staal moet vooral uitstralen dat het hier om industrieel erfgoed gaat. Dus ook geen mooi gepolijst staal van de ijzerhandel, maar liever roestig en onbewerkt staal van honderd jaar oud, dat de indruk moet geven dat je hier op een voormalige fabrieksterrein gaat wonen.
En voorzover er toch bakstenen worden gebruikt, zijn ze juist bewerkt met harmoniërende kleuren en worden ze aangebracht met mooie grafische motieven. Oostenburg wordt dus heel fraai, maar je gaat er wel héél dicht op elkaar wonen. Kleine balkonnetjes met weinig zon en de overkant op praat-afstand. Centraal in Oostenburg staan de van Gendt-hallen, waar ooit stoomtreinen en dieselmotoren werden gebouwd. Duidelijk industrieel erfgoed dat goed bewaard blijft en in 2026 wordt het er prachtig en heel multifunctioneel, met onder meer horeca, kantoren en zelfs woningen. Nu nog hermetisch afgesloten, maar door de ramen krijg je toch een eerste indruk. Een samenvatting van de aanloop door Wittenburg en de huidige stand van zaken in Oostenburg staat op:
Op het Zeeburgereiland stonden al jaren drie oude, niet meer in gebruik zijnde silo’s van de rioolwaterzuivering, waarvan ze niet wisten niet wat ze er mee aan moesten. Het is industrieel erfgoed, dus ze mochten beslist niet weg. Je komt er nooit, maar je ziet ze in de verte liggen als je over de Ring-Oost rijdt. Totdat er ineens ronde bouwsels verschenen bovenop die silo’s, wat natuurlijk aanleiding was voor een bezoekje met de camera. Het blijken geen appartementen te worden. Vreemd eigenlijk, want je zou er iconisch kunnen wonen en er zullen vast wel mensen zijn, die een hoog bedrag zullen willen neertellen om daar te wonen. Geen appartementen dus, maar wel multifunctionele dingen, zo bleek na enig rondvragen in de buurt. Zoals daar zijn bovenin de eerste silo een spa, sauna en zwembad, in de tweede een theater /filmhuis en in de derde een meditatieruimte. De silo’s zelf worden parkeergarages, die het geheel financieel rond moeten zien te krijgen.
De silo’s zijn onderdeel van het Masterplan voor de hele wijk Zeeburg, de meest oostelijke wijk binnen de Ring, die zo langzamerhand flink wordt volgebouwd. Niet echt met huisjes en tuintjes, maar flink de hoogte in. Mooi voorbeeld hiervan is de nieuwe Sluisbuurt, waar nu twee eenzame ‘wolkenkrabbers’ staan, waarvan de hoogste zo’n 30 verdiepingen telt. Inmiddels helemaal bewoond, maar nog wel op een grote zandvlakte, nog zonder voorzieningen zoals winkels en andere min of meer essentiële dingen. Maar die er ongetwijfeld zullen komen, evenals natuurlijk nóg meer hoogbouw-appartementen. Want het uitzicht over het water is er adembenemend en ruimte is er ook nog genoeg. De momentopname van de drie silo’s, de Sluisbuurt en het zicht op het water staan op:
Het doel was een bezoekje aan de oude elektriciteitscentrale langs de A-10. In de volksmond heette dat complex ‘de wolkenfabriek’, een naam ontleend aan de lange rookpluim die tientallen jaren boven de stad heeft gehangen. De centrale functioneert al sinds 2019 niet meer, wordt nu eindelijk gesloopt en verkeert thans in verregaande staat van ontbinding. In deze staat zijn oude gebouwen eigenlijk het meest fotogeniek en op dit moment staat er alleen nog groot stalen staketsel, omgeven door hopen roestig afval van staal. Het uitstapje had dus enige urgentie, want voor je het weet is ook dat laatste staketsel weg en blijft alleen nog maar een bouwrijpe zandvlakte over.
Op de Google-Maps kaart stonden nog allerlei wegen rond en zelfs binnen het complex, maar eenmaal daar bleek het terrein omgeven door stevig hekwerk, waardoor het complex alleen vanaf een afstand kon worden bekeken en gefotografeerd. Een kleine tegenvaller dus, maar het werd meer dan goed gemaakt door wat er allemaal in het havengebied te zien was. De haven zit hier, anders dan in Rotterdam, niet bepaald tussen de oren van de gemiddelde Amsterdammer. Maar toch is de Amsterdamse haven de vierde haven van Europa, niet echt te verwaarlozen dus. Het onderweg zijn naar de ‘wolkenfabriek’ leverde dan ook minstens zo mooie havenplaatjes op, te zien op:
In de fotografie zijn nogal wat uiteenlopende genres te onderkennen. Niet alleen voor wat betreft de keuze van onderwerpen, maar ook voor de wijze waarop deze onderwerpen in beeld worden gebracht. Zelf heb ik natuurlijk ook mijn eigen voorkeuren, vooral als het erom gaat hoe bepaalde onderwerpen in beeld te brengen. Meestal fotografeer ik buiten en dat brengt met zich mee, dat je meestal een hoeveelheid ‘lucht’ moet meenemen. Maar die hoeveelheid wil ik in het algemeen zo klein mogelijk houden. ‘Lucht’ voegt immers weinig toe aan het onderwerp dat je in beeld wilt brengen, is vaak monotoon (zo niet grijs) met weinig contrast erin. Teveel lucht meenemen betekent dat de camera ook teveel licht ontvangt en dus automatisch gaat onderbelichten, waardoor het eigenlijke onderwerp onderbelicht blijft. Natuurlijk kun je de foto nabewerken door de donkere delen op te lichten en de lichte delen donkerder te maken. Maar als je teveel gaat prutsen aan een gemaakte foto kan het er toch wat onnatuurlijk uit gaan zien en beter is het dan ook om het dan meteen maar zo goed mogelijk te doen.
Maar soms kunnen luchten zó fraai zijn dat ze zélf onderwerp van een foto kunnen gaan worden. Elk seizoen heeft specifieke luchten en in het najaar kun je luchten hebben die je in andere seizoenen weinig ziet. Zo ook onlangs, nog vroeg in september, als de zomer langzaam afscheid gaat nemen. Dan kun je een mooie lichtval hebben met van die prachtige wolkenformaties die er als slagroomklodders uitzien en schitterend afsteken tegen de bijna donkerblauwe lucht. Het was een uitgesproken gelegenheid om de camera ter hand te nemen en hiervan een fotoserie samen te stellen. En wat is dan een mooier decor dan de IJ-oever in Amsterdam? Voor het IJ, het leven op en aan het water, de lichtval en zijn luchten, zie:
De andere attractie van Sail is natuurlijk de bezichtiging van de schepen zelf. Je moet je dan wel een weg banen langs de duizenden anderen die dat ook willen, maar het is eigenlijk zó bijzonder dat we het er wel voor over hebben. Je kon bovendien niet alleen lángs de schepen lopen, maar deze ook bezoeken. Ik begon me tegelijkertijd af te vragen welke functie die tall ships eigenlijk hebben. Vele daarvan zijn nog geen twintig jaar oud, maar hebben geen functie in het passagiers- of vrachtvervoer. Wellicht is er een functie in maritieme opleidingstrajecten of misschien in exclusieve cruise-vakanties? We bezoeken het grootste tall ship, de Peruaanse BAP-Union en dan blijken ze daar natuurlijk ook aan ‘Peru-promotie’ te doen. De schaal van dit schip is indrukwekkend. De masten zijn niet van gewoon hout, zoals de meeste zeilschepen, maar blijven massief stalen pilaren van een hele meter in doorsnee. Verder wordt de besturing, inclusief het optrekken en neerhalen van bepaalde zeilen, helemaal door computers te worden geregeld. Heel iets van een andere orde dus dan een willekeurig zeiltochtje over de Friese meren. Het andere schip dat we bezichtigen is de “Karel Doorman”. En uit de kluiten gewassen logistiek ondersteuningsschip van de Koninklijke marine. Ook daar indrukwekkende afmetingen want op het dek is met gemak plaats voor meerdere helicopters of tanks. En ook daar deden ze aan ‘Defensie-promotie’ met de aansporing om vooral bij Defensie te komen werken. Een indruk van deze schepen en van het geslenter langs alles wat daar nog meer lag, staat op:
De Pieremachochel-tocht: een vast onderdeel van Sail. Eigenlijk is het een mini-Sail met een kwinkslag. Iedereen met een bootje mag meevaren en de boten worden beoordeeld door een jury met prijzen voor de mooiste en vooral meest originele boot. Alles mag meevaren, zolang het maar kan drijven en zich kan voortbewegen. Veel van die bootjes zijn, zo te zien, ook op het allerlaatste moment in elkaar geflanst en vaak zijn het niet eens bootjes, maar houten vlonders met aan elkaar getimmerde planken, waarop zich bepaalde tafereeltjes afspelen. Het doet een beetje denken aan het TV-programma, alweer tientallen jaren geleden: ‘’te land, ter zee en in de lucht’’. Maar in dat programma haalden de meeste vaartuigen niet eens de eindstreep, en dat is hier toch nog wél de bedoeling. Zolang je maar een paar kilometer kunt afleggen is het goed. De tocht liep door onze buurt, dus een kleine moeite om even te gaan kijken. Wat daar allemaal voorbij kwam staat op:
Er waren de nodige twijfels, of ik eigenlijk wel zou gaan kijken naar de Sail-in op woensdag. De verwachte 2,3 miljoen bezoekers (weliswaar gemeten over meerdere dagen) en uren stáán in zo’n menigte waren allerminst een aanlokkelijk vooruitzicht. Bovendien, zou je het op TV niet beter kunnen zien? Maar ik heb me laten overtuigen door Marcel en samen met zijn moeder hebben we nota bene een zitplaats op een bankje bij het BIM-muziekgebouw kunnen bemachtigen, waar we de schepen in de bocht bij het Centraal Station op ons konden zien afkomen. Met de hoogbouw rond het station als dankbare fotografische achtergrond. Het voert te ver om te zeggen dat ik van mijn leven nog nooit zoiets moois heb gezien, maar het kómt in de buurt. Niet alleen de spectaculaire tall-ships, maar ook de duizenden kleinere boten en bootjes konden met de intocht meevaren, waardoor het wat mij betreft een fantastisch schouwspel is geworden. Letterlijk en figuurlijk hoogtepunt was aan het einde van de parade nog wel de Peruaanse viermast BAP-Union (115 meter lang en 53 meter hoog), met tientallen matrozen hoog in de masten. De camera maakte overuren en bijgaande fotoserie zeggen meer dan de woorden hier, lijkt me zo. Zie: