Amsterdam doet zijn best om bij te dragen aan de uitdaging om in de komende tien jaar in Nederland nog eens honderdduizenden woningen erbij te bouwen. Zo verrijst er in het oostelijk stadsdeel Zeeburg een hele nieuwe wijk: de Sluisbuurt. Niet bepaald huisjes-met-tuintjes, maar flink de hoogte in. Zo staat er al een kolos van 30 verdiepingen, die al gedeeltelijk bewoond is. Straten zijn er alleen nog nauwelijks, dus je woont er nog wel even op het opgespoten zand, maar in de komende jaren zal dat natuurlijk wel veranderen, hopen we dan maar. Ook mogen we hopen dat er de nodige voorzieningen zullen komen. Er wordt gevarieerd gebouwd, met gebruik van kleurige en mooie materialen, zodat het voor de liefhebbers om in de hoogte te wonen, nog best aardig wonen kan zijn. Het uitzicht zal in elk geval adembenemend zijn: over de stad, het Waterland, het Markermeer en in de verte de skyline van Almere.
Hoog wonen heeft alleen ook een nadeel. Ooit woonde ik op de achtste verdieping van een gebouw in Delft, met uitzicht over het Westland. Ik miste daar het contact met de grond en op sombere en bewolkte dagen was er niet veel te zien, behalve een heel groot grijs vlak zonder noemenswaardige tekening daarin. Op de dertigste verdieping zal dat niet veel beter zijn. Maar hoe dan ook, de Sluisbuurt zal het karakter van Zeeburg ongetwijfeld veranderen. En met behoud van de huidige kenmerken, het water, de camping, de woonboten en de bruggen met de kleurige street-art heeft Zeeburg er straks weer een – voor de liefhebbers – mooi stukje stad bij. Over een jaar of zo maar eens terugkomen en kijken hoe het er uit gaat zien. De nog half afgebouwde Sluisbuurt van vandaag staat op:
De Randmeren: ooit waren die onderdeel van het veel grotere IJsselmeer. Nu gereduceerd tot waterpartijen, ingeklemd tussen de nieuwe polders en het oude vasteland. Met een beetje goede wil rekenen we het aan Amsterdam grenzende IJ-meer er ook toe. Alleen is dat wel nog wat meer dan een ingeklemde waterpartij en kun je op dat IJ-meer nog ervaren hoe ooit het IJsselmeer eruit moet hebben gezien. Die ervaring hadden we op een zomers fietstochtje richting Almere tussen Amsterdam en Muiderberg. Vanaf de fraaie Nescio-fietsbrug hebben we eerst nog uitzicht op het doorgaande vracht-scheepvaartverkeer over het Amsterdam-Rijnkanaal.
Maar verderop, voorbij de elektriciteitscentrale, ontvouwt zich het weidse uitzicht verder over het Markermeer, met Pampus, Volendam en Marken als ankerpunten. En we verbeeldden ons héél in de verte zelfs Hoorn te kunnen zien liggen. Op het IJ-meer geen vrachtverkeer, althans niet vandaag. Maar des te meer watersporters, met zeiljachten, kite-surfers en zelfs enkele vermetele zwemmers. In Muiden hadden ze natuurlijk ontdekt dat dit toch wel een A-locatie zou zijn voor een nieuwe woonwijk. Die is er inderdaad gekomen. Verhoogd aangelegd, zodat de bewoners over de dijk heen kunnen kijken. Maar bij elk van de woningen hoort nu zó’n grote lap grond, dat de meeste bewoners niet weten wat ze met al die grond aan moeten, zodat die lappen er nog steeds braak bij liggen.
In Muiden kun je met de boot vanaf het IJ-meer de Vecht op. Een populaire route, maar je moet er wel door de sluis. En vanaf het terras van de populaire uitspanning ‘Ome Ko’ wordt het gestuntel van de boten in de sluis uitgebreid bekeken. Even verderop ligt Muiderberg, een plaatsje dat veel weg heeft van een Drents brinkdorp. Maar het uitzicht op het strand en over de skyline van Almere is evenzeer mooi en doet de gelijkenis met Drenthe weer snel vergeten. Wij zijn nog even doorgefietst naar het Zilverstrand in Almere, waar uitgebreid is gepauzeerd, alvorens de terugreis met veel tegenwind aan te vangen. Wel nog even het Muiderslot in een ideale lichtval kunnen bekijken en vast te leggen. Het zomerse tochtje is samengevat op:
De reis naar Samos viel eigenlijk nog in het voorseizoen. Zelfs begin juni wordt in Griekenland nog als voorseizoen beschouwd. Voordeel is dat het nog niet zo heet en ook nog rustig is, allemaal in lijn met onze eigen ervaringen. Een ander voordeel is dat de natuur nog volop in bloei staat en nog niet is uitgedroogd door de hitte, die pas in juli schijnt te komen (samen met de meeste toeristen). Die natuur was vooral te ervaren na die ene dag met wat regen, die dankbaar in ontvangst werd genomen en daarna als dank een veelheid van geuren had vrijgegeven.
En wat natuur betreft heeft het eiland het nodige te bieden, als je tenminste je ogen de kost geeft. Want behalve prachtige vergezichten en mooie stranden is er dus de nog bloeiende flora en natuurlijk ook het nodige dierenleven. Dan zullen we het maar niet hebben over de vele zwerfkatten, die hier als een plaag worden gezien, maar die proberen een graantje mee te pikken van overal achtergelaten etensresten. Maar wel over vlinders, salamanders, kikkers en insecten waaronder veel bijen, gelukkig opgeborgen in bijenkasten. Dat alles gevangen met dat handige compact-cameraatje met goede inzoom-mogelijkheden. Een selectie van de opgemerkte vergezichten, flora en fauna staat op:
Samos is heel bergachtig. Op dat kleine eilandje zijn er bergen tot wel 1500 meter. Tegelijkertijd zijn, behalve sommige doorgaande wegen aan de noordkust, de wegen in het binnenland doorgaans erg smal met veel haarspeldbochten. Je moet dus ruim de tijd nemen om ergens te komen en je kunt er dus beter maar geen haast hebben. Wat natuurlijk precies de bedoeling is van een vakantie. Vanaf onze standplaats Ormos blijkt het 46 kilometer naar Samos-stad te zijn, maar daar kun je zó een kleine twee uur voor uittrekken. Op dat stuk blijft de derde versnelling van ons huur-autootje dan ook vrijwel ongebruikt. Daar staat tegenover dat het binnenland oogstrelend mooie dorpjes heeft.
We nemen een kleine omweg op weg naar Karlovasi en komen terecht in Kastania. Misschien lag het aan het vroege tijdstip, maar we troffen weinig mensen op straat en op het gezellige pleintje tegenover de voor het kleine dorpje groot uitgevallen kerk. En in het café op dat pleintje al helemaal niemand. Toeristen zijn er evenmin. Wel tegen een vervallen muur een stapel afgedankte stoeltjes waarnaast een jong fruitboompje zich nog in leven probeert te houden. Evenzeer oogstrelend fotogeniek, maar dit kan toch niet de bedoeling zijn, als dit dorp ook in de komende twintig jaar nog op de kaart wil blijven staan.
Hoe anders is het in twee andere dorpjes, een stuk naar het oosten, dorpjes die uitdrukkelijk wél op de toeristische kaart staan: Manolates en Vourliotes. Hoog gelegen en beide bereikbaar over een lange steile weg met veel haarspeldbochten. Prachtig gelegen, strak in de verf, keurig aangeharkt en veel door de smalle straatjes sjokkende toeristen op zoek naar een vrij plekje op een van de gezellige terrasjes met uitzicht op de ook daar oprukkende toeristen-meuk. Ook oogstrelend mooi, maar net weer het andere uiterste. Hoe dan ook, het toont de variëteit van het binnenland van Samos. Evenals de bijgaande fotoserie:
Karlovasi, een van de grotere plaatsen op Samos, die niet echt de typische Griekse schilderachtigheid heeft die je op andere plaatsen op het eiland ziet. Toch komen we er verschillende keren, omdat je er bijna altijd doorheen moet als je op weg wilt naar een van die andere meer schilderachtige plaatsen. Karlovasi ligt aan de noordkust en de eerste keer dat we er waren stond er bovendien een frisse (zelfs koude) en sterke noordenwind, waarbij de golven hoog tegen de kade aanklotsten, zodat daardoor de toch al grauwe indruk van de stad nog wat werd versterkt. De stad is ook nog niet helemaal hersteld van de aardbeving van enkele jaren geleden en we zagen een kerk, waar nog steeds een hele voorgevel ontbreekt. Sommige panden zijn half hersteld, andere half in aanbouw, zodat een rommelige indruk achterblijft.
Daarbij komt dat de Grieken niet van het opruimen zijn. Auto’s die je niet meer gebruikt en die niemand anders wil hebben, laat je gewoon ergens langs de weg of op een braakliggend terrein achter. Ze kunnen er jaren staan en niemand die zich eraan stoort. Zo ook voor koelkasten, meubelstukken en ander grof vuil. Niet alleen in Karlovasi trouwens, maar ook in de meer toeristische oorden, maar daar zie je het vooral in de voor toeristen minder gangbare buitenwijken. Er is dus blijkbaar wel énig bewustzijn dat je voor toeristen de boel beter kunt opruimen. Maar als je met een fotografisch oog hiernaar kijkt, vervaagt de grens tussen mooi en lelijk. Want wat is er immers mooier dan een stel autowrakken, die elegant staan weg te roesten? En die met de langzaam voortschrijdende tijd nóg mooier worden.
Zo stuitten we aan de oostkant van de stad, aan de kust, een stukje ‘industrieel erfgoed’, dat er verwaarloosd bij lag en – sterker nog – er volgens René vijftien jaar geleden ook al lag. Van een afstand ziet het eruit als een overblijfsel van een duizenden jaren oude Griekse tempel, waarvan de bogen nog overeind staan, maar eigenlijk zijn het vroegere fabriekshallen, die maar niet weg willen en die je zelfs nog gewoon kunt gebruiken als je even een ruimte zoekt voor het in elkaar schroeven van boten. En zo werd het toch de moeite waard om een fotoserie te maken van een plaats die niet in de top-10 van de toeristengidsjes staat. Te vinden op:
Samos hoort geografisch meer bij Turkije dan bij Griekenland. Het eiland ligt immers dicht bij de westkust van Turkije en op een bepaald punt is de afstand slechts één kilometer, zodat een beetje zwemmer de afstand met gemak zou kunnen overbruggen. Maar de verhouding tussen Griekenland en Turkije is, sinds ik me kan herinneren, eigenlijk altijd wat gespannen geweest. Hier in de hoofdstad van het eiland niets van dat alles. Er lopen veel Turken rond, die in opperbeste stemming een aangenaam uitstapje maken naar de overkant. Evenzo wordt hier reclame gemaakt voor de bezienswaardigheden die de Turkse westkust te bieden heeft. En in de haven is er een mengeling van Griekse en Turkse schepen, die broederlijk naast elkaar liggen. De animositeit tussen beide landen ligt dan ook vooral op het ‘hogere politieke’ niveau, maar de ‘werkvloer’ in het dagelijkse leven heeft daar weinig boodschap aan.
De nabijheid van Turkije brengt wel met zich mee dat de ‘Samos-route’ populair is bij mensen uit de wat minder fortuinlijke landen, die een goed heenkomen zoeken in Europa. Je ziet dan ook hele gezinnen met hun plastic tasjes in de brandende zon langs de weg lopen, heen en weer tussen de hoofdstad en een of ander opvangcentrum, ergens aan het oog onttrokken in de heuvels rond de stad. Ik probeer me te verplaatsen in hun tamelijk uitzichtloze situatie in vergelijking met onze bewegingsvrijheid binnen Europa, en dat levert toch wel wat ongemak op, als je daar dan met je huur-autootje langs rijdt. Toch was er in Samos-Stad wel een relaxte mix van Grieken, Turken, toeristen en vluchtelingen.
Wel is er het nodige achterstallig onderhoud in de stad. Je merkt het niet zozeer op het centrale plein aan de haven, vol met hippe koffietentjes. Maar in de straatjes erachter zie je toch wel het verval en hier zie je dat Griekenland zo’n tien jaar geleden door een diepe crisis is gegaan, die de Grieken een kwart van hun koopkracht heeft gekost en die zelfs bijna heeft geleid tot de ondergang van de euro. Maar ook hebben ze nu de opgaande lijn weer te pakken, hoewel het achterstallige onderhoud blijkbaar nog wat meer tijd zal vergen. De fotoserie van Samos-Stad staat op:
De geschiedenis van Griekenland gaat terug tot vér voor onze jaartelling. Het is de bakermat van onze democratie en het kan in ons tijdsgewricht geen kwaad om daar nog eens aan herinnerd te worden. Nu zou je op het toeristeneiland Samos weinig verwachten wat je doet denken aan deze lange geschiedenis, maar dat bleek mee te vallen. Aan de zuidoost-kant van het eiland zijn enkele op dat gebied markante bezienswaardige punten. Op weg erheen stuitten we bij toeval op het ‘Moni Magalis Panagias’-klooster uit de 16e eeuw. Niet bepaald een overblijfsel uit de Griekse mythologie, maar niettemin bezienswaardig en prachtig gerestaureerd. Zelfs zó prachtig dat het eerder het aanzien heeft van een vijf-sterren hotel als de je fraai aangelegde parkeerplaats erbij ziet. Maar binnen is het vrijwel helemaal gedecoreerd met fresco’s en mozaïeken.
Maar de belangrijkste bezienswaardigheid van het eiland ligt een kilometer of tien verderop: het Ireaon, met de aan Hera gewijde tempel, of wat daar nog van over is. Hera, in de Griekse mythologie was zij de godin van het huwelijk en de echtgenote en tevens de zus van Zeus. Dat relativeert meteen de gewoonten en regels, waaraan we ons in deze tijd onderwerpen. Er was een tempel aan haar gewijd, die de grootste van heel Griekenland zou zijn geweest, waarvan we op tekeningen nog kunnen zien hoe die eruit moet hebben gezien.
Nog even verderop ligt Pythagorion, tegenwoordig een toeristenplaats, maar tevens de geboorteplaats van Pythagoras, de uitvinder van de beroemde stelling. Zelfs op de t-shirts die daar worden verkocht, is nog een kleine opfriscursus van de wiskunde te zien. Maar Pythagoras had veel meer op zijn CV dan het uitvinden van die stelling alleen en is ook (weliswaar wat minder) bekend als een filosofische en religieuze hervormer. Halverwege zijn leven is hij naar Zuid-Italië geëmigreerd en behalve aan de t-shirts en de overvloedige andere toeristen-meuk is er in Pythagorion nog weinig dat ons aan Pythagoras doet herinneren. Voor onder meer een indruk van de 2500 jaar oude brokstukken van de Hera-tempel, zie:
Onlangs ben ik twee weken naar Samos (Griekenland) geweest. Met René, die er al een keer of tien was geweest, dus die wel ongeveer wist waar je wel of juist niet moest komen. We strijken neer in Ormos, aan de zuidwest-kust van het eiland. Voor de zekerheid hadden we alleen voor de eerste week een appartement geboekt met de vrijheid om nog te verhuizen, mocht het er niet bevallen. Maar al in de eerste paar dagen hebben we de tweede week bijgeboekt, want het leek ons er erg leuk en je moet nog maar afwachten waar je dán terecht komt. Ormos is van oorsprong een vissersdorp. Het is dat trouwens nog steeds, getuige ook de street art, die je overal in het dorp ziet. En aan de vissersnetten, die overal verspreid op de kade liggen.
Maar je merkt ook dat ze daar beginnen te ontdekken dat je met toerisme meer kunt verdienen dan met de visserij. Toch is het toerisme er nog weinig ontwikkeld, maar misschien lag dat ook nog aan het voorseizoen, en aan het feit dat de bulk in de heetste maanden juli en augustus komt. Die zullen dan vast wel die dure zeiljachten gaan bezetten, die er nu nog grotendeels ongebruikt in de haven bij liggen. Wat betreft voorzieningen was er in Ormos aan de haven een klein stripje met een zestal terrassen/restaurantjes, waar het niet alleen prettig zitten was, maar waar je vooral tongstrelend en toch goedkoop kon eten. Verder nog een supermarktje voor dingen voor het ontbijt op het balkon van de appartement en dat was het wel zo’n beetje.
Al met al was de omvang van het toerisme dus redelijk prettig en overzichtelijk. Het merendeel van de toeristen kwam trouwens uit Nederland. Dat schijnt voor sommige mensen een dingetje te zijn, want die willen op vakantie, behalve hun eigen gezelschap, het liefst geen andere Nederlanders en zelfs helemaal geen andere toeristen zien. Voor ons maakte dat allemaal weinig uit, want het is leuk als je wat met anderen kunt delen en hebben we ons er twee weken goed vermaakt. Natuurlijk is met onze huurauto de rest van het eiland verkend, maar daarover later. Hoe onze standplaats Ormos eruit zag staat op:
Zaterdag voor het eerst sinds mijn fiets-ongelukje weer eens een wat langere fietstocht gemaakt. Dat was met René en dan gaat het nog niet eens om het afleggen van een bepaalde afstand en al helemaal niet in een bepaalde tijd, maar vooral om onderweg dingen te zien en die – als ze de moeite waard zijn – eventueel te fotograferen. En dat is meestal heel wat. Je kunt zelfs een tijdje ergens gaan zitten en de onderwerpen komen vanzelf voorbij. Je moet dus wel wat tijd uittrekken en het kwam er op neer dat we over een kleine 50 kilometer zes uur hebben gedaan. De tocht ging van Breukelen naar Gouda. Beide punten zorgvuldig gekozen, omdat daar treinstations zijn, die direct met een sprinter met Amsterdam verbonden zijn en er dus altijd plaats is voor de meegenomen fietsen en je ook niet hoeft over te stappen. Daar komt bij dat de route, met een enigszins noordelijke boog dwars door ‘het hart van het groene hart’ gaat en plaatsen aandoet als Kockengen, Nieuwkoop en Bodegraven. Allemaal plaatsen in een gebied waar ik nog nóóit was geweest. Het is een uitgestrekt en heel vlak weideland, met kleinschalige boerderijtjes, afgewisseld met de bekende waterpartijen, waaronder de Nieuwkoopse en Reeuwijkse Plassen. De tocht eindigde op de markt in Gouda, waar op een zomers terras met uitzicht op het markante stadhuis de dag is afgeblust met een etentje. Het zomerse genoegen is vastgelegd op:
Den Haag: ik heb er een groot deel van mijn werkzame leven doorgebracht. Alleen heb ik er nooit gewoond. Het is weliswaar een hele groene, maar ook een tikkeltje saaie stad. Vooral in mijn toenmalige werkomgeving was er een overvloed aan parken, op loopafstand van de kust, waar we in de middagpauzes een luchtje plachten te scheppen. En waar je, voor de liefhebbers althans, natuurlijk ook prachtig en vooral voornáám kunt wonen. Maar die werkplekken van toen zijn er niet meer. Mijn eerste werkplek, rond 1980 op het Centraal Planbureau, is inmiddels omgebouwd tot een luxe appartementencomplex, waar expats voor ruim 3000 maandelijkse euro’s nu onderdak kunnen vinden. Expats, die er meestal niet zijn, want het was er doodstil toen we op het voorterrein liepen en concludeerden dat aan het uiterlijk van het gebouw nauwelijks iets was veranderd.
Mijn andere werkplek, in de 90’er jaren, was even verderop in wat toen het Ministerie van Verkeer en Waterstaat heette, en wat ooit het hoofdkantoor van de KLM was. De straat waaraan het grote gebouw ligt heet dan ook nog steeds de Plesmanweg. Ook daar wordt niet meer gewerkt. Daarin komen nu appartementen en het grote gebouw huisvest nu ook een hotel. Dat laatste was aanleiding voor een bezoekje, want wat is er nou leuker dan in een voormalige werkplek een kopje koffie te drinken? Het interieur was natuurlijk aangepast aan de vereisten van een hotel, maar sommige delen ervan waren nagenoeg intact. Genoeg intact in elk geval om herinneringen en gevoelens uit het onderbewustzijn naar boven te laten komen.
Beide werkplekken zijn nu verhuisd naar de grote beton- en glaspaleizen in omgeving van het Centraal Station, waar ook de meeste andere ministeries zitten, evenals het parlementaire gebeuren. Ideaal dus voor het interdepartementale ambtelijke en beleidsmatige overleg. En wel zo efficiënt, zodat nu eindelijk de grote problemen van Nederland kunnen worden opgelost, zullen we dan maar hopen. Die stationsomgeving heeft in de laatste decennia dus een grote metamorfose ondergaan. Zelfs het voorterrein van het Centraal Station wordt nu eindelijk bebouwd. Wat daar gaat komen is niet meteen te zien, maar alles is beter dan de treurige staat, waarin dat plein jarenlang heeft verkeerd. Voor de liefhebbers van moderne architectuur is dat alles dus de moeite van een bezoekje waard en dat was dan ook de tweede aanleiding voor het reisje naar Den Haag. De foto’s van de vroegere werkomgeving en van de glaspaleizen van nu staan op: