Al voor ons vertrek richting Azië, was ons van diverse kanten aangeraden om vooral de Banteay Srei -tempel niet over het hoofd te zien. Dat zou zo maar kunnen gebeuren omdat het nog zo’n 30 kilometer over hobbelige wegen rijden is vanaf de meeste andere tempels, die we hadden gezien. Toch zou de afstand meer dan de moeite waard zijn. En dat was ook zo..! Om meerdere redenen was deze bijzonder. Het is een van de oudere en toch best bewaarde, maar vast ook wel wat gerestaureerde tempels van het hele complex. Hoewel er enige discussie was over de leeftijd, blijken er toch goede indicaties te zijn dat deze is gebouwd in het jaar 967, meer dan duizend jaar oud dus. Verder de prachtige roodbruine en hier en daar door de tijd verweerde kleuren, die dit bouwwerk duidelijk onderscheiden van wat we eerder hadden gezien. En tenslotte de ligging, waarbij de kleuren prachtig afsteken tegen de blauwe ochtendlucht en het hele plaatje werd gecompleteerd door bijpassende muziek, geproduceerd door een lokale muziekgroep.
Maar tegen het middaguur raakten we tijdens de lunch na twee-en-een-halve dag rondbanjeren in de hitte over het Angkor Wat-complex enigszins overvoerd en verzadigd met tempel-indrukken. Maar onze gids, Kimsath, vond dat we op de terugweg de Neak Paon tempel beslist niet mochten missen. Gelegen op een eiland en door zijn bijzondere ligging zou deze het nog wel kunnen winnen van ons verzadigingsniveau. En ook dát was zo. Een alleszins aangename wandeling over een lange houten brug over een met waterlelies bedekt meer leidde naar een eiland met daarop eigenlijk restanten van iets wat ooit een tempel zou moeten zijn geweest. Het mooie daaraan was dus niet eens zozeer de tempel, maar vooral de sfeer, want het eiland werd ook bezocht door monniken, die hier konden contempleren, maar misschien ook wel een gezellig uitje hadden.
En nét toen we aan het eind van het bezoek aan dit eiland bedachten dat het nu onderhand wel mooi was geweest met het hele Angkor Wat-complex, bedacht Kimsath nóg een tempel, de Phrea Khan. Eigenlijk wilden we naar ons zwembad bij het hotel, maar ja, je komt hier misschien nooit weer, dus vooruit, nog eentje dan..! En daarvan bleken we allerminst spijt te hebben. Deze nog nauwelijks gerestaureerde tempel was nog het meest van allen vergroeid met de omliggende natuur, die in al die eeuwen onaangetast is gebleven. De stenen hebben in de loop van de tijd prachtige kleuren aangenomen, die mooi harmonieerden met het late middaglicht. En eenmaal op de terugweg moesten we concluderen dat deze laatste tempel misschien wel de mooiste was van alles wat we in de afgelopen drie dagen hadden gezien. Met bijzondere dank aan Kimsath Seng. En voor toekomstige Angkor Wat-bezoekers: De Phrea Khan dus niet vergeten. Aan een zwembad liggen kan altijd later nog, zelfs in Nederland. De indrukken van de laatste Angkor-dag staan op:
Zondag stond dan het hoofdgerecht van het hele complex op het menu: de Angkor Wat zelf. Gebouwd in de vroege 12e eeuw, maar gezien zijn 900-jarige leeftijd nog in een uitstekende staat. Ook verreweg de grootste tempel van het hele complex. Zelfs zó groot, dat je hem eigenlijk nog niet eens behoorlijk op de foto kon krijgen. Hij is dan ook berekend op grote massa’s toeristen, en dat betekende meteen dat de omgeving ervan inmiddels is veranderd van oerbos naar strak aangeharkt gazon, hier en daar gelardeerd met 21e-eeuwse palmbomen. Dat laatste doet toch wel enige afbreuk aan de sfeer in vergelijking met andere tempels in het complex, die helemaal vergroeid lijken met de natuur, zoals die eeuwenlang heeft bestaan. Die sfeer is er dus niet bij de Angkor Wat.
Daar staat tegenover de fraaie bouwstijl, de ligging van het symmetrische gebouw op een groot vierkant eiland in een vierkant meer. Evenals de meeste andere tempels is ook de Angkor Wat oorspronkelijk gebouwd als een hindoe-tempel, maar veranderde geleidelijk in een boeddhistische tempel. Voor monniken was het daarmee meteen een soort van gebedshuis. Hoewel het voor hen – in plaats van de meer contemplatieve momenten – eerder wat weg had van een gezellig uitje, waar ze zich vrolijk konden mengen met de toeristen en zich gewillig konden laten fotograferen. Al met al brengen we toch drie uur door in deze tempel. Maar we konden de dag completeren met een drietal andere tempels in de directe omgeving, andermaal vergroeid met de natuur, nog niet volledig gerestaureerd en daarmee een wat meer ingetogen en zelfs mysterieuze indruk konden achterlaten. De uiteenlopende indrukken van de dag zijn samengevat op:
Zaterdag zijn we dan eindelijk begonnen aan de bezichtiging van de Angkor Wat. Beter gezegd: het hele Angkor Wat complex, want de Angkor Wat betreft eigenlijk maar één tempel van dat hele complex. Onze chauffeur/gids, Kimsath Seng, was zo vriendelijk om ons achteraf een overzicht te verschaffen van alle tempels die we hadden gezien, niet alleen van de namen ervan, maar ook wanneer ze zijn gebouwd, door wie, waarom en ter ere van wie. Zodat we bij thuiskomst, mede met een overzichtelijk kaartje, toch nog in staat waren het een en ander te reconstrueren. Het hele complex is gebouwd tussen de 10e en de 13e eeuw en sommige tempels zijn dus al meer dan 1000 jaar oud.
De meeste tempels zijn gebouwd in opdracht van de toenmalige koningen ter ere van de Hindu-goden of anders wel ter ere van familieleden van die koningen. Zaterdag richten we ons op het gebiedje ten oosten van de Angkor Thom, ooit een ommuurd carré, waarvan nu alleen nog de toegangspoorten overeind staan. De Banteay Kdei en de Ta Phrom zijn wat ons betreft wel de mooiste tempels in dat gebiedje. Vooral mooi, omdat er gedurende honderden jaren niet meer naar is omgekeken en deze tempels vergroeid lijken met de omliggende natuur. Pas vanaf de 19e eeuw lijkt er weer enige belangstelling voor het complex te komen, maar dan heeft de omliggende natuur in al die eeuwen ongestoord zijn werk kunnen doen.
Niet alleen nemen de bouwsels in de loop van de tijd de kleuren aan van de natuur, maar diezelfde natuur blijkt zó sterk, dat ze de tempels in een wurggreep lijken te houden. Het levert surrealistische beelden op. Binnen dat Angkor Thom carré is de Prasat Bayon nog een tempel van belang. Maar toen waren er al zes uur voorbij, raak je verzadigd, en krijgt de Bayon niet meer de aandacht die deze eigenlijk verdient. De Angkor Wat zelf, toch wel de meest prominente in het hele complex, stond ook nog op het programma van vandaag, maar die bewaren we dan maar voor de volgende ochtend. Alles van deze dag staat op:
We gaan Bangkok voor een paar dagen verlaten en maken een korte reis naar Siem Reap in Cambodja. Hoofddoel daar is het tempelcomplex rond de Angkor Wat. We doen dat, althans de heenreis, met de bus. Het is zo’n 400 kilometer, hoofdzakelijk over enkelbaans wegen en bovendien is er nog een uur of twee oponthoud bij de grens, en naar verwachting gaat de reis in totaal zo’n negen uur duren. Een normaal mens vliegt dat dus. Wij niet, want we willen, vooral na vijf dagen drukke stad ook wel eens kijken hoe het platteland erbij ligt. We moesten al vroeg op Khao San Road zijn, waar we de bustickets hadden gekocht, waar de bus ook zou vertrekken en waar we ook zouden ontbijten. Daar zaten ze om 7 uur in de ochtend al (of nog..?) gezellig aan het bier en de jointjes gingen er ook vrolijk rond. Maar gewoon ontbijten kon er ook.
En de busreis verliep volgens plan. Niet héél bijzonder opwindend, want na een uurtje heb je dat vlakke landschap eigenlijk wel gezien. Of het moest het oponthoud zijn bij de grens, wat nog enige reuring gaf. Beetje rommelig, vage hotels en casino’s, nogal wat bureaucratie met de paspoorten en bovendien overstappen op een Cambodjaanse bus. Bij de aankomst in Siem Reap allerlei mensen, die je niet alleen graag naar het hotel willen brengen, maar vooral geïnteresseerd zijn om je daarna een aantal dagen over het tempelcomplex te vervoeren. Dat regelen we dan maar meteen en hadden dus de handen vrij om de volgende dag Siem Reap eens tot ons door te laten dringen. Cambodja was twintig jaar geleden een straatarm land, nauwelijks nog hersteld van het trauma dat Pol Pot het land in de 70’er jaren heeft bezorgd. Maar ze hebben het toerisme ontdekt en met de Angkor Wat blijken ze goud in de handen te hebben, waar niet alleen Siem Reap de vruchten van plukt, maar zelfs de rest van het land. Want als je toch eenmaal in Cambodja bent, wil je natuurlijk ook naar de hoofdstad Phnom Penh of anders wat lummelen aan de lokale stranden.
Wij doen dat overigens niet en beperken ons tot Siem Reap en de nabij gelegen Angkor Wat. Siem Reap leeft hoofdzakelijk van het toerisme en iedereen probeert er dus een graantje van mee te pikken. Daardoor heeft het plaatsje zich inmiddels helaas ontwikkeld tot het ‘Lloret de Mar’ van Azië en de meeste eetgelegenheden zijn geconcentreerd in wat ze hier de ‘Pub Street’ zijn gaan noemen, met in de avond een oorverdovend lawaai van allerlei open lucht kroegen, die elkaar met hun muziek proberen te overstemmen. Maar gelukkig was er meer te zien dan Pub Street alleen en is er van de busreis en van Siem Reap de volgende fotoserie gekomen:
Vandaag een voorlopig afscheid van Bangkok. Voorlopig, omdat we de “top-3, must-see” bezienswaardigheden, de drie beroemde ‘wat’s’, (boedhistische tempels), voor volgende week bewaren. Vier volle dagen hier de hele dag in de brandende zon vonden we wel even genoeg, maar we sluiten deze dagen in stijl af door nóg maar eens een hele dag in die brandende zon rond te lopen. Nu richting Lumpini-park, het grootste park en meteen de groene long van de stad. Fraai aangelegd en heel populair, ook voor hardlooprondjes in de schaduw. Nu alleen volop in de verbouwing, want volgende week is hier een groot tien-daags festival, waar dit park natuurlijk ook heel geschikt voor is. Een minder bekend, maar eigenlijk niet minder fraai park is het Benchakitti-park.
Anderhalve kilometer verderop, gescheiden door een heel nieuw stadsdeel, dat nu even voor de gelegenheid ‘one-Bangkok’ is genoemd. Een strook van hoge glaspaleizen in gedurfde architectuur, met kantoren, hotels en vooral shopping malls. Want de Thais zijn dol op shopping, althans de Thais die het kunnen betalen. Dat zijn er inmiddels wel een hele hoop, maar een nog grotere hoop kan hier alleen nog maar naar kijken. Hoewel dit complex wel op de toekomst is gebouwd, want door de hoge economische groei komt er een groeiende middenklasse, die zijn weg naar one-Bangkok heus wel zal kunnen vinden.
Benchakitti is inderdaad niet minder fraai en opvallend is de grote hoeveelheid mensen die met het onderhoud ervan bezig zijn. Overal verse bloemen, strakke gazons en schone vijvers met waterlelies en geen spoor van onkruid. Tikkeltje te aangeharkt, dat wel. Aan de rand ervan het Queen Sirikit National Convention Center, zoiets als onze RAI of Jaarbeurs, maar dan een maatje groter. Bedoeld voor grote congressen en het park is dan ook voor heren in pakken en dames in mantelpakjes, die er in de middagpauze met hun badges kunnen rondlopen. Al met al een fraaie, maar niet minder intensieve afsluiting van vijf dagen Bangkok. De samenvatting van Lumpini, Benchakitti en alles er tussen en omheen staat op:
In Bangkok wonen anderhalf miljoen Chinezen, pakweg een kwart van de bevolking. Een groot deel woont in Chinatown, een relatief klein gebiedje aan de oever van de rivier en dus met een heel hoge bevolkingsdichtheid. Ik dacht dat Nederland dichtbevolkt was, maar wat ze hier op die paar vierkante kilometers doen, is toch nog wel even wat anders. En dus – voor de liefhebbers ervan natuurlijk – een fotografisch feestje, al was het alleen maar om het overdadige kleurrijke spektakel. Ook mensen laten zich graag fotograferen, en bedanken je er zelfs soms voor.
Desondanks is het dus wel even inschikken hier. Autorijden kan een normaal mens er vergeten, maar nog wurmen zich auto’s door de kleinste en toch al overvolle steegjes en gaan het gevecht aan om de ruimte met fietsers, tuk-tuks, rijdende eetstalletjes en toeleveringsbedrijfjes op brommers. En natuurlijk met de vele voetgangers die er dan nog doorheen schuifelen, soms in dat gewurm vast staan, maar soms ook een meter of tien weer vooruit kunnen. Er wordt niet alleen gewoond, maar vooral gewerkt. De meeste bedrijfjes doen slechts één ding en dat dan ook de hele dag. Auto-onderdelen repareren bijvoorbeeld. Of winkeltjes verkopen slechts één ding, maar dat dan in enorme hoeveelheden van vooral Chinese meuk, tegen onwaarschijnlijk lage prijzen. En dan nóg is afdingen heel gewoon.
Ik begin het helemaal voor me te zien. Grote Chinese fabriekshallen, die enorme massa’s van die meuk uitbraken, in zeecontainers stoppen en niet alleen hier over Chinatown uitstorten, maar ook over de rest van de wereld. En naast dat wonen en werken wordt er natuurlijk ook gegeten. Koken en eten meestal in één ruimte van hooguit een paar vierkante meter. Duidelijk voor de snelle hap, en voor avondvullende diners moet je ergens anders zijn. Al met al een fraaie smeltkroes van kleuren, mensen, spullen en activiteiten, geprobeerd vast te leggen op:
Steden hebben extra sfeer als er een rivier doorheen stroomt. En dat geldt zeker ook voor Bangkok met niet de minste rivier: de Chao Phraya. Breed, druk, tamelijk woelig water en aan de oevers beeldbepalende gebouwen, monumenten en andere alleszins bezienswaardige objecten. Én je kan er een boottocht maken. Het is alleen nog wel een hele kunst om op de goede boot terecht te komen. Er staan allerlei moeilijk te ontwijken jakhalzen aan de oever, die een fijne neus hebben voor toeristen en een onvergetelijke tocht in de aanbieding hebben van omgerekend ongeveer 65 euro. En natuurlijk niets weten van het alternatief: voor nog geen euro, heb je een enkeltje naar Nonthaburi, zo’n 25 kilometer stroomopwaarts, met links en rechts talloze stopplaatsen. En dan nóg moet je uitkijken, want voordat je het weet zit je in een dichte catamaran, die weliswaar heel snel gaat maar door die snelheid raken de ramen bespat, zodat je een fotoserie wel kunt vergeten. Gelukkig hadden we het net op rijd in de gaten: catamaran weer uit, geld terug en een nieuw ticket voor een open boot. Lekker langzaam en anderhalf uur onder de pannen.
De stopplaatsen zijn snel en efficiënt. De meeste passagiers kennen het klappen van de zweep en springen er al af en op, zelfs als de boot nog niet helemaal is aangemeerd en stil ligt Maar passagiers die hulp nodig hebben wordt een helpende hand toegestoken door het personeel, maar ook door andere passagiers. Onderweg zien we hoe er aan, op en in het water wordt geleefd. Alle bouwstijlen zien we voorbij komen. Hier en daar nog primitieve bouwsels op palen in het water van aan elkaar getimmerde planken, maar evengoed glanzende hotelpaleizen, hoge condo’s, tempels en andere gebedshuizen. En van alles ertussenin. Bovendien wordt overal nog druk gebouwd, zodat de aanblik over een jaar vast wel zal zijn veranderd.
Onderweg ook veel aandacht voor het koningshuis. Overal geelkleurige panelen met kitscherige afbeeldingen van de nieuwe koning, die hier een onaantastbare status bezit. Hoewel daar toch wel aanleiding voor zou zijn, is het beslist niet de bedoeling om er in het openbaar kritiek op te leveren. Zelfs in bilaterale gesprekken tussen de Thais onderling wordt dit onderwerp zorgvuldig gemeden. Nonthaburi is een voorstad van Bangkok. Op zich niks bijzonders, maar het ging ons om de reis erheen en niet om het doel. Maar we nemen toch even de tijd om door de hoofdstraat te lopen. Hoewel een voorstad, is het er minstens even druk als in Bangkok en eigenlijk bij nader inzien jammer dat we daar niet iets meer tijd hadden, want we wilden voor het donker terug zijn in Bangkok. Maar de fotoserie van het onderweg zijn is er gekomen. Zie:
Dat Bangkok onherkenbaar is veranderd is natuurlijk vooral te zien aan de hoeveelheid wolkenkrabbers, die er in de afgelopen jaren zijn bijgekomen. Vooral in en rond onze wijk Silom staan er veel. Hoewel je nog goed moet kijken om ze te zien, want kijk je horizontaal ‘op maaiveldniveau’, zoals je eigenlijk altijd doet, dan vallen ze nog niet eens zo op. Dat komt omdat het horizontale straatbeeld nog steeds domineert. En dat is het beeld zoals het altijd was: druk, gevarieerd, gezellig en rommelig. En die grote verscheidenheid is dus dan meteen ook de charme van Bangkok. Maar de hoogste toren van de stad, de Mahanakhon-toren van 314 meter hoog, staat nota bene op loopafstand van ons hotel en is dus niet te missen. Daarin hotelkamers, appartementen in het wat hogere segment en kantoren. Het leuke van de architectuur is dat er aan de zijkant delen lijken uitgesneden.
En helemaal leuk is, dat je ook als minder gefortuneerde naar de 77e verdieping kunt om de stad van bovenaf te bekijken. Sowieso een adembenemend uitzicht, maar opvallend is nog wel de creatieve architectuur van veel gebouwen in de buurt. Ze zijn er trouwens nog lang niet uitgebouwd, gezien de vele bouwkranen en de bouwputten die in gereedheid worden gebracht. Een extra leukigheidje was nog wel een doorzichtige glasplaat, waar je op kon staan of zelfs liggen met onder je het uitzicht over de stad. Het voelde wel wat wiebelig, en dit leukigheidje is dus niet echt iets voor mensen met hoogtevrees. Maar het geheel leek stevig genoeg. De combinatie van hoog-laag, modern-traditioneel is in beeld gebracht op:
Al een aantal jaren sluimerde bij mij het idee om Bangkok weer eens te bezoeken. De stad heeft destijds een zodanige indruk achtergelaten dat een hernieuwd bezoek eigenlijk niet lang meer kon uitblijven. Daar kwam bij dat René er nog nooit was geweest en ik inschatte dat hij het evenzeer mooi zou gaan vinden. Dus zijn we op vrijdag 29 november gezamenlijk afgereisd en mijn inschatting bleek helemaal juist. Daar kwam bovendien bij dat Jack, een van onze vrienden, al een aantal jaren gedurende een half jaar in Bangkok woont en het andere halve jaar in Maastricht. En niet helemaal toevallig woont hij dus in de winter in Bangkok. Door hem werd het verblijf er extra gezellig.
De stad is, zeker in vergelijking met dertig jaar geleden, onherkenbaar veranderd. Waren er toen schijnbaar onoplosbare verkeersopstoppingen en hing er destijds een zware smog-deken over de stad, nu lijken al die problemen bijna verleden tijd. De blauwe lucht, destijds nauwelijks nog te zien, is nu ook weer helemaal terug. Want inmiddels is er een uitgebreid metro-netwerk en bovendien een bovengrondse ‘sky-train’. Verder rijden er veel elektrische auto’s rond. Ook wordt er veel werk gestoken in de aanleg van groen, niet alleen in parken, maar ook op de middenbermen ven de wegen in de stad. Nu moeten alleen nog die vervuilende brommers weg en de berijders daarvan naar de metro verhuizen.
De eerste twee dagen gaan op in ‘het landen’ in de stad, van de jet-lag zien af te komen en eens te bekijken hoe we over een paar dagen in Cambodja terecht zouden kunnen komen. Wat ik nog van vroeger wist is dat de omgeving van Khao San Road, het backpackers-paradijs van de stad, bezaaid is met reisburootjes, die vast wel een tripje naar Cambodja kunnen regelen. Natuurlijk kunnen we er met een taxi heen, maar we kiezen voor het openbaar vervoer om zodoende een indruk van de stad te krijgen en erachter te komen hoe je je hier verplaatst. Dus eerst een stukje met de sky-train, dan de stadsbus, de metro, de boot en nog wat stukjes lopen. En onderweg herhaaldelijk de weg vragen. Dan blijkt dat de Thais onmogelijk nee kunnen zeggen of aan kunnen geven dat ze een bepaalde straat niet weten. In zo’n geval gaan ze heel ingewikkeld kijken en dan weet je eigenlijk al genoeg: ze weten het niet, maar kunnen je dat niet zeggen. De kunst is dan om op een beleefde manier het gesprek te beëindigen en hen het gezichtsverlies te besparen. Maar we zijn na de eerste twee dagen helemaal op de hoogte hoe je je in de stad verplaatst, hebben we twee bustickets naar Cambodja kunnen regelen en van al dat kris-krassen door de stad is natuurlijk een uitgebreide fotoserie gemaakt, te zien op:
In deze donkere, natte en koude dagen krijg je de neiging om de hele dag binnen te zitten, maar daarmee wordt de wereld een stuk kleiner dan in die uitbundig heerlijke zomerdagen van weleer. Zelfs voor mijn periodieke hardlooprondjes moet ik al over een hoge mentale drempel heen stappen. Maar gelukkig is er in november het International Documentary Film Festival Amsterdam (IDFA), dat we elk jaar bezoeken en waardoor je gedwongen wordt om in weer en wind van de ene bioscoop naar de andere te lopen en dus kunt zien hoe de stad verandert. Ten goede, zo blijkt elke keer weer. Want hoewel je overal gemopper hoort dat er allerlei straten voor de zoveelste keer zijn opgebroken, moet je toch ook vaststellen dat veel plekken er een stuk beter uitzien dan pakweg dertig jaar geleden, toen ik hier kwam wonen. Het Leidseplein bijvoorbeeld, waar ik niet zo heel vaak kom, en dat er jarenlang opgebroken en troosteloos heeft bijgelegen, is nu een fraai en overzichtelijk plein geworden met mooi straatmeubilair en goede verlichting.
Hoewel er dus veel ten goede is veranderd stemt het aanbod van wat je in winkels kunt kopen tot enige treurigheid. In geen enkele winkel vond ik iets wat je dagelijks nodig zou kunnen hebben. Zo valt er bijvoorbeeld aan etenswaar niets in de schijf-van-vijf te ontdekken. Wat er wel te krijgen is, is vooral ‘toeristen-meuk’, hoewel ik me afvraag of zelfs toeristen die dingen nodig zouden kunnen hebben. De nieuwste trend in dat genre is de ‘Mama Duck Store’, een winkel waar je uitsluitend kleine (bad)eendjes kunt kopen, en waarvan ik op een paar honderd meter van elkaar maar liefst vier vrijwel identieke filialen heb geteld. Ik vraag me werkelijk af wat het business model van die filialen zou kunnen zijn. De volgende metamorfose van de stad moet dus het opruimen zijn van al die meuk en in plaats daarvan winkels en andere gelegenheden, waar iederéén blij van wordt. Want dat zou toch de bedoeling moeten zijn van het leven. De stad is inderdaad nog niet af. Zie: