Vandaag, 1 februari, woon ik precies dertig jaar in de Plantagebuurt. Nog nooit heb ik ergens zó lang gewoond. Op die vroege mistige dinsdagochtend 1 februari 1994 kreeg ik onder toeziend oog van de notaris de sleutels en mocht ik het er vanaf dat moment allemaal zelf uitzoeken. Want er was binnen nog wel een hoop werk te verrichten en met een aannemer had ik een strakke planning gemaakt, die niet mocht mislukken, want op 1 maart moest ik mijn toenmalige woning in Delft opleveren. Het was die maand veel van hot naar her rijden en in de eerste week werd ik meteen al pijnlijk geconfronteerd met hoe het in de grote stad werkte. Mijn auto was ergens weggesleept en ik mocht met een taxi naar een ver industrieterrein om tegen een erg onaangenaam bedrag de auto weer terug te krijgen. Maar met vallen en opstaan is de planning gelukt en kon ik op 27 februari de laatste spullen uit Delft weghalen en woonde ik er écht.
Natuurlijk waren er tegenwerpingen tegen het wonen in ‘de grote stad’. De bekende clichés: “niemand kent elkaar, het is er anoniem, het is druk, er loopt een hoop geboefte rond en je wilt er dus eigenlijk nog niet dood worden gevonden”. En op een dorp, waar ik zelf ook aangenaam ben opgegroeid, is er tenminste nog het ‘naoberschap‘, waar mensen naar elkaar omkijken en voor elkaar zorgen. Maar als je ergens lang woont, wordt zelfs in de stad je eigen woonomgeving vanzelf een dorp, met alle voordelen die een dorp ontegenzeggelijk heeft. Ik voel me er na dertig jaar dan ook goed geworteld in een mooie doorleefde buurt, in een prettig gebouw waar mensen ook naar elkaar omkijken. En dichtbij aan de oostelijke kant van, maar nét niet ín het drukke centrum. Natuurlijk moest ik even stilstaan bij de afgelopen dertig jaar en vond een aanleiding om op deze zonnige eerste februari nog maar eens vast te leggen hoe de buurt er nu uitziet en wat er allemaal is te zien binnen pakweg 500 meter van mijn woning. De Plantagebuurt anno nú op:
Museum Voorlinden in Wassenaar: een nog niet zo heel lang bestaand museum voor moderne kunst op een prachtige locatie en dan ook nog eens met een bijzondere expositie. René had er het al verschillende keren over gehad, dus verzin dan nog maar eens een excuus om er niet heen te gaan. Dat excuus was er niet, dus we gingen. Het museum ligt op het landgoed Voorlinden in Wassenaar met een expositie van Anselm Kiefer. Een Duitse kunstenaar, die met onconventionele technieken op grote schaal werkt. Gaat niet zachtzinnig te werk, valt zijn kunstwerken met gereedschap aan, steekt ze in brand, voegt er materialen, zoals verf, stro, bakstenen, metalen en andere zware objecten aan toe. Resulterend in soms driedimensionale werken van vele vierkante meters die een hele wand beslaan.
Voorlinden is daarvoor een heel geschikte locatie en alleen al het transport naar het museum moet de nodige hoofdbrekens hebben gekost. Indrukwekkend en vooral indringend, maar er is een prachtige zaal, waar je met uitzicht over het landgoed bij klassieke muziek samen met de andere 65-plussers rustig kunt bijkomen van dat artistieke geweld. En waar je je – op weg naar de uitgang – kunt voorbereiden op nog andere suggestieve ‘belevingskunstwerken’, die speciaal voor dit zijn museum gemaakt. Een indruk wat er te zien was staat op bijgaande fotoserie. Maar nog beter is zelf te gaan. Kan nog tot en met 25 februari. Anders kijk dan toch maar op:
Donderdag was ik uitgenodigd om een stuk te wandelen. Behalve natuurlijk het begin van het Pieterpad in de week ervoor, doe ik dat vrijwel nooit in de winter. Ik mocht een voorstel doen en kon zo gauw niks anders verzinnen dan ‘het Twiske’, waar ik eigenlijk alleen maar in de zomer kom. Ik draaf er dan mijn hardlooprondjes en bij erg mooi weer waag ik na afloop ook nog wel eens een plonsje in de plas. In winter is er van dat plonsje natuurlijk geen sprake en voor hardlopen vind ik het ook wat minder omdat het er altijd waait. Het gebied is aangelegd en uitgegraven zo’n 40 jaar geleden, toen ze zand nodig hadden voor de aanleg van de ringweg rond Amsterdam.
En in die 40 jaar is er weer een prachtig natuurgebied ontstaan. Dus is het bepaald geen oerbos, maar desondanks toch een tamelijk ruig gebied, waar koeien en hooglanders gewoon over de wandelpaden lopen en waar je op borden wordt gewaarschuwd niet al te dicht bij de stieren te komen, want die schijnen soms korte lontjes te hebben. Verder is de bodem door de overvloedige regen van de laatste tijd zompig geworden, waardoor niet alle bomen de sterke wind hebben overleefd. Het gebied is nu dus door omgewaaide bomen en ander losliggend hout extra ruig. Maar elk jaar in februari wordt het hout opgeruimd, wordt overtollig hout weggesnoeid en is het gebied weer helemaal klaar voor de zomer. Die er onderhand wel eens aan mag komen. Hoe het gebied er nu nog uitzag staat op:
De (voorlopig) laatste etappe door het – wat ze hier noemen – het Hoge Land. Misschien slaat het op ‘geografisch hoog’, want dit is het noordelijkste stukje Nederland. Want tenslotte ‘gaat er niks boven Groningen’, zoals een slogan van de provinciale VVV luidt. Erg hoog is het landschap bepaald niet, of ze moeten de ‘wierden’ bedoelen, die je hier af en toe ziet. Een soort vluchtbergen, opgeworpen door de vroegere bewoners als bescherming tegen het hoge water in de tijd dat er nog geen dijken waren. Tegenwoordig archeologische monumentjes in het vlakke en vrijwel boomloze landschap. Nauwelijks bomen, maar wel zie je her en der grote windturbines en de nieuwe 380 kiloVolt elektriciteitsmasten, die de opgewekte energie in de Eemshaven moet geleiden naar de rest van Nederland. De nieuwe en er iets anders uitziende masten komen parallel aan de oude 220 kV masten, en beide lijnen liggen nu pal naast elkaar. In Nederland bestaat bij sommigen een felle weerstand tegen deze ‘gedrochten’, maar hier stáán ze er gewoon en tenslotte moet je wel iets doen als je de energietransitie een beetje serieus wilt nemen.
Helemaal contrastrijk wordt het als je binnen de kilometer ineens op een heel andere planeet staat. Aan de rand van de stad ligt de universiteitscampus Zernike, waar ze met nano-technologie en onderzoek naar kosmische straling bezig zijn. Behalve de architectuur verandert ook de voertaal ineens van Grunnigs naar Engels. We ontmoeten Thijs, de zoon van zus Marlies, die de wetenschap op dit terrein een stukje verder probeert te brengen. We zitten daar met de vermoeide beentjes onderuit gezakt, er is lekkere koffie en na een half uurtje komen we met moeite weer overeind om het laatste stuk door de stad naar het station af te leggen, waar het stadsbeeld ineens weer veel op Amsterdam gaat lijken. Een hoop veelzijdigheid dus in dat stukje Groningen. Kijk maar op:
Het aardige van het Pieterpad is dat je onderweg veel ‘gelijkgestemden’ schijnt te treffen, met wie je tenminste gemeenschappelijk hebt dat je allebei dit soort wandelen leuk vindt. Toch was het aantal ontmoetingen onderweg heel klein en dan komt natuurlijk de vraag op of dit eigenlijk écht wel zo leuk is. Verder is het eerste stuk van het Pieterpad van Pieterburen naar Groningen niet het mooiste en zelfs het saaiste van de hele route, zo is me van meerdere kanten verzekerd. “Je moet hier ook in de zomer komen”, hoorde ik onderweg dan ook van de schaarse ontmoetingen die ik had. Maar ja, het is nu eenmaal geen zomer en als je wacht tot de zomer zijn er vast wel weer andere prioriteiten en zo komt er van dat hele Pieterpad niks terecht. Bovendien gaat het er niet om of iets in het algemeen mooi wordt gevonden. Eerder gaat het om de eigenheid van de dingen die je ziet en ervaart en die zijn altijd mooi, hoe lelijk ze ook zijn. En al wandelend heb je volop de gelegenheid goed te kijken naar al wat je ervaart en daarvan was zelfs op dit saaiste stuk genoeg te vinden.
Onderweg passeerde ik Garnwerd, een klein dorpje en in de zomer een populaire pleisterplaats met een voortreffelijke uitspanning aan het water, waar ze vast wel lekkere koffie zouden hebben, hoopte ik tenminste. Alleen dicht, jammer natuurlijk, maar ook wel weer begrijpelijk, want ze kunnen de tent ook niet de hele dag openhouden voor de drie Pieterpadders, die er misschien wel voorbij komen, laat staan misschien wel koffie willen. Garnwerd is dan nog het meest bekende dorpje, maar voor de rest kun je hier je geografische kennis goed ophalen met meer dorpjes cq. gehuchten die je passeert en waar je nog nooit van had gehoord. Sauwerd was het eindpunt van de dag. Ook een slaperig dorp, maar wel een knooppunt van spoorlijnen met korte dieseltreintjes die de regio bedienen. Van daaruit kon ik weer snel naar Groningen, het basiskamp van de hele onderneming. De ervaringen van de dag zijn vastgelegd op:
De boekjes met de routebeschrijvingen van het Pieterpad lagen al drie maanden op een bijzettafeltje geduldig te wachten. Maar door de overvloedige regen kwam het er maar niet van om een al jaren sudderend plan aan te pakken: het wandelen over het Pieterpad. Het pad loopt van Groningen naar Maastricht, meer precies: van Pieterburen naar de Sint Pietersberg. Maar in het weekend stopte de regen en heb ik het plan in een vrij impulsieve bui opgepakt. In drie dagen zou de ongeveer 40 kilometer van Pieterburen naar Groningen te doen moeten zijn. Ook drie dagen met prachtig, maar wel erg koud weer. Maar met een gastvrij en warm onthaal door mijn zus Marlies met haar man Alex, die mij twee nachten in Groningen onderdak hebben verleend.
In de trein naar Groningen bekroop mij hetzelfde gevoel dat ik ook al had toen ik in 2015 de eerste fietskilometers aflegde van mijn tocht naar Rome: een lichte spanning, met een onzekerheid of ik bij de korte voorbereiding niks over het hoofd had gezien, wat me onderweg eventueel zou kunnen gaan opbreken. En als je dan in Pieterburen op het Pieterplen uit de bus stapt, is het de bedoeling dat je je met je camera bij het officiële startpunt door een voorbijganger laat vereeuwigen. Op het plein was er wel een hotel en een aantal cafés, dus in de zomer zou het hier vast heel druk kunnen zijn. Maar nu was er geen voorbijganger te bekennen, dus moest ik het doen met een foto van de aangebrachte plaquette op het vertrekpunt. Het bewijs dat je tenminste bij het vertrekpunt bent geweest.
Maar als je dan het dorp uitloopt sta je ineens bij een temperatuur van 7 graden onder nul en een ijzige wind op een onafzienbare vlakte, zonder bomen, en in de verste verte helemaal niemand meer te zien. Daar bekroop me toch een ongemakkelijk eenzaamheidsgevoel, en realiseerde ik me dat je op dit soort punten en onder deze omstandigheden toch maar beter met z’n tweeën kunt zijn. Maar na een half uurtje kwam ik toch in een fysiek en vooral ook in een mentaal ritme en kon Winsum, het eindpunt van de dag, in een enigszins euforische stemming bereiken. Hoe het er onderweg uitzag staat op:
Aan het eind van het jaar wordt het traditionele Amsterdam Light Festival gehouden. Een verzameling lichtobjecten langs de grachten, dankbaar aangegrepen door de uitbaters van de rondvaartboten, die in het laagseizoen graag een graantje willen meepikken. Maar je kunt het festival natuurlijk ook gewoon te voet doen. Alleen doe je dat het liefst bij droog weer. En dat is dit jaar eigenlijk wel een probleem. Het was me de laatste tijd al opgevallen dat in de weersverwachting soms ook werd aangegeven wanneer het niét zou gaat regenen. En ineens was dat zo: op Tweede Kerstdag nog wel. En dat hebben we gemerkt. Het was alsof de halve stad had zitten wachten op dat moment, want het was af en toe schuifelen langs de lichtobjecten, en het is nog een wonder dat er niemand in het gedrang te water is geraakt.
Ik moet zeggen dat het ‘Festival’ me deze keer niet tegenviel. Ik heb me in het verleden wel eens wat badinerend uitgelaten over de organisatie, maar het was deze keer alleszins de moeite waard. Niet alleen waren er verrassende lichtobjecten, maar ook was het ruimtelijk wat handiger opgezet. Je hoefde alleen maar de Herengracht af te lopen, bij de Brouwersgracht richting het Scheepvaartmuseum te gaan, en dan had je alles gezien. En als je er – natuurlijk met de camera – toch eenmaal bent, kun je net zo goed ook de rest van de fraai belichte stad onder handen nemen. Hoe dat er op deze droge avond uitzag, staat op:
December is een maand die ik het liefst zou willen overslaan. Eigenlijk januari ook, wat december nog erger maakt, want het perspectief van het nieuwe voorjaar is dan nog verder weg. Bovendien is de natuur zo dood als een pier, zodat die twee maanden dan veel bezig zijn binnenshuis betekenen. Maar woensdag was het ineens droog en scheen er zelfs een bescheiden zonnetje, waarvan ik begon te denken dat die nooit meer zou terugkomen. Gezien de korte daglichtperiode moet je jezelf dan wel even aanpakken. Maar zo moeilijk blijkt dat nou ook weer niet te zijn. Met de trein in nog geen half uur naar Overveen en dan lopen naar Zandvoort, zo’n tien kilometer verderop door een van de fraaiere natuurgebieden van Nederland.
Alleen al het treinstationnetje van Overveen is de moeite van het bezichtigen waard. Eigenlijk is het een groot uitgevallen vooroorlogs woonhuis, in de stijl die het hele dorp heeft. Met een terrasje voor de deur en een aanpalend klein supermarktje. Eenmaal aan de wandel blijkt Overveen een sjiek dorp met voorname optrekjes tussen eeuwenoude eiken. Verderop verandert de aanblik langzaam in een duinlandschap en dan blijkt de natuur bij nader inzien toch niet zo heel dood. En eenmaal in Zandvoort werden we, juist dankzij die korte daglichtperiode, getrakteerd op een prachtig ondergaande zon. Precies op het goede moment, want in de zomer moet je daarvoor tot tien uur ’s avonds wachten. Hoe de natuur er in december uitziet staat op:
Het inmiddels traditionele november-bezoekje aan mijn buitenlandse zus Hedwig en haar man René in de Allgäu, het zuiden van Beieren. November is meestal een maand van niks en dan is zo’n reisje een mooi verzetje. Met de trein erheen was ook deze keer weer een uitdaging, want als je twee keer moet overstappen mogen er geen treinen uitvallen en mogen er geen bomen op de spoorbaan liggen. Dat alles gebeurde wel, waardoor we pas na middernacht op de bestemming aankwamen. Maar de gezelligheid bij zo’n bezoekje staat voorop. De vroege sneeuwval maakte het extra sfeervol, hoewel buiten dan de kleuren verdwijnen en de wereld er zwart-wit uitziet. Maar dan is het binnen juist weer extra gezellig.
Sightseeing staat op zo’n reisje op de tweede plaats, want daarvoor ben ik er eigenlijk al te vaak geweest. Behalve dan het dagtochtje naar München, dat Hedwig had georganiseerd. Ik ken die stad niet zo goed, maar het is een van de mooiere Duitse steden, zo bleek. En het weer werkte mee, waardoor we ruim de gelegenheid hadden om door de stad te slenteren. En een bezoek te brengen aan een multimedia tentoonstelling over Claude Monet, waar je in strandstoelen bij klassieke muziek zijn schilderwerken over de muur, plafond en zelfs vloer voorbij kunt zien glijden.
Natuurlijk sluit je zo’n dag af met een etentje in de ‘Ratskeller’ onder het ‘Rathaus’. Maar niet na vooraf een aperitief te gebruiken in het ‘Hofbrauhaus’, de belangrijkste biertempel van Duitsland, zo niet van de hele wereld. Een gewoon biertje bestellen wordt daar wel een beetje gek gevonden, want ze drinken daar hele liters, die daar worden aangereikt door stevige dames in dirndl-jurken. Onder opzwepende begeleiding van een authentiek Beiers orkest, dat een gewoon gesprek toch wel wat moeilijker maakte. Maar gelukkig was er geen plaats, want de tent zat overvol met voetbalsupporters, die zich natuurlijk goed moesten voorbereiden op de wedstijd tussen Bayern München en FC Kopenhagen later op die avond. Dus dan maar meteen naar het restaurant, waar in alle rust een beschaafde consumptie kon worden genoten. Samen met een gut-bürgerliche maaltijd. De München-impressie is samengevat op:
Je moet er wat voor over hebben: Glow in Eindhoven. Het jaarlijkse lichtspektakel aldaar is eigenlijk wel het beste wat Nederland op dat gebied te bieden heeft. Ik had een bezoekje eigenlijk al afgeschreven, want om daar nou twee uur in de stromende regen rond te lopen, vond ik wel wat too much. Maar ineens bleek het zomaar een avond niét te regenen, dus is – gewapend met onze camera’s – samen met René de trein gepakt en is dankzij de vrije reisdagen van de NS naar het zuiden afgereisd. Van oorsprong is Glow een Philips-feestje en waar kan je dat dan beter organiseren dan in de ‘lichtstad’, die Eindhoven ooit was. Want lampen worden er al lang niet gemaakt en de activiteiten van Philips zelf zijn, inclusief het hoofdkantoor, ook grotendeels naar elders verhuisd. Maar inmiddels is aan de westkant van de stad een nieuw ASML-imperium in opbouw, mede dankzij de know-how die Philips er heeft achtergelaten. En anders zijn het wel de technische wizz-kids in Strijp-S, die aan het lichtspektakel net dat extra cachet konden geven dat het die avond uitstraalde. Hoe dan ook, we hebben het rondje van ongeveer twee uur, soms schuifelend door de modderpoelen, gemaakt. En hoewel fotograferen bij avond niet mijn liefhebberij is, is er toch nog wel een fotoserietje gekomen op: