De Randmeren: ooit waren die onderdeel van het veel grotere IJsselmeer. Nu gereduceerd tot waterpartijen, ingeklemd tussen de nieuwe polders en het oude vasteland. Met een beetje goede wil rekenen we het aan Amsterdam grenzende IJ-meer er ook toe. Alleen is dat wel nog wat meer dan een ingeklemde waterpartij en kun je op dat IJ-meer nog ervaren hoe ooit het IJsselmeer eruit moet hebben gezien. Die ervaring hadden we op een zomers fietstochtje richting Almere tussen Amsterdam en Muiderberg. Vanaf de fraaie Nescio-fietsbrug hebben we eerst nog uitzicht op het doorgaande vracht-scheepvaartverkeer over het Amsterdam-Rijnkanaal.
Maar verderop, voorbij de elektriciteitscentrale, ontvouwt zich het weidse uitzicht verder over het Markermeer, met Pampus, Volendam en Marken als ankerpunten. En we verbeeldden ons héél in de verte zelfs Hoorn te kunnen zien liggen. Op het IJ-meer geen vrachtverkeer, althans niet vandaag. Maar des te meer watersporters, met zeiljachten, kite-surfers en zelfs enkele vermetele zwemmers. In Muiden hadden ze natuurlijk ontdekt dat dit toch wel een A-locatie zou zijn voor een nieuwe woonwijk. Die is er inderdaad gekomen. Verhoogd aangelegd, zodat de bewoners over de dijk heen kunnen kijken. Maar bij elk van de woningen hoort nu zó’n grote lap grond, dat de meeste bewoners niet weten wat ze met al die grond aan moeten, zodat die lappen er nog steeds braak bij liggen.
In Muiden kun je met de boot vanaf het IJ-meer de Vecht op. Een populaire route, maar je moet er wel door de sluis. En vanaf het terras van de populaire uitspanning ‘Ome Ko’ wordt het gestuntel van de boten in de sluis uitgebreid bekeken. Even verderop ligt Muiderberg, een plaatsje dat veel weg heeft van een Drents brinkdorp. Maar het uitzicht op het strand en over de skyline van Almere is evenzeer mooi en doet de gelijkenis met Drenthe weer snel vergeten. Wij zijn nog even doorgefietst naar het Zilverstrand in Almere, waar uitgebreid is gepauzeerd, alvorens de terugreis met veel tegenwind aan te vangen. Wel nog even het Muiderslot in een ideale lichtval kunnen bekijken en vast te leggen. Het zomerse tochtje is samengevat op:
De reis naar Samos viel eigenlijk nog in het voorseizoen. Zelfs begin juni wordt in Griekenland nog als voorseizoen beschouwd. Voordeel is dat het nog niet zo heet en ook nog rustig is, allemaal in lijn met onze eigen ervaringen. Een ander voordeel is dat de natuur nog volop in bloei staat en nog niet is uitgedroogd door de hitte, die pas in juli schijnt te komen (samen met de meeste toeristen). Die natuur was vooral te ervaren na die ene dag met wat regen, die dankbaar in ontvangst werd genomen en daarna als dank een veelheid van geuren had vrijgegeven.
En wat natuur betreft heeft het eiland het nodige te bieden, als je tenminste je ogen de kost geeft. Want behalve prachtige vergezichten en mooie stranden is er dus de nog bloeiende flora en natuurlijk ook het nodige dierenleven. Dan zullen we het maar niet hebben over de vele zwerfkatten, die hier als een plaag worden gezien, maar die proberen een graantje mee te pikken van overal achtergelaten etensresten. Maar wel over vlinders, salamanders, kikkers en insecten waaronder veel bijen, gelukkig opgeborgen in bijenkasten. Dat alles gevangen met dat handige compact-cameraatje met goede inzoom-mogelijkheden. Een selectie van de opgemerkte vergezichten, flora en fauna staat op:
Samos is heel bergachtig. Op dat kleine eilandje zijn er bergen tot wel 1500 meter. Tegelijkertijd zijn, behalve sommige doorgaande wegen aan de noordkust, de wegen in het binnenland doorgaans erg smal met veel haarspeldbochten. Je moet dus ruim de tijd nemen om ergens te komen en je kunt er dus beter maar geen haast hebben. Wat natuurlijk precies de bedoeling is van een vakantie. Vanaf onze standplaats Ormos blijkt het 46 kilometer naar Samos-stad te zijn, maar daar kun je zó een kleine twee uur voor uittrekken. Op dat stuk blijft de derde versnelling van ons huur-autootje dan ook vrijwel ongebruikt. Daar staat tegenover dat het binnenland oogstrelend mooie dorpjes heeft.
We nemen een kleine omweg op weg naar Karlovasi en komen terecht in Kastania. Misschien lag het aan het vroege tijdstip, maar we troffen weinig mensen op straat en op het gezellige pleintje tegenover de voor het kleine dorpje groot uitgevallen kerk. En in het café op dat pleintje al helemaal niemand. Toeristen zijn er evenmin. Wel tegen een vervallen muur een stapel afgedankte stoeltjes waarnaast een jong fruitboompje zich nog in leven probeert te houden. Evenzeer oogstrelend fotogeniek, maar dit kan toch niet de bedoeling zijn, als dit dorp ook in de komende twintig jaar nog op de kaart wil blijven staan.
Hoe anders is het in twee andere dorpjes, een stuk naar het oosten, dorpjes die uitdrukkelijk wél op de toeristische kaart staan: Manolates en Vourliotes. Hoog gelegen en beide bereikbaar over een lange steile weg met veel haarspeldbochten. Prachtig gelegen, strak in de verf, keurig aangeharkt en veel door de smalle straatjes sjokkende toeristen op zoek naar een vrij plekje op een van de gezellige terrasjes met uitzicht op de ook daar oprukkende toeristen-meuk. Ook oogstrelend mooi, maar net weer het andere uiterste. Hoe dan ook, het toont de variëteit van het binnenland van Samos. Evenals de bijgaande fotoserie: