Naast de bezoekjes aan steden, historische paleizen en beschermde natuurgebieden is er natuurlijk ook de nodige tijd uitgetrokken voor strandbezoek. Meer specifiek: aan de “Costa de la Luz” (kust van het licht). Wat mij betreft een van de mooiere kuststreken en stranden in Europa. Niet de bekende, populaire en volgebouwde Spaanse costa’s dus waarvan we op de heenreis een glimpje konden opvangen. Maar de Costa de la Luz is juist minder bekend, minder bevolkt en het achterland ervan is nauwelijks bebouwd. Minpuntje zou kunnen zijn dat er op de lange en brede stranden dan ook nauwelijks voorzieningen zijn, maar dat is makkelijk te ondervangen door wat eten en vooral voldoende water mee te nemen.
Groot voordeel is dat we het hier over de Atlantische kust hebben en niet over de Middellandse Zeekust. Dat betekent een ruigere zee, hogere golven en (naar mijn idee) schoner water. Of dat laatste ook echt zo is weet ik niet, maar het is altijd prettig om je in zo’n geval niet al te zeer te verdiepen in het mogelijke tegendeel. Hoe dan ook, het strandbezoek vormde een welkome afwisseling met de bezoekjes aan de bezienswaardigheden in de regio en het maakte het reisje naar Spanje aangenaam, afwisselend en compleet. En onze standplaats Jerez de la Frontera bleek uiteindelijk heel geschikt voor al datgene wat we hebben gedaan en bezocht. Alleen is het van ons voornemen om in Jerez een glaasje sherry te drinken niet meer gekomen. Het zij zo. Een laatste indruk van de kustregio en stranden is te vinden op:
Het gebied waar we verblijven is op het eerste gezicht niet het meest in het oog springend voor wat betreft natuurschoon. Het is een kale, en in de zomer bloedhete vlakte en het gebied maakt bovendien een rommelige indruk. Er groeit weinig, je kan er eindeloos ver kijken en de brug die de stad Cadiz met het vasteland verbindt is overal zichtbaar. Het gebied lijkt er dan ook wat verwaarloosd bij te liggen, temeer daar overal ruïnes staan waar niemand meer naar omkijkt en die daar langzaam staan weg te kwijnen. Toch is dat alles aanleiding om er juist daarom een kijkje te gaan nemen. Ruïnes zijn bij uitstek fotogeniek, en de rommeligheid is dan een prachtige achtergrond.
Toch heeft het gebied nog wel een functie. Het is de baai van Cadiz, en door de lage ligging is het water er brak en dus geschikt voor zoutwinning. En het is zelfs een beschermd natuurgebied. Er is ondanks het hete en droge klimaat veel water en dus een ideale habitat voor trekvogels die er rusten en eten voor ze hun trek vervolgen. In het bijzonder flamingo’s, die alleen de nare eigenschap hebben om meteen te verdwijnen als je alleen al de gedáchte hebt om ze op de foto te zetten. Maar dankzij ons tele-compactje was er nog wel wat van te maken. Verder is overal modder, waarin talloze krabbetjes zitten, die af en toe tevoorschijn komen en met hun oranje-rode kleur mooi afsteken tegen die grijze modder. En als ze eenmaal uit hun schuilplaats zijn gekomen laten ze zich wat meer gewillig op de foto zetten. De rommeligheid en de daar huizende fauna zijn samengevat op:
Het Alhambra in Granada is eigenlijk wel een van de mooiste en belangrijkste bezienswaardigheden in de regio. Toch hadden we – voor wat betreft ‘regio’ – ons een beetje verkeken op de afstand vanaf Jerez, zo’n 270 kilometer. En waar we ons al helemáál op hadden verkeken, was dat ongeveer 160 kilometer daarvan over bochtige tweebaanswegen moest worden afgelegd. Een hele onderneming dus voor een dagtocht. Twintig jaar geleden was ik er ook al eens en eigenlijk viel het Alhambra me toen een beetje tegen. Maar dat was op een donkere decemberdag in de stromende regen, waardoor alles wellicht wat minder uit de verf kwam. Maar ondanks die hele onderneming hebben we het plan toch maar doorgezet. We hadden vooraf een tijdsslot gereserveerd voor 15:00 uur en ons werd in waarschuwende e-mails op het hart gedrukt niet te vroeg en ook niet te laat te komen. Met een marge van een halfuurtje. Hoe dat kon uitpakken zagen we bij een groepje Nederlanders, dat twee uur te laat kwam en waarvoor de toegang resoluut werd geweigerd.
Maar wij waren keurig op tijd en het moet gezegd: het was de onderneming méér dan waard. Op een zonnige dag als deze bekijk je alles toch met weer heel andere ogen dan twintig jaar geleden en komt alles bovendien veel beter uit de verf dan destijds op die donkere decemberdag. Oorspronkelijk was het Alhambra een middeleeuws Moors fort en paleis. Alles in islamitische stijl en motieven, maar later in de 16e eeuw is het voor een deel omgebouwd in renaissancestijl. De gevels, gewelven en plafonds zijn met groot detail uitgevoerd en mede door diverse restauraties geeft het een mooi beeld hoe het er 500 jaar geleden moet hebben uitgezien, en natuurlijk ook hoe het er nu uitziet. De gemaakte fotoserie staat op:
Cadiz is de belangrijkste en volgens de boekjes eigenlijk ook wel de mooiste kustplaats in de regio waar we verblijven. Toen we een half jaartje geleden een accommodatie boekten was de keus dan ook meteen op Cadiz gevallen. Maar op het allerlaatste moment is bij nader inzien alsnog van Cadiz afgezien en is voor Jerez de la Frontera gekozen, zo’n twintig kilometer het binnenland in. Welk inzien dat toen is geweest, zijn we eigenlijk alweer vergeten. Maar Cadiz is een half uurtje rijden van Jerez en dus de geringe moeite waard om er op een zondagmiddag toch maar een bezoekje aan te brengen. En het moet gezegd: het is inderdaad een erg fraaie en ook mooi gelegen stad. Heel compact op een schiereiland en verbonden met het vasteland via een imposante brug, die je overal in de wijde omgeving kunt zien liggen. Cadiz blijkt ook een belangrijke aanlegplaats voor de grotere cruiseschepen te zijn. Want ook de cruise-industrie heeft Cadiz natuurlijk ontdekt. En dat laatste hadden we ons een half jaar geleden eigenlijk niet gerealiseerd.
En zo kon het zijn dat er op die zondagmiddag in dat netjes aangeharkte compacte stadje nog eens 6000 cruise-passagiers uit twee schepen langs de winkeltjes in de keurig betegelde straatjes sjokten. Diezelfde ochtend aangekomen uit Lissabon en in de loop van de avond weer door naar Barcelona, zo hoorden we van enkele van de vele Nederlanders die er rondliepen. Maar natuurlijk kijken we door dit alles heen en wandelen we ook over de dijk naar het fort, beklimmen de toren van de kathedraal voor het prachtige uitzicht over de stad, sjokken eveneens door de smalle straatjes en vergapen ons aan de botanische bijzonderheden in een van de parken. En inderdaad, het is een erg fraaie, schone en goed onderhouden stad. Maar bij het afscheid, terugrijdend over de imposante brug, weten we dan weer helemaal waarom we toch maar voor Jerez als standplaats hebben gekozen. En wat we in Cadiz hebben gezien staat op:
Sevilla: een van de parels in Zuidwest-Spanje: zo’n honderd kilometer van onze standplaats Jerez. Ideaal dus voor een dagtochtje en het ritje erheen beschouw ik altijd als een onderdeel van het genoegen. We kozen dus voor de secundaire weg: gaat wat langzamer, maar er is meer te zien. En dat was ook zo. Meestal worden Italië en Spanje in één adem genoemd, maar hier zie je toch wel dat het heel verschillende landen en landschappen zijn. Zo is er hier de overvloed aan palmbomen, die je in Italië nauwelijks ziet. Verder een vrij kaal, zelfs hier en daar woestijnachtig landschap. Het zal ongetwijfeld te maken hebben met een klimatologisch verschil. De streek rond Jerez en Sevilla is in de zomer bloedheet en wordt dan ook wel de ‘braadpan van Europa’ genoemd. Vandaag alleen niet, want het was half bewolkt en met maximaal zo’n 25 graden eigenlijk ideaal voor het uitstapje naar Sevilla.
Anders dan de wat kale omgeving is er in Sevilla juist veel groen. Her en der prachtig aangelegde en goed onderhouden parken met weer veel palmbomen. Ook op straat overal plantenbakken met goed onderhouden groen en kleine boompjes. Verder is er de gevarieerde architectuur van de stad met veelkleurige gevels met overal ingelegde mozaïeken met veelal religieuze motieven. De Giralda, onderdeel van de grote gotische kathedraal, is eigenlijk wel het icoon van de stad. Aanvankelijk (12e eeuw) een minaret, maar later (in de 16e eeuw) herbouwd in renaissance stijl. Alles omgeven door een fraai plein, waar men zich per koets voortbeweegt. Dan het Metropol Parasol, met het grootste houten bouwwerk ter wereld als overkapping, op de begane grond een marktplein en ondergronds een archeologisch museum. Maar vooral overal terrassen op intieme pleintjes met een uitbundig straatleven, dat hier door het gunstige klimaat het hele jaar kan worden gevierd. Hoe dat alles eruit zag, staat op:
Het inmiddels traditionele nazomer-reisje met René ging deze keer naar Spanje. Naar het zuidwesten met als standplaats Jerez de la Frontera en uitvalsbasis tussen fraaie steden en de stranden van de Costa de la Luz. Jerez is de stad van de sherry. Dat was in mijn studententijd een hip drankje, maar het wordt volgens mij tegenwoordig nog maar weinig gedronken. Daar ongetwijfeld nog wel en we nemen ons dan ook voor om na al die jaren er toch maar weer eens een glaasje van te nemen. We hebben er een appartement en wat me al vaker is overkomen, gebeurde nu weer: de accommodatie ligt midden in een winkel- en voetgangersgebied en we komen er ongewild toch met de auto in terecht. Meteen opgemerkt door de politie, maar met onze hulpeloze houding kunnen we een bekeuring vermijden en worden we heel vriendelijk het gebied uitgeleid naar de dichtstbijzijnde parkeergarage.
Het is een rustige stad met nauwelijks toeristen. In tegenstelling tot de volgebouwde kust van de Costa de Sol, waar we vanaf de luchthaven Malaga langs rijden. Weinig toeristen dus, maar wel de gezellige sfeer die je je van Spanje voorstelt. Het leven speelt zich vooral op straat af en ontbijten en avondeten doe je hier op een van de vele terrassen. De eerste dagen kuieren we wat rond in de stad en omgeving en langs de kust. Die kust schijnt een reputatie te hebben als aanlandingsplaats voor bootvluchtelingen. Je kunt hier Afrika zien liggen en op een late middag lag er ineens een boot die er die ochtend nog niet lag. Het was eigenlijk nog niet eens zo’n heel gammele boot. Aan boord nog wat achtergebleven spullen, maar de passagiers waren verdwenen. Volgens omstanders zijn sommigen opgepakt, maar anderen zijn verdwenen door de duinen. Regelmatig horen we ervan in het nieuws, en het enige wat je dan doet is er kennis van te nemen. Maar de aanblik van de boot, de achtergebleven spullen en het idee dat hiermee honderden kilometers op open zee zijn afgelegd vond ik toch wel heftig en confronterend. Een fotografische indruk van Jerez en omgeving in de eerste dagen staat op:
De fotoclub stuurde me weer eens naar IJburg. De opdracht van de club is om in anderhalf uur een fotoserietje te produceren, ter bespreking op een later moment. IJburg is inmiddels een volwassen wijk geworden en dat was reden temeer om die wijk maar weer eens fotografisch onder handen te nemen. Er zijn, zeker als bewoner van de binnenstad, genoeg redenen te vinden om er niet te willen wonen. Hoewel afstand natuurlijk relatief is, is het toch wel ver van het centrum en de woonomgeving daar maakt – mede door het nog jonge groen – nog steeds een steriele en weinig doorleefde indruk.
Desondanks wonen er al heel wat mensen en er zijn blijkbaar ook wel redenen om er wél te willen wonen. Als je een boot hebt is dit toch wel de plek waar je moet zijn. Er zijn aanlegsteigers en je kan overal naar toe varen: naar de stad, maar ook naar het IJmeer en zelfs richting het Markermeer. Zelfs zijn er steigereilanden met drijvende woningen. En ook al is de woonomgeving nog wat steriel, er valt heel wat moois te zien vanáf IJburg, zoals het nieuwe stadsstrand en het zicht op de overkant van het IJmeer, zoals Durgerdam en in de verte de stompe toren van Ransdorp. Het fotoserietje van wat er in en vanaf IJburg te zien was is er gekomen en staat op: